Radboud: trouw tot in de dood

De ruimte is schemerig, gevuld met de geur van hout en aarde. Buiten ruist de wind door het landschap dat hij zijn leven lang heeft verdedigd. Op het rustbed ligt koning Radboud, verzwakt maar nog steeds met een blik die geen onderwerping kent. Aan zijn zijde zit Kerlinga, geen vreemdeling, maar iemand geworteld in dezelfde grond, gevormd door dezelfde traditie.

Kerlinga:
“Radboud… gij hebt uw laatste veldslag bijna gestreden. Velen spreken over uw weigering om gedoopt te worden. Niet als een daad van trouw, maar als koppigheid. Waarom hebt gij ‘nee’ gezegd tegen hun god?”

Radboud:
“Kerlinga… gij weet dat zulke woorden niet uit koppigheid geboren worden. Men vroeg mij niet enkel een nieuw geloof te aanvaarden. Men vroeg mij alles los te laten wat ons gevormd heeft.”

Hij ademt zwaar, maar zijn stem blijft standvastig.

“Toen zij spraken over hun hemel, vroeg ik hen waar onze voorouders waren. Niet uit nieuwsgierigheid… maar uit noodzaak. Want wij leven niet alleen. Wij dragen hen in ons.”

Kerlinga:
“En zij zeiden…?”

Radboud:
“Dat zij verloren waren. Dat zij verdoemd waren omdat zij niet hun god hadden gekend.”

Een stilte valt, zwaar als steen.

“Begrijpt gij wat dat betekent? Dat elke stap die wij zetten, elke eed die wij houden, elke strijd die wij voeren… gebouwd is op een fundament dat zij verwerpen. Hoe kan een mens zichzelf behouden als hij zijn oorsprong verloochent?”

Kerlinga:
“Dus uw weigering was een keuze voor het verleden?

Radboud:
“Voor het verleden… en daarmee voor het heden en de toekomst. Onze wereld is geen rechte lijn zoals zij die zien. Ze is een kring. Wat was, leeft voort in wat is.”

Hij draait zijn hoofd langzaam.

“Als ik hun doop had aanvaard, had ik niet alleen mijzelf veranderd… maar de plaats van mijn volk in die kring verbroken.”

Kerlinga:
“Maar de druk was groot. De Franken stonden niet stil. Pepijn, en later Karel Martel… hun macht groeide. Was er geen moment waarop gij dacht dat buigen het volk misschien had kunnen redden?”

Radboud kijkt hem scherp aan.

“Redding… tegen welke prijs? Zie hoe zij hun geloof brengen: niet enkel met woorden, maar met zwaard en wet. Wanneer zij spreken van God, bedoelen zij ook gezag. Wanneer zij dopen, onderwerpen zij.”

Hij hoest kort, maar gaat verder.

“Als ik had gebogen, was Frisia niet langer Frisia geweest. Misschien had het blijven bestaan in naam… maar niet in geest.”

Kerlinga:
“Er wordt verteld dat zij heilige plaatsen aantastten, bomen velden, altaren braken. Hebt gij dat als een oorlog ervaren?”

Radboud:
“Ja. Maar niet enkel oorlog van staal — oorlog van betekenis.”

Zijn stem krijgt een rauwe kracht.

“Een heilige plaats is geen steen of hout. Het is een plaats waar het zichtbare en het onzichtbare elkaar raken. Wanneer zij die vernietigen, zeggen zij: ‘jullie wereld is leeg, onze wereld is de enige ware’.”

Hij pauzeert.

“Dat kan geen volk accepteren zonder zichzelf te verliezen.”

Kerlinga:
“En nu… nu uw tijd gekomen is… zij hebben terrein gewonnen. Het christendom groeit. Wat blijft er over van wat gij hebt verdedigd?”

Radboud sluit even de ogen, alsof hij luistert naar iets dat anderen niet horen.

“Meer dan zij denken.”

Langzaam opent hij ze weer.

“Zij kunnen namen veranderen. Zij kunnen onze feesten herschrijven. Maar de onderstroom… die blijft. Mensen vergeten niet zomaar hoe ze met het land verbonden zijn. Hoe ze hun doden eren. Hoe cycli werken.”

Hij kijkt Kerlinga aan.

“Wat wij waren, zal niet verdwijnen. Het zal veranderen… misschien verborgen raken… maar het zal blijven leven in hen die blijven voelen.”

Kerlinga:
“Hebt gij spijt?”

Een lange stilte volgt.

“Spijt… nee. Ik heb gedaan wat een koning moest doen. Niet winnen… maar waken over wat wezenlijk is.”

Zijn stem wordt zachter.

“Want uiteindelijk wordt een mens niet gemeten aan wat hij bezit… maar aan wat hij weigert op te geven.”

Kerlinga:
“Wat wilt gij dat men zich herinnert?”

Radboud ademt langzaam uit.

“Dat wij niet zomaar zijn verdwenen. Dat wij hebben gestaan. Dat wij hebben gekozen.”

Zijn ogen worden rustiger, maar verliezen hun scherpte niet volledig.

“En dat trouw… trouw aan oorsprong, aan bloed, aan geest… geen zwakte is, maar de kern van wat een mens maakt tot wie hij is.”

De wind buiten zwelt aan, alsof het land zelf luistert. Kerlinga blijft nog even zitten, zwijgend. Niet als getuige van een nederlaag, maar van een overgang. Een moment waarop een oude wereld haar stem behoudt, zelfs terwijl zij langzaam uit zicht verdwijnt.

De West-Vlaamse vlag en de heirwegen van Cassel: een vergeten herinnering aan Romeins Vlaanderen?

De West-Vlaamse vlag behoort tot de meest herkenbare symbolen van Vlaanderen. Haar patroon van twaalf blauwe en gouden stralen rond een rood hartschild oogt op het eerste gezicht als een zuiver heraldisch ontwerp, maar achter deze eenvoudige vorm schuilt mogelijk een geschiedenis die veel verder terugreikt dan de middeleeuwen. Officieel wordt de vlag verklaard als een historische afleiding van oudere wapens van West-Vlaanderen en het Brugse Vrije. De officiële beschrijving verwijst niet naar Romeinse wegen, Cassel of de Menapiërs. Toch bestaat er een intrigerende historische hypothese die de vlag verbindt met de oudste wortels van het Vlaamse land.

Om die mogelijkheid te begrijpen, moeten we terugkeren naar een tijd waarin Vlaanderen nog niet bestond. In de eeuwen vóór onze jaartelling werd het gebied bewoond door de Menapiërs, een volk dat leefde tussen Schelde, Noordzee en de kustvlakten van het huidige Vlaanderen en Zeeland. Hun belangrijkste centrum lag rond Cassel, het latere Romeinse Castellum Menapiorum. Toen Julius Caesar in 57 v.o.j. Gallië binnenviel, kwamen ook de Menapiërs onder Romeinse druk te staan. Zij behoorden tot de meest hardnekkige tegenstanders van de Romeinen en bleven zich tot 54 v.o.j. verzetten, waarbij zij gebruikmaakten van de uitgestrekte bossen en moerassen van hun gebied. Uiteindelijk werden zij opgenomen in het Romeinse rijk.

Tijdens de Romeinse periode groeide Cassel uit tot het bestuurlijke centrum van de streek. Door haar strategische ligging op een hoge heuvel werd de stad een belangrijk administratief, economisch en militair knooppunt. Vanuit Cassel vertrokken verschillende heirwegen naar Boulogne, Atrecht, Doornik, Oudenburg en de Noordzeekust. Deze wegen vormden de slagaders van het Romeinse bestuur in het noordwesten van Gallië. Eeuwenlang bleven zij de ontwikkeling van nederzettingen, handelsroutes en machtscentra beïnvloeden.

Wanneer men de historische kaarten van deze verbindingen bestudeert, ontstaat een opvallend beeld. De wegen waaieren uit vanuit Cassel alsof zij de spaken van een wiel vormen. Precies daarom hebben sommige historici en streekonderzoekers zich afgevraagd of de blauwe en gouden geeren van het West-Vlaamse schild misschien meer voorstellen dan een decoratief patroon. De gelijkenis tussen een centraal punt met uitlopende verkeersassen en de vorm van het huidige wapenschild is moeilijk te negeren. Hoewel hiervoor geen rechtstreeks bewijs bestaat, vormt deze overeenkomst de basis van de theorie dat de vlag een verre herinnering bewaart aan het Romeinse wegennet van Vlaanderen.

Ook de kleuren zelf krijgen vaak een symbolische betekenis. Het goud of geel wordt traditioneel verbonden met rijkdom, overvloed en vruchtbaarheid. In een West-Vlaamse context herinnert het aan de vruchtbare polders, de uitgestrekte akkers en de economische welvaart die eeuwenlang voortkwam uit landbouw, handel en nijverheid. Blauw symboliseert in de heraldiek trouw, standvastigheid en rechtvaardigheid, maar roept voor West-Vlamingen ook de Noordzee, de IJzer, de Leie en de vele waterwegen op die het landschap hebben gevormd. Het rode hartschild staat van oudsher voor moed, kracht en gezag. Vanuit een historische interpretatie kan het worden gezien als het hart van de streek, het centrum van bestuur, handel en identiteit waaruit de omliggende regio haar samenhang ontleende.

Toch moeten we voorzichtig blijven. Er bestaat geen enkele bron uit de Romeinse tijd die aantoont dat de huidige symboliek rechtstreeks teruggaat op Cassel. Sterker nog, in de tijd van de Menapiërs en de Romeinen bestond heraldiek nog helemaal niet. Ook ten tijde van Boudewijn I, de eerste graaf van Vlaanderen, waren wapenschilden zoals wij die vandaag kennen nog onbekend. Heraldiek ontstond pas in de elfde en vooral twaalfde eeuw, toen ridders herkenbare tekens begonnen te voeren op schild, banier en zegel.

Dat betekent dat Boudewijn I onmogelijk dezelfde vlag of hetzelfde schild kan hebben gebruikt als het huidige West-Vlaanderen. Toch blijft hij een belangrijke schakel in het verhaal. Op 17 september 862 werd Boudewijn I, beter bekend als Boudewijn IJzeren Arm, na zijn verzoening met koning Karel de Kale officieel erkend als heerser van Vlaanderen. Deze datum wordt vaak beschouwd als het symbolische begin van het Graafschap Vlaanderen en daarmee van de politieke geschiedenis van Vlaanderen als afzonderlijke entiteit. Vanaf dat moment ontwikkelde zich geleidelijk een Vlaamse identiteit die eeuwen later zou uitmonden in de heraldiek, wapens en vlaggen van het graafschap.

Wanneer het huidige West-Vlaamse motief dan wel voor het eerst verschijnt, komen we uit bij het Brugse Vrije, een van de belangrijkste bestuurlijke gebieden van het middeleeuwse Vlaanderen. Het Brugse Vrije omvatte een groot deel van het platteland rond Brugge en groeide uit tot een van de invloedrijkste instellingen van het graafschap. Het was in het wapen van het Brugse Vrije dat het kenmerkende patroon van blauwe en gouden geeren met een rood middenschild voor het eerst aantoonbaar verschijnt. De oudste betrouwbare voorstellingen dateren uit de dertiende en veertiende eeuw. Daar vinden we voor het eerst de directe heraldische voorloper van het huidige West-Vlaamse schild.

Daarmee ontstaat een boeiende historische mogelijkheid. Misschien ontstond het patroon inderdaad pas als middeleeuws heraldisch ontwerp. Maar het is eveneens mogelijk dat de ontwerpers teruggrepen naar een veel oudere regionale symboliek waarvan de oorspronkelijke betekenis verloren ging. Dat fenomeen komt vaker voor in de Europese heraldiek. Symbolen, kleuren en patronen worden soms eeuwenlang overgeleverd terwijl de precieze oorsprong vergeten raakt. Wat voor een middeleeuwse wapenkoning slechts een traditioneel motief was, kan ooit een verwijzing hebben bevat naar een landschap, een bestuurscentrum of een historische herinnering.

