Hoewel het ochtend was, had het winterse daglicht veel moeite om door het ongure weer te dringen. Het woud lag er grijs en duister bij, met een erg laag en donker wolkendek, striemende regen en windvlagen. Wodan’s Heir scheerde over daken en boomtoppen, razend wild met een hevig geraas. Wie enigszins kon bleef wijselijk binnenskamers. Maar niet ik. Ik had een missie. Een smal pad, dat meer leek op een kloof die werd uitgehold door water dat van de helling liep, bezaaid met keien, modder en dennennaalden was de laatste 100 meter mijn pad. Onvermoeid bleef ik stijgen, met modder tot over de enkels. Ik wist dat Arduinna toekeek. Het was haar woud, haar heiligdom. En ik zou haar niet teleurstellen. Mijn wollen muts, broek en de legerparka deden hardnekkig hun best het vocht buiten te houden. Ik trok mijn buff wat hoger en stelde mijn rugzak bij. Later vandaag zou ik bij een warme haard zitten met een mok hete thee of misschien een frisse Wérisienne. Maar nu zou ik het stellen met koude wind en regen.
Ik heb altijd al van de natuur gehouden, maar toen ik nog mocht genieten van de geneugten van het logement bij Defensie als landsknecht, heb ik menig dag en nacht in een nat bos doorgebracht, verkleumd en vloekend. Wat toen een vervelende ervaring was, zoek ik nu net op. Zoals velen ben ik begonnen met een altaar. Daar is niets mee natuurlijk, maar al snel voelde ik een verlangen naar meer. Door het lezen van de juiste boeken en ontmoetingen met de juiste mensen, openbaarde zich voor mij een nieuwe wereld in het heidendom. Heilige wouden, mistige heuvels, natte stenen ouder dan de jaartelling, daar kan je terugkeren naar de mysteries die ooit onze voorouders begeesterden. Daar kan je nog de bosgeesten ontdekken, de nekkers, de alven en misschien wel de Asen. Extreem weer, lijkt mijn ervaring alleen maar te versterken.
Links van mij weken de bomen en over een wei kon ik in de vallei van Wedericia (ook “Wederik”- “Wiederik”) ontwaren. Het is moeilijk te bevatten, maar het Waals dialect dat ooit gesproken werd in deze streken, lag eigenlijk dichter bij onze Germaanse talen dan bij de Romaanse. Het Waals is is ontstaan uit een mix van Keltisch, Gallo Romaans en Frankisch. De verfransing trad pas veel later echt op in 1795 onder Franse heerschappij.
Velden en bomen, met een snel bewegend laaghangend wolkendek, barre takken wezen de richting aan waarin Meneer de Wind reisde. Ik stelde scherp op de wolken. Figuren leken zich te vormen en weer te verdwijnen, in een constante molen van wind, alsof de onderkant van de wolkendeken tentakels kreeg die de malende bewegingen van ledematen van paarden en mannen imiteerden. In de massieve muur van de wolk staken donkere en grijze kleurenpallets zich tegen elkaar af. Een donkerblauwe wolken flard rees langs de flank van een grijze regenwolk omhoog als een tweeledig gevorkte tak. De ene rechtop de andere schuin en gebogen als een kromme wijzende vinger. Het leek wel een man te paard. Door het voortdrijven van de wolk boog de ruiter zijn hoofd en strekte het paard de nek, zoals je zou verwachten wanneer een paard van lichte draf naar galop schakelt. Ik knikte. Vandaag reisde ik niet alleen, maar mijn gezelschap was niet van Middengaard afkomstig.
Zelfverzekerd klom ik verder langsheen hoge sparren en dennen. Het woud slokte me opnieuw op en het daglicht werd nog zwakker achter de donkere basten. De geur van het bos was verkwikkend. De wereld werd buitengesloten, alles kromp naar mijn huidig bestaan. Ik bereikte de top van de heuvel liep over een breder pad. In de schaduwen van de bomen aan weerszijden van de weg zag ik vage schaduwen met mij meebewegen in de periferie van mijn zicht. Het was nutteloos er recht naar te staren want dan zag je ze niet. Ik maakte mij geen zorgen, want ik wist wie ze waren.
Eerder in de nacht, nadat ik mijn wagen op een modderig pad had geparkeerd, had ik het Duivelsbed opgezocht.