Indien dat ook hier het geval was, dan zou de ontwikkeling van het symbool een indrukwekkende tijdsspanne overbruggen. Het zou beginnen bij de Menapiërs en het Romeinse Cassel, voortleven in lokale tradities tijdens de Frankische periode, de vorming van Vlaanderen begeleiden vanaf de erkenning van Boudewijn I op 17 september 862, vervolgens zichtbaar worden in het wapen van het Brugse Vrije tijdens de hoge middeleeuwen en uiteindelijk uitmonden in de provincievlag die West-Vlaanderen sinds 1997 officieel voert.

Historisch bewezen is deze theorie niet. De oudste aantoonbare oorsprong van het huidige ontwerp ligt nog steeds in de middeleeuwse heraldiek van het Brugse Vrije. Toch maakt juist die onzekerheid het onderwerp zo fascinerend. De West-Vlaamse vlag kan worden gezien als een heraldisch symbool van een provincie, maar misschien ook als een verre echo van een veel ouder verleden. In haar gouden en blauwe stralen herkennen sommigen nog altijd de heirwegen die vanuit Cassel over het land van de Menapiërs uitwaaierden. In haar rode middenschild zien zij het hart van een streek die al meer dan tweeduizend jaar een eigen identiteit kent. En tussen de Romeinse wegen, de erkenning van Boudewijn IJzeren Arm op 17 september 862 en de middeleeuwse heraldiek van het Brugse Vrije loopt een historische draad die, hoewel niet bewezen, opmerkelijk goed aansluit bij het verhaal van Vlaanderen zelf.

De Germaanse wereld: wanneer de wolven de zon verslonden

Toen een totale zonsverduistering zich boven de Lage Landen voltrok, zagen onze voorouders niet zomaar een bijzonder natuurverschijnsel. Voor hen leek het alsof de orde van de wereld zelf werd verstoord. De zon was immers de bron van licht, warmte, vruchtbaarheid en leven. Wanneer zij midden op de dag verdween, moest daar volgens de mensen van toen een diepere, bovennatuurlijke betekenis achter schuilgaan.

De bewoners van de Lage Landen maakten in de oudheid deel uit van de bredere Germaanse cultuurwereld. Friezen, Saksen en Franken hadden een eigen religieuze traditie, maar deelden veel overtuigingen met andere Germaanse volkeren. Helaas zijn hun verhalen grotendeels verloren gegaan doordat deze gebieden al vroeg werden gekerstend. Wat we vandaag weten over hun mythologische wereldbeeld komt daarom vaak uit verwante tradities die beter zijn bewaard gebleven, vooral in Scandinavië. De Noordse bronnen geven ons een uniek venster op een veel oudere Germaanse denkwereld waarvan ook de bewoners van onze streken deel uitmaakten.

Volgens die Germaanse traditie werden de zon en de maan voortdurend achtervolgd door bovennatuurlijke wolven. De wolf Sköll joeg op de zon, terwijl zijn broer Hati de maan achtervolgde. Een zonsverduistering werd opgevat als het moment waarop de achtervolger zijn prooi eindelijk had ingehaald en begon te verslinden. Voor de mensen van toen was dit geen symbolisch verhaal, maar een verklaring van wat zich daadwerkelijk aan de hemel afspeelde. De plotselinge duisternis was het zichtbare bewijs dat de strijd tussen orde en chaos zich boven hun hoofden voltrok.

Deze voorstelling sloot aan bij een breder Germaans wereldbeeld waarin de kosmos voortdurend werd bedreigd door krachten van wanorde. In de verhalen over Ragnarök, het einde van de wereld, zouden de wolven uiteindelijk de zon en de maan volledig verslinden, waarna een tijd van duisternis en vernietiging zou aanbreken. Iedere verduistering kon daarom worden ervaren als een verontrustende herinnering aan dat toekomstige einde.

Wanneer de zon begon te verdwijnen, probeerden mensen soms actief in te grijpen. In verschillende Europese tradities werden lawaaierige rituelen uitgevoerd. Men schreeuwde, sloeg op metalen voorwerpen, luidde klokken of blies op hoorns om het monster dat de zon aanviel af te schrikken. Omdat de zon na enkele minuten altijd terugkeerde, versterkte dit het geloof dat de gemeenschap daadwerkelijk had geholpen om de kosmische orde te herstellen.

Voor de bewoners van de Lage Landen moet een totale verduistering een bijzonder indrukwekkende ervaring zijn geweest. Stel je een boer voor in het Vlaanderen van de achtste of negende eeuw. Terwijl hij op het veld werkt, merkt hij dat het licht verandert. De kleuren worden doffer, de schaduwen scherper. Vogels zoeken hun rustplaats op alsof de avond valt en het vee wordt onrustig. Vervolgens zakt een ongewone schemering over het landschap. Waar enkele ogenblikken eerder de zon stond, verschijnt nu een zwarte schijf omringd door een vreemde lichtkrans. Zonder kennis van sterrenkunde was zo’n ervaring nauwelijks anders te begrijpen dan als een teken van hogere machten.

Na de komst van het christendom verdwenen deze oude voorstellingen niet onmiddellijk. Veel heidense denkbeelden bleven voortleven onder een nieuwe religieuze laag. De wolf die de zon verslond maakte geleidelijk plaats voor het idee dat God zelf een boodschap stuurde. Middeleeuwse kroniekschrijvers zagen verduisteringen vaak als waarschuwingen voor oorlog, hongersnood, ziekte of de dood van belangrijke heersers. In annalen werden zonsverduisteringen regelmatig vermeld naast rampen en politieke gebeurtenissen. De hemel werd beschouwd als een plaats waar God zijn bedoelingen kenbaar maakte aan de mensheid.

Dat blijkt uit talrijke Europese voorbeelden. In Frankische kronieken uit de vroege middeleeuwen worden verduisteringen beschreven als buitengewone hemeltekens. Wanneer kort daarna een veldslag, pestuitbraak of machtswisseling plaatsvond, zag men daarin een bevestiging dat de verduistering een waarschuwing was geweest. De gebeurtenis zelf was vaak minder belangrijk dan de betekenis die men er achteraf aan gaf.

Ook tijdens de Karolingische periode werden verduisteringen nauwkeurig genoteerd. Geleerden aan het hof van Karel de Grote beschikten al over enige astronomische kennis, maar voor de meeste mensen bleven dergelijke verschijnselen onderdeel van Gods voorzienigheid. Zelfs wanneer men wist dat verduisteringen konden worden voorspeld, betekende dat nog niet dat ze hun religieuze betekenis verloren.

Een van de bekendste gevallen vond plaats op 2 augustus 1133, toen een totale zonsverduistering zichtbaar was in grote delen van Noordwest-Europa. Kroniekschrijvers beschreven hoe de hemel donker werd en sterren zichtbaar werden midden op de dag. Toen koning Hendrik I van Engeland twee jaar later overleed en zijn rijk in een langdurige crisis terechtkwam, beschouwden velen de verduistering als een voorteken dat deze gebeurtenissen had aangekondigd.

Voor onze voorouders in de Lage Landen was een zonsverduistering dus veel meer dan een astronomisch verschijnsel. Zij zagen er een strijd in tussen orde en chaos, tussen licht en duisternis, tussen de krachten die de wereld in stand hielden en de machten die haar wilden vernietigen. Eerst werd die strijd verklaard met de oude Germaanse verhalen over verslindende wolven. Later zag men er de hand van God in. Maar in beide gevallen bleef de kern dezelfde: wanneer de zon verdween, stond er iets groots op het spel.

Misschien verklaart dat waarom een totale zonsverduistering ook vandaag nog zo’n diepe indruk maakt. We begrijpen inmiddels perfect hoe de maan tijdelijk voor de zon schuift, maar wanneer het daglicht plotseling verdwijnt en de hemel een onwerkelijke aanblik krijgt, voelen we nog steeds iets van dezelfde ontzagwekkende verwondering die onze Germaanse voorouders duizenden jaren geleden moeten hebben ervaren.

De Belgae en hun plaats in de geschiedenis van België

De “Belgen” die Julius Caesar beschrijft in zijn beroemde werk De Bello Gallico vormen een boeiende en vaak misbegrepen bevolking uit de oudheid. Wanneer Caesar in de eerste eeuw v.o.j. zijn veldtochten in Gallië beschrijft, gebruikt hij de term Belgae voor een groep stammen die leefden in het noordelijke deel van Gallië, een gebied dat hij Gallia Belgica noemt. Dit gebied omvatte niet alleen het grootste deel van het huidige België, maar strekte zich ook uit over Noord-Frankrijk, Zuid-Nederland en het westen van Duitsland tot aan de Rijn. Het was daarmee een uitgestrekte regio die fungeerde als overgangszone tussen de Keltische wereld en de Germaanse gebieden.

Belangrijk is dat deze Belgae geen homogeen volk vormden. Het ging om een geheel van verschillende stammen, elk met hun eigen leiders, tradities en politieke belangen. Tot de bekendste behoren de Nerviërs in het huidige Henegouwen, de Menapiërs in het kustgebied, de Atuatuci en de Eburonen in het Maas- en Kempengebied. Deze stammen leefden naast en soms tegenover elkaar, maar waren in staat om samen te werken wanneer er een gemeenschappelijke dreiging was, zoals de oprukkende Romeinse macht.

Volgens Caesar onderscheidden de Belgae zich van andere Gallische groepen door hun uitzonderlijke moed en strijdlust. Hij noemde hen zelfs de dappersten onder de Galliërs. In zijn ogen kwam dat doordat ze minder beïnvloed waren door de mediterrane cultuur en minder betrokken waren bij handel en luxe. Daardoor bleven ze volgens de Romeinen “harder” en meer gericht op oorlog. Bovendien stonden ze in contact met Germaanse stammen ten oosten van de Rijn, wat hun militaire karakter nog versterkte.

De confrontaties tussen Caesar en de Belgae waren hevig. Aanvankelijk verenigden verschillende Belgisch stammen zich in een poging om de Romeinse expansie tegen te houden. De Nerviërs staan bekend om hun felle weerstand: ze brachten de Romeinse legers op een kritiek punt en dwongen Caesar tot een uiterste inspanning om de strijd alsnog in zijn voordeel te beslissen.

Een van de meest indrukwekkende momenten uit deze periode is de opstand van de Eburonen onder leiding van Ambiorix, rond 54 v.o.j. Door list en kennis van het terrein slaagde hij erin een Romeins legioen in een hinderlaag te lokken en vrijwel volledig te vernietigen. Dit was een zware klap voor Caesar en een zeldzame duidelijke overwinning voor de lokale bevolking. De reactie van de Romeinen was echter meedogenloos: Caesar voerde een strafexpeditie uit die erop gericht was de Eburonen volledig te breken. Hun gebied werd verwoest en hun bevolking grotendeels uitgeroeid of verdreven, waardoor ze uiteindelijk uit de geschreven geschiedenis verdwijnen.

Na de onderwerping volgde een periode van romanisering. De bevolking van Gallia Belgica werd geleidelijk geïntegreerd in het Romeinse rijk. Romeinse bestuurssystemen, infrastructuur zoals wegen en steden, en de Latijnse taal verspreidden zich, vooral in het zuiden van de regio. Toch verdwenen de oorspronkelijke tradities niet volledig; ze bleven voortleven en vermengden zich met de Romeinse invloeden tot een nieuwe culturele realiteit.