De megaliet bestaat uit twee delen, een kleinere steen rechtop vormt het hoofdeinde en een rechthoekige liggende steen vormt het bed, dat lijkt zelfs beslapen omdat het kuipvormig is en het anders ongelijke oppervlak van de puddingsteen is hier mooi effen en glad alsof het over lange tijd werd afgesleten door de bezoekers die het hadden beslapen. Het Duivelsbed maakt deel uit van de zogenaamde “Legendestenen” uit de vallei. Hoewel hun connectie met de megalieten en dolmens enigszins een grijze zone betreft, kunnen we niet ontkennen dat de aard van deze steen een heidens verleden moet hebben. Volgens de legende gebruikt de duivel de megaliet als zijn bed om te rusten voor hij terug keert naar de onderwereld. De kerk waarschuwde de bewoners om niet op de steen te zitten, anders kwam de duivel je halen. Nogal herkenbare elementen die je kan verwachten bij een demonisatie van een heidens sacrale plaats door toedoen van de kerk.
Mijn zaklamp scheen op het duivelsbed. De volle maan gloeide ergens tussen de bomen, belemmerd door een mistig waas. Ik was erg vroeg opgestaan, wat ik van plan was moest bij nacht gebeuren. Het weer was nog niet zo onstuimig, maar alles was wel nat. Ik drapeerde een militaire poncho over de steen en haalde een schaal en fles uit mijn rugzak. In de schaal goot ik de inhoud van een klein zakje koffie. Een zelfgemaakte tondel, een kluwen van houtschilfers die werden gedoopt in kaarsvet en gekneed tot een bal, stak ik aan met een lucifer en deponeerde in de schaal. De koffie begon te smeulen. Ik had liever graan of wierook gebruikt maar door omstandigheden had ik enkel koffie bij de hand en ik vertrouwde erop dat het net zo goed was. De fles goot ik in een kroes die ik bij de voet van het bed naast de schaal zette waarna ik een flinke teug uit de fles dronk. Met een leder touw bond ik de wolventand om mijn pols en knoopte hem drie maal in een bijzonder patroon. Ik ging liggen op de poncho, stopte mijn zaklamp weg en trok de poncho over mij heen als een deken om mijn lichaamswarmte te behouden. Ik luisterde naar het bos en rook de geur van brandende koffie. De wind roerde wat takken maar het was nog niets vergeleken met wat de ochtend zou brengen. Ik begon met een meditatie om mijn bewustzijn te vertragen en in de juiste gemoedstoestand te verkeren. Mijn focus verplaatste van mijn lichaam naar de steen. De temperatuur flirtte met het vriespunt maar ik had geen handschoenen aan zodat ik ze onder me kon stoppen om de steen te voelen. Ik aanriep Arduinna, nodigde haar uit deze steen te bezoeken en om mijn offer van wijn te aanvaarden en mij te verwelkomen onder deze maan in de aanloop naar Joel. Ik vroeg mijn voorouders het offer van koffie te aanvaarden en mij te vergezellen op deze ommegang. Ik aanriep de wolf in mij, ontboden door Wodan en als geïnitieerde van het verbond de Wolfhetan. Hierna herhaalde ik drie maal het woord Ansuz, vervolgens nog eens drie maal en dan weer drie maal. Een cyclus van negen invocaties sloot ik af met een neuriënde “hmmmmm” als een korte pauze en toen begon ik opnieuw. Het werd een schijnbaar eindeloze aaneenschakeling. De tijd leek stil te staan en mijn herhaling leek wel een gezang dat automatisch werd geproduceerd. Met mijn geestesoog ontwaarde ik mijzelf vanuit de lucht, rond het Duivelsbed maakte ik een perfecte ronde cirkel als van een blauwkleurig aura, een bel die mij afsloot van wat er om mij heen gebeurde. Het was een mentale oefening om de juiste toestand te bereiken. Na een tijdje leek mijn geest weg te drijven, of liever weg te zakken, in het bed van steen. Ontspannen spieren begonnen gevoelloos te worden en steen en lichaam leken over te lopen in elkaar, alsof mijn geest niet langer gebonden was aan het fysieke. Het gevoel buiten te zijn, op een hard oppervlakte te liggen, was verdwenen. Ik ervoer een zalige warmte en een gevoel dat je kan omschrijven als een soort gewichtloosheid. De desoriëntatie was totaal, alsof ik in een vorig leven ooit op de steen was gaan liggen en ik nu van alles los gekoppeld was, vanuit een superieur perspectief mijn daden als mens bekeek. Dat gevoel, die wetenschap, was op dat moment een onweerlegbare realiteit en niet omdat het voor mij bewezen werd maar omdat ik voelde alsof ik thuis kwam in de echte wereld. Mijn geest leek te drijven in een tijdloos alleswetend universum. Hoewel herinneringen altijd wazig zijn, weet ik zeker dat ik hier verwanten ontmoet uit lang vervlogen tijden.