Vanaf de derde eeuw n.o.j. veranderde de situatie opnieuw, toen Germaanse volkeren zoals de Franken zich in het gebied vestigden. Hun invloed werd vooral in het noorden sterk, waar Germaanse talen zich ontwikkelden en uiteindelijk de basis vormden voor het Nederlands. In het zuiden bleef de Latijnse invloed dominanter, wat leidde tot de ontwikkeling van Romaanse talen zoals het Frans. Deze historische evolutie ligt mee aan de basis van de latere culturele en taalkundige verschillen binnen België.

De relatie tussen de oude Belgae en de moderne Belgen is complex. Er bestaat zonder twijfel een zekere genetische en geografische continuïteit: veel mensen wonen nog steeds in dezelfde regio’s als hun verre voorouders. Ook plaatsnamen en landschappen dragen nog sporen van die oude stammen. Maar de huidige bevolking is het resultaat van meer dan tweeduizend jaar van vermenging, migraties en culturele ontwikkelingen. De Belgae zijn dus geen directe voorouders in een eenvoudige lijn, maar eerder één van de vele lagen die samen de huidige bevolking hebben gevormd.

Wat bijzonder is, is dat hun naam tot op vandaag voortleeft. Toen in 1830 de moderne staat België werd opgericht, koos men bewust voor deze historische benaming. Daarmee werd een symbolische band gelegd met een ver verleden dat werd geassocieerd met moed, onafhankelijkheid en strijdlust — eigenschappen die men ook in de nieuwe staat wilde herkennen.

Samengevat waren de Belgen uit Caesars tijd een diverse groep van Keltisch-Germaanse stammen die een belangrijk deel van Noordwest-Europa bevolkten. Ze stonden bekend om hun verzet tegen de Romeinse macht en speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van de regio. Hoewel ze niet rechtstreeks gelijk te stellen zijn met de huidige Belgen, vormen ze wel een essentieel en intrigerend hoofdstuk in de lange en gelaagde geschiedenis van het gebied dat we vandaag België noemen.

De moord op Bonifatius: geloof, macht en verzet in Friesland (754)

De moord op Bonifatius door de Friezen was het gevolg van diepe spanningen binnen een samenleving die onder grote druk stond van religieuze en politieke verandering. In de achtste eeuw vormden traditionele godenverering, heilige plaatsen en rituelen het fundament van het Friese leven. Deze gebruiken waren niet alleen religieus van aard, maar bepaalden ook sociale verhoudingen, rechtspraak en machtsstructuren. Wie deze tradities aantastte, tastte de orde van de gemeenschap zelf aan.

Bonifatius trad op als een missionaris met een uitgesproken en confronterende aanpak. Hij predikte niet alleen het christendom, maar bestreed openlijk de bestaande religieuze praktijken. Zijn eerdere optreden, waaronder het vernietigen van heilige bomen en cultusplaatsen, was bedoeld om te laten zien dat de oude goden geen macht hadden. Voor de Friezen betekende dit echter een gevaarlijke ontwrichting van hun wereld, omdat dergelijke daden volgens hun overtuigingen rampspoed en bovennatuurlijke vergelding konden oproepen.

De politieke context maakte de situatie nog gespannener. Het christendom was nauw verbonden met de expansie van de Franken, tegen wie de Friezen langdurig hadden gevochten om hun zelfstandigheid te behouden. Missionarissen stonden vaak onder bescherming van Frankische machthebbers en handelden in opdracht van Rome. Bonifatius werd daardoor gezien als meer dan een geestelijk leider: hij belichaamde buitenlandse invloed, dreigende onderwerping en het verlies van eigen wetten en vrijheden. Bekering werd ervaren als een eerste stap richting afhankelijkheid.

Binnen de Friese gemeenschap zorgde deze ontwikkeling bovendien voor verdeeldheid. Sommige inwoners hadden het nieuwe geloof al aangenomen, wat spanningen veroorzaakte met degenen die trouw bleven aan de tradities van hun voorouders. Dat werd gezien als verraad aan de gemeenschap en ondermijnde de bestaande sociale samenhang. Tegelijk verloren lokale leiders en religieuze specialisten gezag, omdat hun positie juist gebaseerd was op het traditionele geloofssysteem.

Toen Bonifatius zich begin juni 754 bij Dokkum bevond om nieuwe volgelingen te dopen, kwamen al deze spanningen samen. Op 5 juni 754 werd hij met zijn gezelschap overvallen door een gewapende groep Friezen. Voor hen vormde Bonifatius een directe bedreiging van hun religieuze overtuigingen, hun politieke onafhankelijkheid en hun sociale orde. In een cultuur waarin geweld werd gezien als een legitiem middel om eer, gemeenschap en traditie te beschermen, werd zijn aanwezigheid onaanvaardbaar. Bonifatius en zijn metgezellen werden gedood, een daad die bedoeld was om de ontwrichtende invloed definitief te beëindigen.

Ironisch genoeg had de moord het tegenovergestelde effect. Bonifatius werd vereerd als martelaar, en zijn dood gaf nieuwe kracht aan de christelijke missie en de verdere inlijving van Friesland in het Frankische rijk. Toch blijft zijn gewelddadige einde vooral een teken van hoe fundamenteel en existentieel de veranderingen werden ervaren: het was een uiterste poging om een vertrouwde wereld te verdedigen tegen ingrijpende en onomkeerbare verandering.

Koning Radboud en de strijd tegen de kerstening van Frisia

De weerstand tegen de komst van het christendom in de tijd van koning Radboud was diepgeworteld en veelzijdig, en kan alleen goed begrepen worden wanneer men ziet hoe ingrijpend de nieuwe religie botste met de bestaande sociale, religieuze en politieke structuren. Voor de Friezen en andere Germaanse volkeren was religie geen afzonderlijk domein, maar een integraal onderdeel van het dagelijks leven, verweven met rechtspraak, leiderschap, landbouw, oorlog en familiebanden. Het christendom bracht daarentegen een totaal andere manier van denken met zich mee, die deze verwevenheid gedeeltelijk brak en verving door een meer gecentraliseerd en universeel systeem.

Een belangrijk element van de weerstand was de rol van de heerser zelf als drager van religieuze orde. In de traditionele samenleving was een koning zoals Radboud niet alleen een machtig leider, maar ook een hoeder van de balans tussen mensen, goden en voorouders. Zijn legitimiteit kwam deels voort uit zijn vermogen om deze orde te bewaren. Wanneer missionarissen het christendom introduceerden, ondermijnden zij impliciet deze rol: zij brachten een religie die niet lokaal geworteld was en geen plaats gaf aan de traditionele goden of rituelen. Voor Radboud betekende bekering dus niet enkel een persoonlijke geloofskeuze, maar een ondermijning van zijn positie en van de fundamenten van zijn gezag.

Daarnaast speelde de sterke nadruk op voorouderverering in het heidendom een cruciale rol in de weerstand. De gemeenschap definieerde zichzelf via een continuüm van generaties, waarbij de doden een blijvende aanwezigheid vormden in het leven van de levenden. Rituelen, offers en herinneringen hielden deze band levend. Het christendom doorbrak deze continuïteit door te stellen dat alle heidenen, dus ook de voorouders, buiten de ware verlossing vielen. Dit creëerde een existentiële spanning: aanvaarden van het christendom betekende impliciet afstand nemen van de eigen oorsprong. De bekende legende waarin Radboud weigert zich te laten dopen nadat hij verneemt dat zijn voorouders in de hel zouden zijn, weerspiegelt precies deze spanning. Of het historisch precies zo gebeurde is minder van belang dan het feit dat dit verhaal vastlegt hoe onaanvaardbaar deze breuk voor velen moet zijn geweest.

Een andere bron van verzet lag in de manier waarop het christendom werd verspreid. Missionarissen zoals Willibrord en Bonifatius opereerden vaak met steun van Frankische machthebbers. Dit maakte de nieuwe religie verdacht als instrument van buitenlandse overheersing. Voor de Friezen betekende bekering vaak ook onderwerping aan Frankische politieke structuren, inclusief belastingen en verlies van autonomie. De strijd tegen het christendom was dus tegelijk een strijd tegen politieke annexatie. Wanneer Radboud militaire campagnes voerde tegen de Franken en hun bondgenoten, verdedigde hij niet alleen territorium, maar ook een manier van leven.

De praktijken van missionarissen zelf konden eveneens aanleiding geven tot conflict. Zij probeerden soms bewust heidense heiligdommen te vernietigen of te ontwijden om de superioriteit van het christendom te demonstreren. Heilige bomen werden gekapt, cultusplaatsen ontheiligd en rituelen verboden. Dit waren geen neutrale handelingen, maar directe aanvallen op het symbolische hart van de gemeenschap. Zulke acties veroorzaakten niet alleen religieuze verontwaardiging, maar ook sociale ontwrichting, omdat zij de plekken aantastten waar gemeenschappen samenkwamen en hun identiteit bevestigden.

Daarbij kwam dat het christendom een andere moraal introduceerde, die niet altijd aansloot bij de bestaande waarden. In de Germaanse wereld stonden eer, moed, loyaliteit aan de clan en wraakrecht centraal. Conflicten werden vaak opgelost via vergelding of compensatie binnen een eercultuur. Het christendom legde daarentegen de nadruk op vergeving, nederigheid en onderwerping aan een goddelijke orde die boven de gemeenschap stond. Voor krijgsaristocratieën kon dit worden ervaren als een verzwakking van hun traditionele ethiek en hun sociale rol.

Ook op het niveau van ritme en beleving van de wereld ontstond spanning. Het heidendom was sterk verbonden met de cycli van de natuur: seizoenswisselingen, oogsten, zonnewendes en andere natuurlijke overgangen bepaalden het religieuze leven. Het christendom bracht een meer lineaire tijdsopvatting, gericht op schepping, zondeval en uiteindelijke verlossing. Hoewel veel heidense feesten later werden opgenomen in christelijke kalenderstructuren, was dit in de tijd van Radboud nog een bron van frictie, omdat het bestaande ritme van het leven werd uitgedaagd.

De weerstand tegen het christendom moet dus niet gezien worden als louter conservatisme of onwil om te veranderen, maar als een rationele en diepe reactie op een ingrijpende transformatie. Voor Radboud en zijn omgeving stond er veel meer op het spel dan religieuze overtuiging alleen: het ging om identiteit, sociale orde, politieke onafhankelijkheid en de relatie met het verleden. De uiteindelijke overwinning van het christendom betekende daarom niet dat deze weerstand ongegrond was, maar dat de machtsverhoudingen zodanig verschoven dat het oude systeem zich niet meer kon handhaven.

In die zin wordt Radboud vaak gezien als de belichaming van deze weerstand, niet omdat hij het christendom definitief kon tegenhouden, maar omdat hij de spanning en de inzet van deze historische overgang in zijn persoon samenbracht. Zijn verzet laat zien dat de kerstening van Europa geen geleidelijk en vreedzaam proces was, maar een complexe en vaak conflictueuze herordening van de wereld, waarin oude zekerheden plaats moesten maken voor nieuwe structuren die door velen in eerste instantie als bedreigend werden ervaren.