Nu werd ik weggetrokken met groot geweld uit een cocon van comfort. Alsof je uit een heerlijk warm bed de kou van de nacht moet instappen. Het gevoel dat ik in een afgrond viel was overweldigend. De diepte was enorm, de grijze massa was geen steen meer, maar mistige wolken die mijn gezicht nat maakten, iets trok aan mijn poncho die heen en weer flapperde. En dan abrupt en onverwacht de harde impact wanneer je uit een hoogte valt. Maar in plaats van de verwachte pijn en dood voelde ik alleen maar de schok van het tot stilstand komen in mijn eigen lichaam, de hardheid van de steen onder mijn rug en de regen in mijn gezicht. Mijn hart ging tekeer in mijn borst. Ik keek op mijn vertrouwde Traser Commando op mijn pols. Het was reeds 7u30 en ik had het plots ijskoud. Mijn gezicht was nat, er viel regen. De koffie was al lang opgebrand en verwaaid, net als de mist. Ik sprong recht met stramme spieren, graaide de poncho weg en goot de kroes uit over de steen. Nadat ik had opgeruimd sprong ik wat op en neer om wat leven in mijn ledematen te brengen. Daarna at ik een klein ontbijt en dronk koffie uit een thermos, ik ging brandstof nodig hebben voor wat ik van plan was. Het duister van het bos staarde mij aan en ik voelde hen, ze waren aangekomen. Nu kon ik ze trots maken.
Mijn ommegang volgde de richting van de zon, zoals het hoorde en bracht me nu over de heuvelrug in de richting van het dorp. Het was de bedoeling een cirkel omheen de offerplek te maken alvorens mijn offer te brengen. De ommegang is een traditie die werd overgenomen in Christelijke gebruiken. Vanuit de oudheid hebben ons indicaties bereikt dat heidenen dit al deden om een plaats te eren of te reinigen, vaak met vuur. Maar ook om een heilig woud te betreden werden rituelen gevolgd. De ommegang toont ons dat de mens zich fysiek inzet om zijn betrokkenheid en motivatie te tonen aan de goden. Het is ook een vorm van respect, van eerbied, aan de geesten wiens huis we betreden. Daarom breng je ook een geschenk mee, een goede gast komt niet met lege handen. En dat het best moeilijk mag zijn, maakt de hele inzet nog mooier en oprechter. Als je ten val komt, dan kruip je.
De weg ging de helling af, langsheen meer megalieten die schijnbaar achteloos in het landschap waren gedropt. Bij de oude steengroeve hield ik even halt. Pakweg 5000 jaar geleden werden grote blokken puddingsteen hier uit de heuvel ontgonnen. Door de wol geverfde overlevers hadden hun oogst vervoerd naar de vallei, waarschijnlijk langs hetzelfde uitgesleten pad dat ik nu gebruikte. Ik staarde naar het gezicht in de wand van de uitgehakte stenen. Was het een gril van de natuur of had ooit iemand hier een eenogige gebaard hoofd uitgebouwd? Misschien had de godheid zelf wel besloten de locatie te eren door zich te tonen? Ik voelde mij nietig maar sterk in diens aanzicht. De sites in de vallei werden uitgelijnd naar het noorden. De hele omgeving leek bezaaid met verdwaalde megalieten. Ofwel daar achtergelaten door de bouwers, ofwel later verplaatst door andere bewoners van de vallei. Ofwel om praktische redenen ofwel om religieuze redenen, van Belgiekse stammen tot Franken of dienaren van de kerk, van boeren tot gemeentearbeiders, allemaal zullen ze ooit een rol gespeeld hebben in de verstoring van het oorspronkelijke plan. Er zijn mensen die zich hieraan storen. Nu zou ik hen geen ongelijk geven als het gaat om kwaadaardige intenties, bijvoorbeeld om de sacrale aard te verdonkeremanen. Maar wat mij wel belangrijk lijkt, is de continuïteit en evolutie van een heiligdom gelijk in welke vorm. Alles wat deze vallei doorstond heeft ze gemaakt tot wat ze is, haar lot voltrekt zich elke dag. Op dezelfde wijze dat een katholieke ommegang mogelijk zijn oorsprong vind in een heidens ritueel, op dezelfde wijze als een kerk een grafheuvel bekroond en zo ook het sacraal karakter van de heuvel kan bewaren. Zo geloof ik dat wij in onze eigen tijd verder kunnen bouwen op dergelijke plekken. Of, waarom niet, onze eigen nieuwe plekken wijden aan de alven en Asen zoals de stenen kring in Beselare of de godenpaal in Wijnendale of de plaatsen waar jaarlijks Joel en midzomervuren worden aangestoken…
Er valt wel iets te zeggen over het opeisen van onze oude heiligdommen. Ons lokaal heidens geloof is niet erkend in ons eigen land. Bijgevolg hebben wij als heidenen ook niet echt een stem of een platform dat ons verenigd. Ook erg moeilijk omdat iedereen zijn eigen invulling en label geeft aan zijn spiritualiteit en velen zich niet onder dezelfde noemer willen identificeren. Zo denken we maar aan Keltisch versus Germaans, Asatru versus Saksisch, Noordzee Germanen en Belgae, Druïden en heksen en wat je nog allemaal kan bedenken. De ene is reconstructionist, de andere is traditionalist, er zijn animisten die hun eigen idee hebben omtrent godheden enzovoorts.
Er zijn te veel verschillende concepten en te veel mensen die liever niet met andere concepten geassocieerd worden, er zal dus waarschijnlijk nooit een overtuigende meerderheid bestaan die groot genoeg is om door de overheid gehoord te worden. Is dit nodig kan men zich afvragen? Misschien niet. Mijn sibbe, mijn grond en de wereld kan me gestolen worden zullen veel mensen denken. Maar hoe kunnen onze tradities en onze heiligdommen die nu al vaak op de helling staan, overleven als ons bestaan onder de radar blijft? Heel wat mensen werken heden actief aan de bewaring van dit erfgoed en ook aan de ontwikkeling van nieuwe tradities. Gezien de beperkingen die we hebben over historische praktijken, zijn we genoodzaakt om wat poëtische vrijheden toe te laten. En ik kan mij perfect inbeelden dat ook in de voor Christelijke tijd, elke stam, elke sibbe, hun eigen tradities en gewoonten hadden ontwikkeld wanneer het op hun spirituele beleving aankwam. Concepten die niet alleen van streek tot streek kon verschillen maar ook van de ene tijd tot de andere. Er is niets mis mee om de oude gekende concepten bij te sturen zodat ze zijn uitgelijnd met onze hedendaagse leefwereld. Maar het zou toch wel geweldig zijn, als onze huidige uitgebouwde praktijken ook in een verre toekomst nog kunnen getraceerd worden en hun sporen achterlaten in het landschap, net zo goed als 2000 jaar geleden. Ik droom van een erkend inheems heidendom in onze contreien, dat naadloos aansluit bij onze Keltische-Germaanse grondlaag. Twee termen die we misschien wel kunnen vervangen. Want beiden worden eigenlijk erg losjes gebruikt nietwaar?
Over wat Keltisch is of Germaans kan men uren debatteren. Menig geschiedkundigen zijn het oneens. Wie waren de Kelten? Bestaan er nog Kelten vandaag? En de Germanen? Het concept om beide labels te gebruiken is ons eigenlijk opgedrongen door de Romeinse bronnen en die waren op hun beurt mogelijk ingezet als een politiek wapen dat veroveringen, tegenslagen en territorium moesten verantwoorden aan de senaat. Zo heeft Julius Ceasar de naam Gallica in gebruik genomen om een gebied te benoemen dat in zijn visie een geheel vormde. Een visie die niet noodzakelijk gevormd werd door de lokale stammen en hun relaties of taal, maar misschien wel door de ambities en noden die de Romeinen voorzagen. Desondanks werd de term sinds dan gebruikt, ook nog door moderne wetenschappers, om de bewoners in Gallica als één volk te benoemen met de moderne term Galliërs. De stammen van destijds, net als de Germanen of Kelten, hadden waarschijnlijk nooit hun verschillende federaties als één volk aanschouwd. In tegendeel, we weten dat ze bijna permanent in oorlog waren met andere stammen ondanks gedeelde cultuur. In onze typische Belgische stijl, waren ook de Belgae al niet echt een eenheid. Sommige stammen waren overwegend Germaans in cultuur en andere overwegend Keltisch. Invloeden uit de grensgebieden speelden een grote rol op taal en kunst en traditie. Identitair gingen echter geen van hen zich ooit voorstellen als zijnde een “Kelt” of een “Germaan” maar wel als zijnde lid van een stam. De Bolg, de Belgae, de Oude Belgen, hadden hun eigen inheemse manieren, geloofssysteem en traditie. En ook vandaag hoeven wij niet te parreren met Germaanse of Keltische culturen. Er is niets mis mee om onze bestaande cultuur verder te zetten met de elementen die het overleefd hebben tot op heden.