Mijmeringen in de vallei van Wiederik

Hoewel het ochtend was, had het winterse daglicht veel moeite om door het ongure weer te dringen. Het woud lag er grijs en duister bij, met een erg laag en donker wolkendek, striemende regen en windvlagen. Wodan’s Heir scheerde over daken en boomtoppen, razend wild met een hevig geraas. Wie enigszins kon bleef wijselijk binnenskamers. Maar niet ik. Ik had een missie. Een smal pad, dat meer leek op een kloof die werd uitgehold door water dat van de helling liep, bezaaid met keien, modder en dennennaalden was de laatste 100 meter mijn pad. Onvermoeid bleef ik stijgen, met modder tot over de enkels. Ik wist dat Arduinna toekeek. Het was haar woud, haar heiligdom. En ik zou haar niet teleurstellen. Mijn wollen muts, broek en de legerparka deden hardnekkig hun best het vocht buiten te houden. Ik trok mijn buff wat hoger en stelde mijn rugzak bij. Later vandaag zou ik bij een warme haard zitten met een mok hete thee of misschien een frisse Wérisienne. Maar nu zou ik het stellen met koude wind en regen. 

Ik heb altijd al van de natuur gehouden, maar toen ik nog mocht genieten van de geneugten van het logement bij Defensie als landsknecht, heb ik menig dag en nacht in een nat bos doorgebracht, verkleumd en vloekend. Wat toen een vervelende ervaring was, zoek ik nu net op. Zoals velen ben ik begonnen met een altaar. Daar is niets mee natuurlijk, maar al snel voelde ik een verlangen naar meer. Door het lezen van de juiste boeken en ontmoetingen met de juiste mensen, openbaarde zich voor mij een nieuwe wereld in het heidendom. Heilige wouden, mistige heuvels, natte stenen ouder dan de jaartelling, daar kan je terugkeren naar de mysteries die ooit onze voorouders begeesterden. Daar kan je nog de bosgeesten ontdekken, de nekkers, de alven en misschien wel de Asen. Extreem weer, lijkt mijn ervaring alleen maar te versterken.

Links van mij weken de bomen en over een wei kon ik in de vallei van Wedericia (ook “Wederik”- “Wiederik”) ontwaren. Het is moeilijk te bevatten, maar het Waals dialect dat ooit gesproken werd in deze streken, lag eigenlijk dichter bij onze Germaanse talen dan bij de Romaanse. Het Waals is is ontstaan uit een mix van Keltisch, Gallo Romaans en Frankisch. De verfransing trad pas veel later echt op in 1795 onder Franse heerschappij. 

Velden en bomen, met een snel bewegend laaghangend wolkendek, barre takken wezen de richting aan waarin Meneer de Wind reisde. Ik stelde scherp op de wolken. Figuren leken zich te vormen en weer te verdwijnen, in een constante molen van wind, alsof de onderkant van de wolkendeken tentakels kreeg die de malende bewegingen van ledematen van  paarden en mannen imiteerden. In de massieve muur van de wolk staken donkere en grijze kleurenpallets zich tegen elkaar af. Een donkerblauwe wolken flard rees langs de flank van een grijze regenwolk omhoog als een tweeledig gevorkte tak. De ene rechtop de andere schuin en gebogen als een kromme wijzende vinger. Het leek wel een man te paard. Door het voortdrijven van de wolk boog de ruiter zijn hoofd en strekte het paard de nek, zoals je zou verwachten wanneer een paard van lichte draf naar galop schakelt. Ik knikte. Vandaag reisde ik niet alleen, maar mijn gezelschap was niet van Middengaard afkomstig. 

Zelfverzekerd klom ik verder langsheen hoge sparren en dennen. Het woud slokte me opnieuw op en het daglicht werd nog zwakker achter de donkere basten. De geur van het bos was verkwikkend. De wereld werd buitengesloten, alles kromp naar mijn huidig bestaan. Ik bereikte de top van de heuvel liep over een breder pad. In de schaduwen van de bomen aan weerszijden van de weg zag ik vage schaduwen met mij meebewegen in de periferie van mijn zicht. Het was nutteloos er recht naar te staren want dan zag je ze niet. Ik maakte mij geen zorgen, want ik wist wie ze waren.

Eerder in de nacht, nadat ik mijn wagen op een modderig pad had geparkeerd, had ik het Duivelsbed opgezocht. 

De megaliet bestaat uit twee delen, een kleinere steen rechtop vormt het hoofdeinde en een rechthoekige liggende steen vormt het bed, dat lijkt zelfs beslapen omdat het kuipvormig is en het anders ongelijke oppervlak van de puddingsteen is hier mooi effen en glad alsof het over lange tijd werd afgesleten door de bezoekers die het hadden beslapen. Het Duivelsbed maakt deel uit van de zogenaamde “Legendestenen” uit de vallei. Hoewel hun connectie met de megalieten en dolmens enigszins een grijze zone betreft, kunnen we niet ontkennen dat de aard van deze steen een heidens verleden moet hebben. Volgens de legende gebruikt de duivel de megaliet als zijn bed om te rusten voor hij terug keert naar de onderwereld. De kerk waarschuwde de bewoners om niet op de steen te zitten, anders kwam de duivel je halen. Nogal herkenbare elementen die je kan verwachten bij een demonisatie van een heidens sacrale plaats door toedoen van de kerk. 

Mijn zaklamp scheen op het duivelsbed. De volle maan gloeide ergens tussen de bomen, belemmerd door een mistig waas. Ik was erg vroeg opgestaan, wat ik van plan was moest bij nacht gebeuren. Het weer was nog niet zo onstuimig, maar alles was wel nat. Ik drapeerde een militaire poncho over de steen en haalde een schaal en fles uit mijn rugzak. In de schaal goot ik  de inhoud van een klein zakje koffie. Een zelfgemaakte tondel, een kluwen van houtschilfers die werden gedoopt in kaarsvet en gekneed tot een bal, stak ik aan met een lucifer en deponeerde in de schaal. De koffie begon te smeulen. Ik had liever graan of wierook gebruikt maar door omstandigheden had ik enkel koffie bij de hand en ik vertrouwde erop dat het net zo goed was. De fles goot ik in een kroes die ik bij de voet van het bed naast de schaal zette waarna ik een flinke teug uit de fles dronk. Met een leder touw bond ik de wolventand om mijn pols en knoopte hem drie maal in een bijzonder patroon. Ik ging liggen op de poncho, stopte mijn zaklamp weg en trok de poncho over mij heen als een deken om mijn lichaamswarmte te behouden. Ik luisterde naar het bos en rook de geur van brandende koffie. De wind roerde wat takken maar het was nog niets vergeleken met wat de ochtend zou brengen. Ik begon met een meditatie om mijn bewustzijn te vertragen en in de juiste gemoedstoestand te verkeren. Mijn focus verplaatste van mijn lichaam naar de steen. De temperatuur flirtte met het vriespunt maar ik had geen handschoenen aan zodat ik ze onder me kon stoppen om de steen te voelen. Ik aanriep Arduinna, nodigde haar uit deze steen te bezoeken en om mijn offer van wijn te aanvaarden en mij te verwelkomen onder deze maan in de aanloop naar Joel.  Ik vroeg mijn voorouders het offer van koffie te aanvaarden en mij te vergezellen op deze ommegang. Ik aanriep de wolf in mij, ontboden door Wodan en als geïnitieerde van het verbond de Wolfhetan. Hierna herhaalde ik drie maal het woord Ansuz, vervolgens nog eens drie maal en dan weer drie maal. Een cyclus van negen invocaties sloot ik af met een neuriënde “hmmmmm” als een korte pauze en toen begon ik opnieuw. Het werd een schijnbaar eindeloze aaneenschakeling. De tijd leek stil te staan en mijn herhaling leek wel een gezang dat automatisch werd geproduceerd. Met mijn geestesoog ontwaarde ik mijzelf vanuit de lucht, rond het Duivelsbed maakte ik een perfecte ronde cirkel als van een blauwkleurig aura, een bel die mij afsloot van wat er om mij heen gebeurde. Het was een mentale oefening om de juiste toestand te bereiken. Na een tijdje leek mijn geest weg te drijven, of liever weg te zakken, in het bed van steen.  Ontspannen spieren begonnen gevoelloos te worden en steen en lichaam leken over te lopen in elkaar, alsof mijn geest niet langer gebonden was aan het fysieke. Het gevoel buiten te zijn, op een hard oppervlakte te liggen, was verdwenen. Ik ervoer een zalige warmte en een gevoel dat je kan omschrijven als een soort gewichtloosheid. De desoriëntatie was totaal, alsof ik in een vorig leven ooit op de steen was gaan liggen en ik nu van alles los gekoppeld was, vanuit een superieur perspectief mijn daden als mens bekeek. Dat gevoel, die wetenschap, was op dat moment een onweerlegbare realiteit en niet omdat het voor mij bewezen werd maar omdat ik voelde alsof ik thuis kwam in de echte wereld. Mijn geest leek te drijven in een tijdloos alleswetend universum. Hoewel herinneringen altijd wazig zijn, weet ik zeker dat ik hier verwanten ontmoet uit lang vervlogen tijden.

Nu werd ik weggetrokken met groot geweld uit een cocon van comfort. Alsof je uit een heerlijk warm bed de kou van de nacht moet instappen. Het gevoel dat ik in een afgrond viel was overweldigend. De diepte was enorm, de grijze massa was geen steen meer, maar mistige wolken die mijn gezicht nat maakten, iets trok aan mijn poncho die heen en weer flapperde. En dan abrupt en onverwacht de harde impact wanneer je uit een hoogte valt. Maar in plaats van de verwachte pijn en dood voelde ik alleen maar de schok van het tot stilstand komen in mijn eigen lichaam, de hardheid van de steen onder mijn rug en de regen in mijn gezicht. Mijn hart ging tekeer in mijn borst. Ik keek op mijn vertrouwde Traser Commando op mijn pols. Het was reeds 7u30 en ik had het plots ijskoud. Mijn gezicht was nat, er viel regen.  De koffie was al lang opgebrand en verwaaid, net als de mist. Ik sprong recht met stramme spieren, graaide de poncho weg en goot de kroes uit over de steen. Nadat ik had opgeruimd sprong ik wat op en neer om wat leven in mijn ledematen te brengen. Daarna at ik een klein ontbijt en dronk koffie uit een thermos, ik ging brandstof nodig hebben voor wat ik van plan was. Het duister van het bos staarde mij aan en ik voelde hen, ze waren aangekomen. Nu kon ik ze trots maken.

Mijn ommegang volgde de richting van de zon, zoals het hoorde en bracht me nu over de heuvelrug in de richting van het dorp. Het was de bedoeling een cirkel omheen de offerplek te maken alvorens mijn offer te brengen. De ommegang is een traditie die werd overgenomen in Christelijke gebruiken. Vanuit de oudheid hebben ons indicaties bereikt dat heidenen dit al deden om een plaats te eren of te reinigen, vaak met vuur. Maar ook om een heilig woud te betreden werden rituelen gevolgd. De ommegang toont ons dat de mens zich fysiek inzet om zijn betrokkenheid en motivatie te tonen aan de goden. Het is ook een vorm van respect, van eerbied, aan de geesten wiens huis we betreden. Daarom breng je ook een geschenk mee, een goede gast komt niet met lege handen. En dat het best moeilijk mag zijn, maakt de hele inzet nog mooier en oprechter. Als je ten val komt, dan kruip je. 

De weg ging de helling af, langsheen meer megalieten die schijnbaar achteloos in het landschap waren gedropt. Bij de oude steengroeve hield ik even halt. Pakweg 5000 jaar geleden werden grote blokken puddingsteen hier uit de heuvel ontgonnen. Door de wol geverfde overlevers hadden hun oogst vervoerd naar de vallei, waarschijnlijk langs hetzelfde uitgesleten pad dat ik nu gebruikte. Ik staarde naar het gezicht in de wand van de uitgehakte stenen. Was het een gril van de natuur of had ooit iemand hier een eenogige gebaard hoofd uitgebouwd? Misschien had de godheid zelf wel besloten de locatie te eren door zich te tonen? Ik voelde mij nietig maar sterk in diens aanzicht. De sites in de vallei werden uitgelijnd naar het noorden. De hele omgeving leek bezaaid met verdwaalde megalieten. Ofwel daar achtergelaten door de bouwers, ofwel later verplaatst door andere bewoners van de vallei. Ofwel om praktische redenen ofwel om religieuze redenen, van Belgiekse stammen tot Franken of dienaren van de kerk, van boeren tot gemeentearbeiders, allemaal zullen ze ooit een rol gespeeld hebben in de verstoring van het oorspronkelijke plan. Er zijn mensen die zich hieraan storen. Nu zou ik hen geen ongelijk geven als het gaat om kwaadaardige intenties, bijvoorbeeld om de sacrale aard te verdonkeremanen. Maar wat mij wel belangrijk lijkt, is de continuïteit en evolutie van een heiligdom gelijk in welke vorm. Alles wat deze vallei doorstond heeft ze gemaakt tot wat ze is, haar lot voltrekt zich elke dag. Op dezelfde wijze dat een katholieke ommegang mogelijk zijn oorsprong vind in een heidens ritueel, op dezelfde wijze als een kerk een grafheuvel bekroond en zo ook het sacraal karakter van de heuvel kan bewaren. Zo geloof ik dat wij in onze eigen tijd verder kunnen bouwen op dergelijke plekken. Of, waarom niet, onze eigen nieuwe plekken wijden aan de alven en Asen zoals de stenen kring in Beselare of de godenpaal in Wijnendale of de plaatsen waar jaarlijks Joel en midzomervuren worden aangestoken… 

Er valt wel iets te zeggen over het opeisen van onze oude heiligdommen. Ons lokaal heidens geloof is niet erkend in ons eigen land. Bijgevolg hebben wij als heidenen ook niet echt een stem of een platform dat ons verenigd. Ook erg moeilijk omdat iedereen zijn eigen invulling en label geeft aan zijn spiritualiteit en velen zich niet onder dezelfde noemer willen identificeren. Zo denken we maar aan Keltisch versus Germaans, Asatru versus Saksisch, Noordzee Germanen en Belgae, Druïden en heksen en wat je nog allemaal kan bedenken. De ene is reconstructionist, de andere is traditionalist, er zijn animisten die hun eigen idee hebben omtrent godheden enzovoorts. 

Er zijn te veel verschillende concepten en te veel mensen die liever niet met andere concepten geassocieerd worden, er zal dus waarschijnlijk nooit een overtuigende meerderheid bestaan die groot genoeg is om door de overheid gehoord te worden. Is dit nodig kan men zich afvragen? Misschien niet. Mijn sibbe, mijn grond en de wereld kan me gestolen worden zullen veel mensen denken. Maar hoe kunnen onze tradities en onze heiligdommen die nu al vaak op de helling staan, overleven als ons bestaan onder de radar blijft? Heel wat mensen werken heden actief aan de bewaring van dit erfgoed en ook aan de ontwikkeling van nieuwe tradities. Gezien de beperkingen die we hebben over historische praktijken, zijn we genoodzaakt om wat poëtische vrijheden toe te laten. En ik kan mij perfect inbeelden dat ook in de voor Christelijke tijd, elke stam, elke sibbe, hun eigen tradities en gewoonten hadden ontwikkeld wanneer het op hun spirituele beleving aankwam.  Concepten die niet alleen van streek tot streek kon verschillen maar ook van de ene tijd tot de andere. Er is niets mis mee om de oude gekende concepten bij te sturen zodat ze zijn uitgelijnd met onze hedendaagse leefwereld. Maar het zou toch wel geweldig zijn, als onze huidige uitgebouwde praktijken ook in een verre toekomst nog kunnen getraceerd worden en hun sporen achterlaten in het landschap, net zo goed als 2000 jaar geleden. Ik droom van een erkend inheems heidendom in onze contreien, dat naadloos aansluit bij onze Keltische-Germaanse grondlaag. Twee termen die we misschien wel kunnen vervangen. Want beiden worden eigenlijk erg losjes gebruikt nietwaar? 

Over wat Keltisch is of Germaans kan men uren debatteren. Menig geschiedkundigen zijn het oneens. Wie waren de Kelten? Bestaan er nog Kelten vandaag? En de Germanen? Het concept om beide labels te gebruiken is ons eigenlijk opgedrongen door de Romeinse bronnen en die waren op hun beurt mogelijk ingezet als een politiek wapen dat veroveringen, tegenslagen en territorium moesten verantwoorden aan de senaat. Zo heeft Julius Ceasar de naam Gallica in gebruik genomen om een gebied te benoemen dat in zijn visie een geheel vormde. Een visie die niet noodzakelijk gevormd werd door de lokale stammen en hun relaties of taal, maar misschien wel door de ambities en noden die de Romeinen voorzagen. Desondanks werd de term sinds dan gebruikt, ook nog door moderne wetenschappers, om de bewoners in Gallica als één volk te benoemen met de moderne term Galliërs. De stammen van destijds, net als de Germanen of Kelten, hadden waarschijnlijk nooit hun verschillende federaties als één volk aanschouwd. In tegendeel, we weten dat ze bijna permanent in oorlog waren met andere stammen ondanks gedeelde cultuur. In onze typische Belgische stijl, waren ook de Belgae al niet echt een eenheid. Sommige stammen waren overwegend Germaans in cultuur en andere overwegend Keltisch. Invloeden uit de grensgebieden speelden een grote rol op taal en kunst en traditie. Identitair gingen echter geen van hen zich ooit voorstellen als zijnde een “Kelt” of een “Germaan” maar wel als zijnde lid van een stam. De Bolg, de Belgae, de Oude Belgen, hadden hun eigen inheemse manieren, geloofssysteem en traditie. En ook vandaag hoeven wij niet te parreren met Germaanse of Keltische culturen. Er is niets mis mee om onze bestaande cultuur verder te zetten met de elementen die het overleefd hebben tot op heden. 

Langsheen de Sint-Niklaassteen, een grote rots kwam ik bij het einde van het bos. Ook deze steen was gehuld in mysterie. Genaamd naar een heilige die gebonden is aan de midwintertradities en ons herkenbaar als een spiegelbeeld van Wodan. 

De bomen werden schaarser en het pad bracht mij tussen weilanden. Voor mij uit lag Oppagne. Het pad leidde langs de Kapel van Pas Bayard. Hoewel niet ouder dan 200 jaar, zou de kapel wel op een site van megalieten zijn gebouwd. Een late kerstening van een heidense sacrale plaats? Was er voorheen misschien al een andere kapel of houten kruis om het heidens karakter te bedwingen? Het hoeft niet te verbazen dat de kapel tevens aan de rand van de bewoning werd gebouwd. Alsof ze de mensen aan de rand van het bos moest geruststellen en de kwade geesten uit de oude stenen weghouden. 

In de straat verderop kwam ik langs de Pas Bayard, een megaliet met een opvallend kunstmatig letsel: een lange rechte groef. Volgens de legende heeft het Ros Beijaard met de heemskinderen op de rug, zich hier afgezet om een sprong van 10 kilometer te maken richting Durbuy. Een paard met dergelijke magische kwaliteiten, we denken aan Sleipnir, we denken ook weer aan Sinterklaas, dat kan wel eens een afdruk laten in een rots nietwaar? 

Regen en wind teisterden vooral mijn gezicht nu ik minder beschut werd door hoge bomen. Maar ik verwelkomde elke druppel. 

De menhirs van Oppagne zijn drie rechtopstaande megalieten in een veld. De boom wiens wortels rond de steen zijn verweven hangt her en der getooid met stukjes stof. Om mijn pols zat een bandje met kralen uit een zuiders land die ik lang meedroeg. Het was tijd dat het mijn essentie die het al die tijd had geabsorbeerd, overleverde aan de Ondergaard. Ik vroeg de boom mijn offer over te brengen en vervolgde mijn pad met snelle tred. De ommegang was niet enkel een spirituele kracht, maar ook een fysieke. Gezond voor de geest, gezond voor het lichaam. 

De dolmen van Oppagne begroette mij, gelegen tussen vier bewakers, enorme bomen, lag hij zelfvoldaan en trots, halfverzonken. De achter hoede bewaakt door vier staande menhirs. Een liggende megaliet had een opvallende uitsparing, als een mooi passend stoeltje, al even glad gesleten als het Duivelsbed. 

Bij opgravingen heeft men in de twee dolmens van de vallei allerlei spullen gevonden: een stenen bijl, een ossetand, Romeinse munten, aardewerk, resten van wilde zwijnen, pijlpunten, vuurstenen, menselijke botten van wel meer dan 10 personen en meer. Verschillende culturen zoals de Trechterbekercultuur en Klokbekercultuur hebben hier hun sporen nagelaten maar ook hun latere nakomers waren hier duidelijk actief. Begraafplaats, offerplaats, feestplaats, verzamelplaats, en waarschijnlijk werd hier ook veelvuldig de nacht uitgezeten om raad van de voorouders te ontvangen. 5000 jaar van regelmatig sacrale handelingen, en ik zweer het als je de hand op deze stenen legt, bij het Seelenloch van de dolmen, dan trilt als het ware je bloed met de macht van de geest die hier huist. Ik vulde mijn kroes en goot deze uit over de stenen van de dolmen en nam zelf ook een slok met een gedachte voor al wie mij hier voorging.

De Schaar van Wodan raasde onvermoeid over mij heen, ik groette de stenen en trok verder diep gehuld onder mijn kap, naar de Menhir Denthine en de verderop recent opgegraven megalieten die ook weer in in hun staande positie zijn opgezet.

Het moet een bijzonder soort mens geweest zijn, die voor de tijden van ons gekende comfort en technologie, het land bewoonde. Gehard door ontberingen en strijd, gedreven door gebondenheid en geloof in principes die wij tegenwoordig niet zo vanzelfsprekend vinden. Het sluiten van een verbond, het bieden van loyaliteit, het erkennen van de magie in de dagdagelijkse dingen. En het verwezenlijken van projecten die op het eerste zicht een onmogelijke opdracht lijken zoals het uithouwen, transporteren en plaatsen van gigantische stenen die ook nog eens duizenden jaren stand kunnen houden. Deze mensen leefden met ontzag voor de wereld om hen heen. Kennen wij dit ontzag nog wel? In het bijzonder mensen die gewoon zijn aan stedelijke omgeving, verharde wegen, gegarandeerde dienstverlening van energie, voedsel en communicatie. Daar waar de natuur nog zeggenschap heeft en de mens zich plooit naar diens grillen, daar is de mens nog ondergeschikt. Hoewel wij hier ook nog tegenwoordig worden herinnerd aan wie echt baas is. Overstromingen, windhozen, zelfs klimaatverandering. Is het daarom dat we tegenwoordig uit de wereld van het comfort heidenen treffen die de goden gelijkstellen met zichzelf? Die geen ontzag meer hebben voor natuur of alven? Monster-aanbidders, geweld-verheerlijkers en zelfverklaarde spirituele guru’s … Wat mag van ons worden wanneer wij niet langer ontzag hebben voor natuur, voor alven, voor Asen?

De Dolmen van Wéris is omringd door verschillende megalieten waarvan een aantal een mooie rij vormen ruwweg wijzend naar het noorden. Heel wat geschiedkundigen denken nu dat rijen van megalieten niet persé gelinkt waren aan sterrenbeelden, maar wel met richtingen, of zelfs paden, die mensen dienden te bewandelen om zich in de juiste richting naar de heilige plaats te begeven. Hierbij zou een sterrenbeeld wel kunnen gebruikt worden als referentiepunt maar zou verder geen betekenis hebben. Net als we ook zien in de ommegang, zou het best kunnen dat ook ten tijde van Carnac en Stonehenge, mensen een processie vormden, misschien wel zoals beschreven in Tacitus, met een wagen met daarop een godheid?