Langsheen de Sint-Niklaassteen, een grote rots kwam ik bij het einde van het bos. Ook deze steen was gehuld in mysterie. Genaamd naar een heilige die gebonden is aan de midwintertradities en ons herkenbaar als een spiegelbeeld van Wodan.
De bomen werden schaarser en het pad bracht mij tussen weilanden. Voor mij uit lag Oppagne. Het pad leidde langs de Kapel van Pas Bayard. Hoewel niet ouder dan 200 jaar, zou de kapel wel op een site van megalieten zijn gebouwd. Een late kerstening van een heidense sacrale plaats? Was er voorheen misschien al een andere kapel of houten kruis om het heidens karakter te bedwingen? Het hoeft niet te verbazen dat de kapel tevens aan de rand van de bewoning werd gebouwd. Alsof ze de mensen aan de rand van het bos moest geruststellen en de kwade geesten uit de oude stenen weghouden.
In de straat verderop kwam ik langs de Pas Bayard, een megaliet met een opvallend kunstmatig letsel: een lange rechte groef. Volgens de legende heeft het Ros Beijaard met de heemskinderen op de rug, zich hier afgezet om een sprong van 10 kilometer te maken richting Durbuy. Een paard met dergelijke magische kwaliteiten, we denken aan Sleipnir, we denken ook weer aan Sinterklaas, dat kan wel eens een afdruk laten in een rots nietwaar?
Regen en wind teisterden vooral mijn gezicht nu ik minder beschut werd door hoge bomen. Maar ik verwelkomde elke druppel.
De menhirs van Oppagne zijn drie rechtopstaande megalieten in een veld. De boom wiens wortels rond de steen zijn verweven hangt her en der getooid met stukjes stof. Om mijn pols zat een bandje met kralen uit een zuiders land die ik lang meedroeg. Het was tijd dat het mijn essentie die het al die tijd had geabsorbeerd, overleverde aan de Ondergaard. Ik vroeg de boom mijn offer over te brengen en vervolgde mijn pad met snelle tred. De ommegang was niet enkel een spirituele kracht, maar ook een fysieke. Gezond voor de geest, gezond voor het lichaam.
De dolmen van Oppagne begroette mij, gelegen tussen vier bewakers, enorme bomen, lag hij zelfvoldaan en trots, halfverzonken. De achter hoede bewaakt door vier staande menhirs. Een liggende megaliet had een opvallende uitsparing, als een mooi passend stoeltje, al even glad gesleten als het Duivelsbed.
Bij opgravingen heeft men in de twee dolmens van de vallei allerlei spullen gevonden: een stenen bijl, een ossetand, Romeinse munten, aardewerk, resten van wilde zwijnen, pijlpunten, vuurstenen, menselijke botten van wel meer dan 10 personen en meer. Verschillende culturen zoals de Trechterbekercultuur en Klokbekercultuur hebben hier hun sporen nagelaten maar ook hun latere nakomers waren hier duidelijk actief. Begraafplaats, offerplaats, feestplaats, verzamelplaats, en waarschijnlijk werd hier ook veelvuldig de nacht uitgezeten om raad van de voorouders te ontvangen. 5000 jaar van regelmatig sacrale handelingen, en ik zweer het als je de hand op deze stenen legt, bij het Seelenloch van de dolmen, dan trilt als het ware je bloed met de macht van de geest die hier huist. Ik vulde mijn kroes en goot deze uit over de stenen van de dolmen en nam zelf ook een slok met een gedachte voor al wie mij hier voorging.
De Schaar van Wodan raasde onvermoeid over mij heen, ik groette de stenen en trok verder diep gehuld onder mijn kap, naar de Menhir Denthine en de verderop recent opgegraven megalieten die ook weer in in hun staande positie zijn opgezet.
Het moet een bijzonder soort mens geweest zijn, die voor de tijden van ons gekende comfort en technologie, het land bewoonde. Gehard door ontberingen en strijd, gedreven door gebondenheid en geloof in principes die wij tegenwoordig niet zo vanzelfsprekend vinden. Het sluiten van een verbond, het bieden van loyaliteit, het erkennen van de magie in de dagdagelijkse dingen. En het verwezenlijken van projecten die op het eerste zicht een onmogelijke opdracht lijken zoals het uithouwen, transporteren en plaatsen van gigantische stenen die ook nog eens duizenden jaren stand kunnen houden. Deze mensen leefden met ontzag voor de wereld om hen heen. Kennen wij dit ontzag nog wel? In het bijzonder mensen die gewoon zijn aan stedelijke omgeving, verharde wegen, gegarandeerde dienstverlening van energie, voedsel en communicatie. Daar waar de natuur nog zeggenschap heeft en de mens zich plooit naar diens grillen, daar is de mens nog ondergeschikt. Hoewel wij hier ook nog tegenwoordig worden herinnerd aan wie echt baas is. Overstromingen, windhozen, zelfs klimaatverandering. Is het daarom dat we tegenwoordig uit de wereld van het comfort heidenen treffen die de goden gelijkstellen met zichzelf? Die geen ontzag meer hebben voor natuur of alven? Monster-aanbidders, geweld-verheerlijkers en zelfverklaarde spirituele guru’s … Wat mag van ons worden wanneer wij niet langer ontzag hebben voor natuur, voor alven, voor Asen?