Eén opmerkelijke staande steen had op zithoogte een tweede lagere steen ernaast en vormde als het ware een troon. Toeval? In recenter geschiedenis aangepast? Ik mag graag geloven dat deze troon werd gebruikt om te komen “uitzitten”. Net als ik eerder deed op het Duivelsbed. Ik groette het graf en trok verder naar het noorden. De Menhir de Morville en Menhir de Heydt waren mijn twee bakens voor ik aan de laatste etappe begon om de ommegang tot een cirkel te brengen.

De laatste kilometers wogen door, het was niet zozeer de afstand, maar de niet afhoudende wind en regen die mij begon parten te spelen. Mijn gedachten gingen naar het nut van een offer. En niet-gelovigen zullen zich over dit aspect ook grote vragen stellen. Hoe consumeren de goden je offer? Waarom maakt een offer enig verschil? Is het niet achterhaald en dwaas om een offerschaal  ’s avonds te vullen en vervolgens de dag erna te legen of de inhoud te verbranden? Of te begraven? 

Eerst en vooral moeten we aanvaarden dat bepaalde handelingen, bewegingen, rituelen, een verbinding maken met de cosmos om ons heen. En met cosmos bedoel ik niet de planeten, maar het geheel wat ons leven uitmaakt en meer, de niet zichtbare dimensies en krachten die ons leven en wereld doorweven. Als we van het concept van de levensboom uitgaan, de Ermenzuil of Yggdrassil, noem het wat je wil. Dan zien we gewoonlijk dat de spinners van het lot, de schikgodinnen zich bij de wortels bevinden, bij een bron. Zij voeden als het ware de Ermenzuil met wat moet komen. De pilaar van het leven. Het is niet een fysieke zuil op een bereikbare plaats, neen het is hier en nu aanwezig in ons allen om ons heen als het web van wyrd, het stroomt door ons heen alles wat ook wij doen bouwt nieuwe vezels die verder groeien. Wij allen samen zijn de zuil. Wanneer je hout splijt zal je merken dat het uit vezels bestaat, een kluwen van draadjes, als spieren en aders, net als in de kleinste en zachtste planten, is elke vezel een onderdeel dat een weg heeft afgelegd om het groter geheel te vormen. En sommigen vormden takken, andere vruchten, of een stam. En in dit gesplitte stuk hout kan je ook een geschiedenis lezen, tijdringen, ziekten, beschadigingen, als littekens zitten ze overal. Zelfs wormen en ander ongedierte dat zich een weg erdoorheen knaagt. Als dit het leven voorstelt dan herkennen we het concept van Wyrd. Het krachtige energieveld van de cosmos, dat alles verbind. Elke daad heeft een gevolg, elke stap een voetafdruk, zo ook elk woord een impact. Een vloek, een gelukswens, een lief woord, een ontmoeting, een naamgeving, het zijn maar woorden maar toch kunnen ze een diepe indruk nalaten in het leven. We dragen in woorden energie mee die verbonden is met Wyrd. Dus waarom ook niet in onze woorden en handelingen die we stellen voor de goden? Een belofte of een eed werd niet licht opgenomen. Ook vandaag nog maakt een eedaflegging een belangrijk deel uit in onze maatschappij. Een militair, een inspecteur van politie, een bekleder van een officieel ambt, beëdigde ambtenaars, allen leggen zij een eed af waarbij zij hun eer in de schaal leggen. Net als in een huwelijk.  Dit eeuwenoud concept grijp terug naar het belang van de eer. Want zelfs als je niets hebt, kan je nog een groot mens zijn wanneer je eervol bent. En je gedachtengoed kan herinnerd worden, je naam kan voortleven als je een eervol leven leidde. Volgens mij is het stellen van eervolle daden in het leven, een manier om geluk te verzamelen. Het sibbe geluk is essentieel, als een geest die heil of onheil brengt. Voedt de geest met eer en hij zal gedijen.

De ordening der dingen, het lot, de cyclus van de natuur, het wiel van de tijd, ze vormen allen een beweging in de zuil. In de Joeltijd valt alles stil en draaien wij aan het rad om de cyclus weer op gang te brengen. Een magische handeling die zijn effect teweegbrengt in wyrd. Je zou kunnen stellen dat ongeacht ons draaien van het rad of offeren, de ordening nog steeds zijn gang gaat. Maar misschien is dat niet het punt van de handeling, als wel het creëren van een band, een betrokkenheid. Het creëren van eer voor de sibbe, voor de naam, want door de heidense handelingen ben je verbonden met de heidense ordening, erkend als heiden. Ik las eens ergens, ik geloof dat het in een boek van Aat van Gilst was, de term “Germanenkunde”. Het is niet voldoende om te geloven, om heiden te zijn moet je ook handelen en praten. Je moet een wereldaanschouwing bezitten die overeenkomt met de heidense concepten van eer, wyrd, geluk, de aanwezigheid van krachten en eigenheid in alles om je heen en vrede of frithu. Vrede heeft in de heidense aanschouwing een net iets andere invulling. Vrede is de orde die heerst binnen een kring van mensen en in stand wordt gehouden door bepaalde relaties. Zoals het uitwisselen van geschenken of diensten. Uitlenen van een kruiwagen aan je buur, uitwisselen van geschenken met Joel, en ja zelfs nieuwjaarsbrieven en goede voornemens, passen in het afleggen van eed of gelofte die word gehouden om zo vrede te bewaren, orde te bewaren. Zoals wij onze relaties onderhouden met geloftes, geschenken en diensten aan elkaar, zo onderhouden wij ook onze vrede met de alven en Asen. 

De weg begon te klimmen en al gauw bevond ik mij terug tussen de bomen. Vlakbij het Duivelsbed vond ik het pad dat recht omhoog liep tussen rotsen heen. Een groep vrouwen stond om het Duivelsbed in een cirkel, erop lag een dame met de ogen gesloten. Net als ik eerder deze dag. Een dame prevelde woorden, het leek of ze instructies gaf. Het was heerlijk om vast te stellen dat ondanks het slechte weer, verschillende heidenen hier toch actief waren.  

Het pad was steil en ingesleten in de rotsen. Ik beeldde me graag in hoe 1500 jaar geleden, mensen over deze zelfde stenen liepen om de piek van Haina te bereiken. 

De steen lijkt wel op een Thurisaz rune. Volgens sommige onderzoekers was het zelfs de bedoeling hem als dusdanig te vormen. Archeologen zijn het er in elk geval over eens dat de steen bewerkt geweest is, maar hier niet werd neergezet. Hij maakt dus deel uit van de natuurlijke omgeving. 

De steen is uitgelijnd met de andere megalieten en zou mogelijk een referentiepunt geweest zijn bij de bouw van de site zo’n 5000 jaar geleden. Op midzomernacht wordt hij wit gekalkt door de bewoners in een oude traditie. Tot 1900 werd die jaarlijks uitgevoerd, gepaard met een groot feest. Rond de eerste wereldoorlog werd deze stop gezet zoals vele andere gebruiken, maar in 1975 terug ingevoerd. Volgens de legende zou de traditie zijn ontstaan omdat de rots de toegang naar de onderwereld zou afdekken. De duivel zou langs deze weg kunnen worden geroepen en dan de rots omduwen om het land te betreden. Door hem wit te kalken zou deze kleur de duivel afschrikken. 

Uiteraard werden oude heidense cult plekken steeds gedemoniseerd. En vertoeven onze voorouders en alven niet steeds in heuvels? Is wit niet de kleur van de alven? Opmerkelijk ook, dat de zomerzonnewende het moment is dat men kiest om de steen te kalken. Het einde van de winter wordt trouwens ook ingeluid met grote vuren die de kwade geesten terug naar de onderwereld sturen. Het wit kalken lijkt wel zo iets als het sluiten van de deur. En was wit niet ook een belangrijke kleur in de Germaanse spiritualiteit naast rood en zwart? Opmerkelijk ook, is dat door de witte kalk, de steen zeer zichtbaar is vanaf de menhirs in de valei. 

De naam zou mogelijk uit het Keltisch komen en verwijzen naar de ‘voorouder steen’. Nu werd in onze schoolboeken, onder invloed van de kerk en na oorlogse politiek, heel wat Germaanse concepten diplomatisch omgedoopt naar ‘Keltisch’. Echter is er ook een Germaanse godin genaamd Haina en aangezien Wéris oorspronkelijk genoemd is naar Wederik, een Germaanse naam, zou het wel is kunnen dat de naam hier zijn intrede deed. Verschillende Duitse plaatsnamen herinneren ons aan de cultus rond Haina en ook is er een mythologie overgeleverd. In het bijzonder die van het dorpje Hain, waar de bewoners een beeld van de godin aanbaden nabij een grote eik in een heilig bos. De offers die gebracht werden stonden voornamelijk in het teken van agricultuur. (Toevallig was ook agricultuur prominent op de vlakte van Wéris) De kerk was radeloos toen na vele pogingen de heidenen hun godin nog steeds vereerden. Ze veldden de eik en lieten het beeld zinken in een moeras en bouwden een kapel om de heidense plaats te kerstenen. Maar desondanks bleven de heidenen het heilige bos intrekken om daar te offeren. De kerk ging een stapje verder en begroef dode dieren op allerlei plaatsen in het bos op geringe diepte. De ondiepe grave werden al gauw weer opengehaald door wilde dieren waardoor de rottende kadavers een vreselijk geur verspreidden. Dit weerde wel veel heidenen waardoor de cultplaats uitdoofde.

Of men in Wéris ooit zo ver is moeten gaan om de heidenen te weren van de Haina steen, weten we niet. Maar in elk geval zijn de heidenen nu terug. 

Het plateau achter de Haina steen is geschikt om te kamperen, je kan er sporen vinden van herhaaldelijk gebruik van een vuurput en slijtage op heel wat rotsen toont dat ze vaak gebruikt werden om op te zitten. Wat hogerop een ander plateau met meer rotsen en een mooi zicht op de Haina steen. Ik bleef even staan om alles in mij op te nemen. Als het weer beter was, dan had een kampvuur een mooie afsluiter geweest. Ik plaatste de rugzak bij een rots en begon de rode winterharde vruchten te verzamelen die in de omgeving groeide. Ik bracht ze naar de uitgeholde ruimte in de rots aan de voet van de steen, zonder twijfel de plek waar traditioneel offers gebracht worden. Ik vulde mijn schaal met het laatste van de wijn en plaatste deze naast de offerput in de rots. Een vuur maken zou nu niet lukken in dit weer, dan had ik op zijn minst droog hout moeten voorzien. Maar een kaars in een glas was geen probleem. Ik draaide de vlam drie maal over mijn offers in de richting dat de zon over de hemel gaat en vroeg Arduinna om mijn offer te wijden. Ik aanriep Haina en nodigde haar uit mijn offer te ontvangen. Ik nam even de tijd om mijn hoofd leeg te maken. De wind blies mij recht in het gezicht. Ik raakte de steen aan en voelde de kracht die daar al eeuwenlang huisde. De bomen prevelden in hun taal. 

“Haina, hier sta ik ter uwer ere, een offer voor uw nalatenschap en wijsheid, een offer voor uw daden en bijstand.”

Ik nam de schaal en goot deze uit over de offerholte met de vruchten. Ik sprenkelde wat van het vocht op de steen. 

Voldaan ging ik zitten op een rots. Mijn lichaam vermoeid van de korte nacht en woelige tocht. Maar mijn geest opgeladen, bijna extatisch. Mijn oog viel op een wegwijzer, een houten paalt met bordje die het pad aanwijst. Met mijn zakmes markeerde ik de paal met een teken dat elk ander heiden zou begrijpen. Een rune die het sacraal karakter van de plek benadrukt.