De Dolmen van Wéris is omringd door verschillende megalieten waarvan een aantal een mooie rij vormen ruwweg wijzend naar het noorden. Heel wat geschiedkundigen denken nu dat rijen van megalieten niet persé gelinkt waren aan sterrenbeelden, maar wel met richtingen, of zelfs paden, die mensen dienden te bewandelen om zich in de juiste richting naar de heilige plaats te begeven. Hierbij zou een sterrenbeeld wel kunnen gebruikt worden als referentiepunt maar zou verder geen betekenis hebben. Net als we ook zien in de ommegang, zou het best kunnen dat ook ten tijde van Carnac en Stonehenge, mensen een processie vormden, misschien wel zoals beschreven in Tacitus, met een wagen met daarop een godheid?
Eén opmerkelijke staande steen had op zithoogte een tweede lagere steen ernaast en vormde als het ware een troon. Toeval? In recenter geschiedenis aangepast? Ik mag graag geloven dat deze troon werd gebruikt om te komen “uitzitten”. Net als ik eerder deed op het Duivelsbed. Ik groette het graf en trok verder naar het noorden. De Menhir de Morville en Menhir de Heydt waren mijn twee bakens voor ik aan de laatste etappe begon om de ommegang tot een cirkel te brengen.
De laatste kilometers wogen door, het was niet zozeer de afstand, maar de niet afhoudende wind en regen die mij begon parten te spelen. Mijn gedachten gingen naar het nut van een offer. En niet-gelovigen zullen zich over dit aspect ook grote vragen stellen. Hoe consumeren de goden je offer? Waarom maakt een offer enig verschil? Is het niet achterhaald en dwaas om een offerschaal ’s avonds te vullen en vervolgens de dag erna te legen of de inhoud te verbranden? Of te begraven?
Eerst en vooral moeten we aanvaarden dat bepaalde handelingen, bewegingen, rituelen, een verbinding maken met de cosmos om ons heen. En met cosmos bedoel ik niet de planeten, maar het geheel wat ons leven uitmaakt en meer, de niet zichtbare dimensies en krachten die ons leven en wereld doorweven. Als we van het concept van de levensboom uitgaan, de Ermenzuil of Yggdrassil, noem het wat je wil. Dan zien we gewoonlijk dat de spinners van het lot, de schikgodinnen zich bij de wortels bevinden, bij een bron. Zij voeden als het ware de Ermenzuil met wat moet komen. De pilaar van het leven. Het is niet een fysieke zuil op een bereikbare plaats, neen het is hier en nu aanwezig in ons allen om ons heen als het web van wyrd, het stroomt door ons heen alles wat ook wij doen bouwt nieuwe vezels die verder groeien. Wij allen samen zijn de zuil. Wanneer je hout splijt zal je merken dat het uit vezels bestaat, een kluwen van draadjes, als spieren en aders, net als in de kleinste en zachtste planten, is elke vezel een onderdeel dat een weg heeft afgelegd om het groter geheel te vormen. En sommigen vormden takken, andere vruchten, of een stam. En in dit gesplitte stuk hout kan je ook een geschiedenis lezen, tijdringen, ziekten, beschadigingen, als littekens zitten ze overal. Zelfs wormen en ander ongedierte dat zich een weg erdoorheen knaagt. Als dit het leven voorstelt dan herkennen we het concept van Wyrd. Het krachtige energieveld van de cosmos, dat alles verbind. Elke daad heeft een gevolg, elke stap een voetafdruk, zo ook elk woord een impact. Een vloek, een gelukswens, een lief woord, een ontmoeting, een naamgeving, het zijn maar woorden maar toch kunnen ze een diepe indruk nalaten in het leven. We dragen in woorden energie mee die verbonden is met Wyrd. Dus waarom ook niet in onze woorden en handelingen die we stellen voor de goden? Een belofte of een eed werd niet licht opgenomen. Ook vandaag nog maakt een eedaflegging een belangrijk deel uit in onze maatschappij. Een militair, een inspecteur van politie, een bekleder van een officieel ambt, beëdigde ambtenaars, allen leggen zij een eed af waarbij zij hun eer in de schaal leggen. Net als in een huwelijk. Dit eeuwenoud concept grijp terug naar het belang van de eer. Want zelfs als je niets hebt, kan je nog een groot mens zijn wanneer je eervol bent. En je gedachtengoed kan herinnerd worden, je naam kan voortleven als je een eervol leven leidde. Volgens mij is het stellen van eervolle daden in het leven, een manier om geluk te verzamelen. Het sibbe geluk is essentieel, als een geest die heil of onheil brengt. Voedt de geest met eer en hij zal gedijen.