Het bewaren van onze sacrale plekken zou een missie moeten zijn voor elk heiden. Niet enkel uit het standpunt van erfgoed, maar uit het standpunt van praktiseren, van spirituele traditie. De goden waren niet enkel belichaamde wezens uit de hemel zoals velen ze nog steeds zien maar nog veel meer. 

Rivieren, bergen, wouden, waren naar hen genoemd niet omdat ze daar vereerd werden, maar omdat ze dit hun eigenheid was als het ware. Arduinna is niet enkel de godin van het woud, ze is het woud. 

Mijmeringen in het Woud Zonder Genade. 

Op zoek naar de Mysteriën van Torhout en Wijnendale

De tijd van licht en warmte was geweken, vanuit het noorden stak een kille wind op. Het blad werd dor en viel, het duister nam over. Zo kwam alweer een nieuwe winter aan, Joel lag in het verschiet. 

Ik spande de veters van mijn vertrouwde laarzen. Komt Joel, moeten wij weer aan het rad draaien. Zo vaak als ik kan trek ik erop uit en maak een Ommegang, volgend in het pad van de zon, omheen een heilige plaats of een plaats met een zwaar historisch verleden. 

Eén plaats kan ik nooit overslaan en doe ik aan in alle seizoenen: Wijnendale bos. 

Letterlijk bijna in mijn achtertuin en doordrongen van historisch belang en heidense geschiedenis. Het bos maakte ooit deel uit van wat gekend stond als het “Menapische Woud”, zo genoemd in elk geval door de Romeinen en later opgetekend als het “Woud Zonder Genade”. 

De kapel staat tussen de parking en het kasteel langs de verharde weg. Gewijd aan de Maagd Maria. Er zijn verschillende legenden omtrent het ontstaan, en daar springt er één uit: namelijk die van de oude eik. Op de plaats van de kapel zou ooit een enorme eik hebben gestaan die werd vereerd door de heidenen.  Een houten Mariabeeldje zou hierin zijn opgehangen en vele mensen kwamen er heen om te bidden. Maar op een dag zou de boom door onheil zijn getroffen. Er zijn heel wat versies: een blikseminslag, omgehakt door mensen, omgewaaid door een storm… In elk geval beslisten de mensen aldaar om het heilig beeldje dan maar naar het klooster in Torhout te brengen. De monniken borgen het veilig op in de kerk. Echter tot 3 maal op rij, drie dagen opeenvolgend, zou het beeldje onverklaarbaar terug opduiken op de plaats van de gevelde eik, alsof de Maagd Maria zelf hier wou blijven. Hierop bouwde men dan een kapel en plaatse men het beeldje erin. Deze legende lijkt sterk op andere verhalen uit Germaans Europa, en heeft alle blijk van het wijden van een heidense cultplaalts. De eik is gekend als een heilige boom, we denken aan de Donar eik. Het zou zeker passen in de tactiek van de kerk, om een Maria beeld te laten opduiken op een heidense cultplaalts en dit als reden aan te halen om de plaats op te eisen onder het kruis. Ook de vernieling van de boom voorafgaand aan de bouw van de kapel is kenmerkend. Menig cultplaats werd opzettelijk vernietigd en gekerstend door de bouw van een kerk of een kapel. 

De kapel is ook de achtergrond van een andere opmerkelijke opgetekende traditie: Mensen kwamen er bij de overgang van oud naar nieuw hun wensen overmaken aan de Heilige Maagd, wat misschien wel een overblijfsel is van een midwintertraditie. 

We merken ook op dat het klooster in Torhout een belangrijke link had met Donatius. In 835 werden de relieken van de H. Donatius door bisschop Ebbo van Reims aan Anscharius geschonken en naar Torhout over gebracht. Donatius behoedde de mensen van donder en bliksem. Er is een onderbouwde theorie die in Donatius een poging ziet om een cult rond Thor / Donar / Thunar te kerstenen. Misschien geen toeval dat de resten van Donatius naar Torhout werden gebracht? In 834 werd melding gemaakt van Torhout als opleidingscentrum voor monniken die werden uitgezonden naar Scandinavië. We lezen ook dat Graaf Baldwin problemen had met de lokale heidense bevolking. Toen de omgeving in de 9e eeuw bezocht werd door Noormannen bracht men de relikwieën over naar Brugge. Noormannen hadden hun bijlen gericht op het klooster en volgens sommigen historici werd het vernield. Er zijn wel meer geschiedkundigen die de invallen van Noormannen zien als een vergelding en tegenaanval na de onderdrukking van de Saksen door de Franken en het vernietigen van heidense sacrale plaatsen of misschien net omdat het klooster monniken naar Scandinavië zond? In de beginjaren van 840, komt het klooster van Torhout en diens gronden (en dus opbrengsten) in handen van een zekere “Reghinarius Lodebrok”, niemand minder dan de beroemde viking  Ragnar Loðbrók dankzij het verdrag van Verdun. Sterker nog, het klooster werd geseculariseerd! We kunnen alleen maar speculeren waarom de kerk het klooster niet langer als kerkelijk wou aanzien: had het te maken met de lokale bevolking? Was het daarom dat ook Ragnar precies hier een autoriteit werd bedeeld? Zou het kunnen dat Ragnar en zijn gevolg zich thuis voelden in een streek naast een woud gewijd aan de oude goden en bewoond door mensen die zich niet zomaar lieten kerstenen? Enkele jaren later Zou Ragnar met zijn troepen Parijs belegeren, nadat hij in Vlaanderen in ongenade viel.

Een kleine tas over de schouder, met een buff om de hals,  muts en regenwerende parka aan, trok ik onder donkere jagende wolken het pad op naast de parking, het kasteel achter mij latend. Smartphone op vliegtuigmodus. Voor mij het bos, een paar kraaien landen in het veld. Ik ademde een teug koude lucht in, heel bewust, met gesloten ogen en  zadelde mijn ziel voor een rit over sacrale grond. Langzaam ademde ik uit en ik liet alles los waar ik eerder aan dacht. 

In mijn hoofd starte ik mijn mantra, “… Ansuz Ansuz Ansuz …“ 

Spoedig zou het woud mij opslokken en de bosgeesten mij leiden. 

Ga met mij mee en herhaal de mantra, duik in de tunnel omgeven door de kolkende massa van grijze wolken en stormwinden, van gewijde aarde en oude bomen. We maken een reis langs de mark van Middengaard. 

Het bos van Wijnendale ligt op een hoogte, gekend als de Rumberg. Nu is er in deze streek maar weinig sprake van enige berg. Meer dan wat licht glooiende verhoging zal je hier niet waarnemen. Berg is echter een heel oud woord, en is ook te verbinden met het oud Engelse “Beorg”, wat grafheuvel betekend. Heel wat plaatsnamen met -berg blijken zelfs gebouwde verhogingen uit de oudheid en dienden als cultplaats, dingplaats of begraafplaats of alle drie doorheen hun voor-christelijk bestaan en vaak werd er later een kerk op gebouwd. De oorsprong van het woord Rum is wat onduidelijk, maar mogelijk is deze te vinden in het oude Engelse “rumbullion”, wat zoveel betekend als “kabaal” of “luid geraas”. Oud Engels en onze West Germaanse taal lagen dicht bij elkaar in die tijd. Heel wat Germaanse legendes spreken van bergen waaruit muziek en kabaal weerklinkt, vaak gaat het om grafheuvels en soms om een “godenberg” en is er ook een link met de Wilde Jacht legende; menig bronnen verhalen dat het dodenheir huist in een berg. Zo hoorde men op een aantal plaatsen in België ook oorlogskabaal uit een berg luidden als aankondiging van een komende strijd. Men heeft hier ook effectief grafheuvels aangetroffen uit de bronstijd.

De andere zijde is gekend als “Ruidenberg”. Dit zou kunnen duiden op het zuiveren van bron of rivierwater. Dat kan best wel, aangezien er ook een bron op de verhoging te vinden is, een kilometer ten noordwesten van het kasteel. Zuiver bronwater was natuurlijk ook vaak een heilige plaats.

Het nabije Torhout lijkt ook te verwijzen naar het bos: 

Oudste vermelding in de 7e eeuw als Thurholt. Maar het duikt ook op als Turholt, Thurhold, Thourout. In 819 als Turholtensis, in 743 als Thorwaldi Lucus ofwel het “bos van Thorwald. Thorwald is te vertalen naar “machtige Thor” of “Heersende Thor”.

Al onder Romeinse heerschappij was Torhout en omgeving bewoond en waarschijnlijk een belangrijke nederzetting. Zo heeft men de theorie, gebaseerd op bodemvondsten, dat de streek een belangrijke agrarische rol had en gelegen was langs een Romeinse verbindingsweg. In Torhout zijn in elk geval heel wat resten gevonden van bewoning, zelfs van prominente gebouwen in het centrum waarbij men steen gebruikte. In oude teksten is ook spake van een toren te Torhout, mogelijk een donjon type, ook dit kan de naam verklaren maar er is geen bevredigend argument om iets met zekerheid vast te leggen. 

De Vita Bavonis uit 830 spreekt ook van het “Bos Zonder Genade” en uit een 12e of 13e eeuwse tekst komt “Dit hetet ‘tFelle Woud Sonder Genade”.  Een naam niet zonder mysterie: waarom was er geen genade in dit woud? Misschien omdat niemand zich kan verbergen voor de toorn van een godheid? Tacitus maakte al duidelijk dat men een heilig woud met eerbied en respect in ging en dat fouten genadeloos werden afgestraft. En misschien zegt het ook wel wat over de offers die er plaatsvonden, of de rechtspraak op het Ding?

Maar onze interesse ligt niet op de stad, wel op het bos. Hoe komt het dan dat er toch ook een plaatsnaam gegeven is, zijnde Wijnendale en dat men daar een erg historisch significant kasteel op gebouwd heeft als er geen nederzetting op deze plek was?

De etymologie van Wijnendale is in elk geval erg interessant. In de vroege jaren van de 12e eeuw duikt het op als “Winendala”. Herleiden naar “Het Dal van Win(en)” zou weinig zin hebben, aangezien hier helemaal geen sprake is van een dal, maar wel van een plateau, omringd door lager terrein in alle richtingen. Er is geen vallei, laat staan een dal.

Maar een andere theorie haalt aan dat we dal kunnen linken aan het Duitse tal, waar het op dezelfde manier in plaatsnamen verschijnt zonder echter ook te kunnen spreken van een dal of vallei. Zo is er zelfs een Winnenthal bij Xanten in Duitsland, dat etymologisch gelinkt kan worden en ook zelfs een fysieke historische link heeft met Wijnendale:  Men haalt hier aan dat tal, net als ons Nederlands woord taal oud Nederlands “tāle”, gelinkt wordt aan het verhalen van iets. Ook woorden als “getal” hangen hier mee samen, dat is het “verhalen van een nummer”. Volgens Jan de Vries is “taal” te linken aan rechtspraak op een Ding. 

Volgens de lokale lore trokken de krijgsheren op de vooravond van een belangrijke beslissing of veldslag het bos in, om hun voorvaderen te consulteren op een heilige plaats. We denken aan de praktijk gekend als “utesita” ofwel uitzitten. Waar men op een grafheuvel of andere liminale plaats gaat zitten om de goden of geesten om raad te vragen bij nacht. 

“Win” komt ook wel van “Wihan”, wat heilig betekent. Maar als we naar “Wini” gaan kijken dan ligt dit aardig in de buurt van “Winj” wat opduikt als naam voor Wodan. 