De ordening der dingen, het lot, de cyclus van de natuur, het wiel van de tijd, ze vormen allen een beweging in de zuil. In de Joeltijd valt alles stil en draaien wij aan het rad om de cyclus weer op gang te brengen. Een magische handeling die zijn effect teweegbrengt in wyrd. Je zou kunnen stellen dat ongeacht ons draaien van het rad of offeren, de ordening nog steeds zijn gang gaat. Maar misschien is dat niet het punt van de handeling, als wel het creëren van een band, een betrokkenheid. Het creëren van eer voor de sibbe, voor de naam, want door de heidense handelingen ben je verbonden met de heidense ordening, erkend als heiden. Ik las eens ergens, ik geloof dat het in een boek van Aat van Gilst was, de term “Germanenkunde”. Het is niet voldoende om te geloven, om heiden te zijn moet je ook handelen en praten. Je moet een wereldaanschouwing bezitten die overeenkomt met de heidense concepten van eer, wyrd, geluk, de aanwezigheid van krachten en eigenheid in alles om je heen en vrede of frithu. Vrede heeft in de heidense aanschouwing een net iets andere invulling. Vrede is de orde die heerst binnen een kring van mensen en in stand wordt gehouden door bepaalde relaties. Zoals het uitwisselen van geschenken of diensten. Uitlenen van een kruiwagen aan je buur, uitwisselen van geschenken met Joel, en ja zelfs nieuwjaarsbrieven en goede voornemens, passen in het afleggen van eed of gelofte die word gehouden om zo vrede te bewaren, orde te bewaren. Zoals wij onze relaties onderhouden met geloftes, geschenken en diensten aan elkaar, zo onderhouden wij ook onze vrede met de alven en Asen.
De weg begon te klimmen en al gauw bevond ik mij terug tussen de bomen. Vlakbij het Duivelsbed vond ik het pad dat recht omhoog liep tussen rotsen heen. Een groep vrouwen stond om het Duivelsbed in een cirkel, erop lag een dame met de ogen gesloten. Net als ik eerder deze dag. Een dame prevelde woorden, het leek of ze instructies gaf. Het was heerlijk om vast te stellen dat ondanks het slechte weer, verschillende heidenen hier toch actief waren.
Het pad was steil en ingesleten in de rotsen. Ik beeldde me graag in hoe 1500 jaar geleden, mensen over deze zelfde stenen liepen om de piek van Haina te bereiken.
De steen lijkt wel op een Thurisaz rune. Volgens sommige onderzoekers was het zelfs de bedoeling hem als dusdanig te vormen. Archeologen zijn het er in elk geval over eens dat de steen bewerkt geweest is, maar hier niet werd neergezet. Hij maakt dus deel uit van de natuurlijke omgeving.
De steen is uitgelijnd met de andere megalieten en zou mogelijk een referentiepunt geweest zijn bij de bouw van de site zo’n 5000 jaar geleden. Op midzomernacht wordt hij wit gekalkt door de bewoners in een oude traditie. Tot 1900 werd die jaarlijks uitgevoerd, gepaard met een groot feest. Rond de eerste wereldoorlog werd deze stop gezet zoals vele andere gebruiken, maar in 1975 terug ingevoerd. Volgens de legende zou de traditie zijn ontstaan omdat de rots de toegang naar de onderwereld zou afdekken. De duivel zou langs deze weg kunnen worden geroepen en dan de rots omduwen om het land te betreden. Door hem wit te kalken zou deze kleur de duivel afschrikken.
Uiteraard werden oude heidense cult plekken steeds gedemoniseerd. En vertoeven onze voorouders en alven niet steeds in heuvels? Is wit niet de kleur van de alven? Opmerkelijk ook, dat de zomerzonnewende het moment is dat men kiest om de steen te kalken. Het einde van de winter wordt trouwens ook ingeluid met grote vuren die de kwade geesten terug naar de onderwereld sturen. Het wit kalken lijkt wel zo iets als het sluiten van de deur. En was wit niet ook een belangrijke kleur in de Germaanse spiritualiteit naast rood en zwart? Opmerkelijk ook, is dat door de witte kalk, de steen zeer zichtbaar is vanaf de menhirs in de valei.
De naam zou mogelijk uit het Keltisch komen en verwijzen naar de ‘voorouder steen’. Nu werd in onze schoolboeken, onder invloed van de kerk en na oorlogse politiek, heel wat Germaanse concepten diplomatisch omgedoopt naar ‘Keltisch’. Echter is er ook een Germaanse godin genaamd Haina en aangezien Wéris oorspronkelijk genoemd is naar Wederik, een Germaanse naam, zou het wel is kunnen dat de naam hier zijn intrede deed. Verschillende Duitse plaatsnamen herinneren ons aan de cultus rond Haina en ook is er een mythologie overgeleverd. In het bijzonder die van het dorpje Hain, waar de bewoners een beeld van de godin aanbaden nabij een grote eik in een heilig bos. De offers die gebracht werden stonden voornamelijk in het teken van agricultuur. (Toevallig was ook agricultuur prominent op de vlakte van Wéris) De kerk was radeloos toen na vele pogingen de heidenen hun godin nog steeds vereerden. Ze veldden de eik en lieten het beeld zinken in een moeras en bouwden een kapel om de heidense plaats te kerstenen. Maar desondanks bleven de heidenen het heilige bos intrekken om daar te offeren. De kerk ging een stapje verder en begroef dode dieren op allerlei plaatsen in het bos op geringe diepte. De ondiepe grave werden al gauw weer opengehaald door wilde dieren waardoor de rottende kadavers een vreselijk geur verspreidden. Dit weerde wel veel heidenen waardoor de cultplaats uitdoofde.
Of men in Wéris ooit zo ver is moeten gaan om de heidenen te weren van de Haina steen, weten we niet. Maar in elk geval zijn de heidenen nu terug.
Het plateau achter de Haina steen is geschikt om te kamperen, je kan er sporen vinden van herhaaldelijk gebruik van een vuurput en slijtage op heel wat rotsen toont dat ze vaak gebruikt werden om op te zitten. Wat hogerop een ander plateau met meer rotsen en een mooi zicht op de Haina steen. Ik bleef even staan om alles in mij op te nemen. Als het weer beter was, dan had een kampvuur een mooie afsluiter geweest. Ik plaatste de rugzak bij een rots en begon de rode winterharde vruchten te verzamelen die in de omgeving groeide. Ik bracht ze naar de uitgeholde ruimte in de rots aan de voet van de steen, zonder twijfel de plek waar traditioneel offers gebracht worden. Ik vulde mijn schaal met het laatste van de wijn en plaatste deze naast de offerput in de rots. Een vuur maken zou nu niet lukken in dit weer, dan had ik op zijn minst droog hout moeten voorzien. Maar een kaars in een glas was geen probleem. Ik draaide de vlam drie maal over mijn offers in de richting dat de zon over de hemel gaat en vroeg Arduinna om mijn offer te wijden. Ik aanriep Haina en nodigde haar uit mijn offer te ontvangen. Ik nam even de tijd om mijn hoofd leeg te maken. De wind blies mij recht in het gezicht. Ik raakte de steen aan en voelde de kracht die daar al eeuwenlang huisde. De bomen prevelden in hun taal.
“Haina, hier sta ik ter uwer ere, een offer voor uw nalatenschap en wijsheid, een offer voor uw daden en bijstand.”
Ik nam de schaal en goot deze uit over de offerholte met de vruchten. Ik sprenkelde wat van het vocht op de steen.
Voldaan ging ik zitten op een rots. Mijn lichaam vermoeid van de korte nacht en woelige tocht. Maar mijn geest opgeladen, bijna extatisch. Mijn oog viel op een wegwijzer, een houten paalt met bordje die het pad aanwijst. Met mijn zakmes markeerde ik de paal met een teken dat elk ander heiden zou begrijpen. Een rune die het sacraal karakter van de plek benadrukt.
Het bewaren van onze sacrale plekken zou een missie moeten zijn voor elk heiden. Niet enkel uit het standpunt van erfgoed, maar uit het standpunt van praktiseren, van spirituele traditie. De goden waren niet enkel belichaamde wezens uit de hemel zoals velen ze nog steeds zien maar nog veel meer.
Rivieren, bergen, wouden, waren naar hen genoemd niet omdat ze daar vereerd werden, maar omdat ze dit hun eigenheid was als het ware. Arduinna is niet enkel de godin van het woud, ze is het woud.