We kunnen ook nog een andere kant op met “Win”. De etymologie van “winnen” gaat terug op “winnan” en betekent “verkrijgen”, al dat niet met geweld. Dit zou een logische verklaring kunnen zijn: “het verkrijgen van rechtspraak”.

Met het bos rechts van mij, zette ik door over de Planterijdreef, een onverharde weg afgelijnd met oude hoge bomen. Al doende volgde ik de richting die de zon neemt over de hemel. Ik keek naar het bos, en het voelde alsof het bos naar mij keek. In de schaduwen zaten de woudgeesten mij op te wachten. De mantra bleef als een rode draad door mijn hoofd herhalen  “Ansuz, Ansuz…”, terwijl ik mijzelf verder afsloot van de buitenwereld, “Ansuz, Ansuz, …” Maar terloops werd ik gewaar van de aanwezigheid van de Alfen. Het weefsel van het leven, het weefgetouw van wyrd, bracht mij hier keer op keer. Het hoeft niet te verbazen dat de woudbewoners mijn draad in het wyrd herkennen. 

Al heel lang geleden moeten mensen eenzelfde gevoel gehad hebben toen ze het bos betraden. Lokale legenden verwijzen nog naar mysteries waar het bos om gekend was. 

Een eenogige man met grijze baard en mantel zou hier graag ronddwalen en gesprekken aanknopen met eenzame reizigers. Maar altijd als de man opduikt lijkt hij geen dag ouder hoewel hij al vele jaren rondwaart. Niemand die ooit echt wist wie hij was maar hij bleek wel altijd wijs en te beschikken over goede raad. 

Ook de verhalen van Wodan’s dodenheir overleven hier, vooral in de versie van de Vervloekte Jager. 

De weg bracht mij nu op een voetpad naast een boerderij en ik trok het bos in en sloeg linksaf. Ik bleef op een pad aan de bosrand waardoor mijn route mij nu meer en meer in een cirkel bracht om het bos.  

Runen gekerfd in de bomen, flankeren het pad. 

Ik bleef staan en ademde diep in en trachtte de geluiden van het bos te doorgronden. Met de handpalm op een boom vroeg ik de woudgeest mij toe te laten. Uit mijn tas haalde ik een appel en plaatste deze demonstratief aan de voet van de met runen gekerfde boom. De wind zong een lied in de boomtoppen en striemde in mijn gezicht. Het pad voor mij was als een tunnel die me dieper in het bos zoog. Hier laat ik alles achter wat aards is, zuiver en met een puur hart, Ansuz… Ritmisch ging ik verder en voelde alsof ik afdaalde. Geluiden werden sterker en kleuren werden feller.

De Sint-Pieters kerk in Torhout ligt lijnrecht op de kapel (of heilige eik) en het kasteel (dingplaats) van Wijnendale. De weg die beiden verbind moet al heel oud zijn. Zou het verbazen, als de vroege bevolking, deze weg gebruikten als een rituele processie? De grafheuvels, de bron, de heilige eik, het plateau met de dinglocatie en het heilige woud dat misschien in eerdere tijden de weg deels opslokte. We denken terug aan Tacitus zijn beschrijving over het betreden van een heilig woud. 

Maar we kunnen nog verder uitweiden… Jan De Cooman trekt enkele opmerkelijk lijnen op de kaart op basis van het astronomisch werk van Kaminski. 

Gaan we naar het westen van de Sint Pieterskerk in Torhout over de kapel van Wijnendale dan ontmoeten we op die lijn de Sint-Michielskerk van Ichtegem, de kapel van de gemeente Sint-Pieterskapelle en de Sint-Laurentiuskerk in Westende.

In onmiddellijke omgeving ligt de kerk van Torhout van noord naar zuid in lijn met de Sint-Michielskerk van Roeselare en de Sint-Michielskerk van Brugge. De parochie van Sint-Michiels in Brugge noemde oorspronkelijk “Weinebrugge”, een naam die kan gelinkt worden aan Wijnendale.

Door Sint-Michiels loopt een heilige lijn richting Stonehenge en eindpunt Lundy op 51°18′. Deze lijn werd ontdekt door de astronoom Kaminski en noemde deze “Sternstrasse 1. Ordnung”. Op deze lijn komen verder Canterbury op 51°28′, Sint-Niklaas op 51°17′, Grobbendonk (menhir van Eisterlee) op 51°11′, Kasterlee op 51°14′, Poederlee op 51°13′, Odilienberg op 51°08′, Roermond op 51°11′, Gudensberg (Odenberg) op 51°18′ en het heiligdom in Wormbach op 51°17′ in aanmerking. We merken ook op dat Sint-Niklaas en Antwerpen, op vrijwel dezelfde lijn liggen.

Sint-Michiel werd in heel wat delen van Germaans Europa herkend als een kerkelijke versie van Wodan, kapellen en kerken gewijd aan Sint-Michiel zijn vaak op oude heilige plaatsen gebouwd. De Sint-Michielskerk van Leuven zou op een altaar aan Wodan zijn gebouwd en die van Antwerpen op een tempel van Mars, de god die de Romeinen herkenden als Wodan. En ook Sint-Nikolaas heeft banden met Wodan die herkenbaar zijn. Het betreft ook bijna altijd locaties die hoger liggen dan het omliggende landschap. 

Ook de Sint Pieters kerken kunnen een link met Wodan hebben, in Friesland is het traditionele Biikkebrennen, een aan Wodan gewijde traditie, geplaatst op 22 februari, feestdag van Petrus. 

Het is het ook waard Winnenthal in Xanten Duitsland te vernoemen. Dat kasteel was eigendom van de familie van Kleef en in 1420 gaat Maria van Bourgondië er wonen. Deze zelfde dame zou volgens de legende ook een dodelijke val maken van haar paard op de plek van de Wijnendale kapel… Ook hier is er geen sprake van een dal maar wel van een verhoging. Het slot staat in de gemeente Winnenden. Hier zou Winni ook in de betekenis van vriend kunnen geïnterpreteerd worden, dan zou het zoveel betekenen als “Spreekplaats van Vrienden”. Ook hier zijn historische elementen die de plaats aanduiden als een potentiële Ding-plaats. Zowel in Wijnendale als Winnenthal werden er door de eeuwen heen belangrijke personen ondergebracht, vergaderingen gehouden en beslissingen genomen, die in lijn zijn met het continuïteitsprincipe: dat waardering voor  belangrijke tradities gelinkt aan een plaats vaak overgedragen worden ongeacht geloof. 

De oude dreven die de kasteelheer liet aanleggen zijn ook nu nog deels in gebruik. Sommigen werden verhard door de Duitse bezetter, die had het bos aangewend om er een munitievoorraad aan te leggen in bunkers. Je kan er nog een paar vinden. Maar het woud verbergt nog andere geheimen. De Wulvedreef, is genoemd naar de Wulvemote. Er is ook nog de Eremijt mote en er zouden er nog op het domein te vinden zijn. Het is wat onduidelijk hoe oud de motes zijn, geschiedkundigen vermoeden dat ze in de 9e eeuw al dienstdeden als versterkingen tegen krijgsgeweld toen het erg onstuimig kon zijn tijdens het Vikingtijdperk. Of waren het heidense toevluchtsoorden? Een mote is herkenbaar door een gracht en vaak is het eiland ook verhoogd. De versterking kon bestaan uit een houten weermuur, een houten donjon of eenvoudige houten gebouwen en stallen. Meestal cirkelvormig met een brug of zoals een hoefijzer met een gewone poort.  Er is een vermoeden dat de Wulvemote ook enige tijd een bewoond erf was. Dergelijke versterkingen zijn vrij voorkomend in de Lage Landen, we denken ook aan terpen die gebruikt werden als versterkte woonst in onze kustgebieden. 

Naast een kruising en vlakbij de Wulvemote staat een godenpaal.

Bij het kruispunt bleef ik staan. Dit is het hart van het bos. Geknield bracht ik mijn respect en zette mijn tas neer. Ik keek op en zag haar statig en trots het kruispunt bewaken. Dezelfde paal heeft ook een gekerfd gezicht van een wildeman en de voet van de paal is versierd met wat lijkt op een reiger. Het perceel dient zich perfect voor het brengen van een ritueel offer. Soms is de godin versierd met een sjaal, ook heb ik er eens lintjes op aangetroffen. Meestal laat ik wat wilde bloemen achter en een gesneden appel. Ik ben in elk geval niet de enige die haar eert. Wie de godin is, staat niet vermeld. Hludana? Vrouwe Vreke? Misschien kom je het wel te weten als je een Ommegang onderneemt…

Kruispunten waren altijd al liminale plekken waar volgens heidens geloof makkelijk contact kan worden gemaakt met de geesten en goden. Volgens Judith Schuyf is het geen toeval dat ernstige zondaars en ongedoopten bij kruispunten werden begraven en misdadigers er werden terechtgesteld. Vaak was het schavot zelfs opgesteld bovenop een grafheuvel. 

Uit mijn tas haalde ik een kaars en stak deze aan.  Een houten kom vulde ik met gekruide wijn. Een appel werd gesneden en wat graan erboven op. De mantra, die als een lopende band was blijven draaien, kwam nu tot stilstand. Ik keek de godenpaal aan en strekte mijn armen, handen met open palm naar de godin en riep haar aan. Ik vroeg haar mijn offers te ontvangen die ik aan haar heb gewijd. Na een moment van stilte goot ik de kom wijn leeg over de grond voor de paal en sprenkelde de laatste druppels op de godin. Met ogen gesloten dankte ik haar voor de aarde, het woud, de ordening en het draaien van het wiel.

Bronnen

  • van der Tuuk Luit,  Vikingen. Omniboek
  • etymologiebank.nl 
  • Schuyf Judith, Heidense Heiligdommen
  • Inventaris Onroerend Erfgoed, Agentschap Onroerend Erfgoed Vlaanderen
  • De Cooman Jan, Torhout en Wijnendale 
  • Lecouteux Claude, Phantom Armies of the Night
  • Tacitus, Germania
  • Kaminski H, Sternenstrassen der Vorzeit

Walpurgisnacht

Walpurgisnacht, gevierd in de nacht van 30 april op 1 mei, is een overgangsnacht die diep geworteld is in de voorchristelijke beleving van tijd, natuur en gemeenschap. Oorspronkelijk was deze nacht geen afzonderlijk feest, maar onderdeel van een bredere seizoenswisseling binnen Germaanse en aanverwante culturen. Het jaar werd niet gedacht in strakke kalendermaanden, maar in helften: een winterperiode en een zomerperiode. De overgang tussen beide, rond het begin van mei, was beladen met symboliek en ritueel belang. Het was het moment waarop de natuur zichtbaar opnieuw tot leven kwam en waarop mensen, vee en land ritueel werden voorbereid op de vruchtbare maanden.

In de gebieden die later de Lage Landen zouden vormen, leefden Frankische, Friese en Saksische tradities naast elkaar. Hoewel schriftelijke bronnen schaars zijn, maken archeologische sporen en latere volksgebruiken duidelijk dat ook hier vuren werden ontstoken, soms op hoger gelegen plaatsen of dorpsranden, als teken van bescherming en hernieuwing. Vuur had een zuiverende functie: het hield ziekte en onheil op afstand en markeerde tegelijk de kracht van het nieuwe seizoen. Het vee werd soms langs of tussen de vuren geleid, niet uit bijgeloof in moderne zin, maar vanuit een wereldbeeld waarin natuur, gemeenschap en het bovennatuurlijke onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.

Met de kerstening van deze streken werd deze oude overgangsnacht geleidelijk heringekaderd. De Kerk plaatste op 1 mei het feest van Sint-Walburga, een Angelsaksische abdis die actief was in het Frankische Rijk. Haar naam raakte verbonden aan de nacht ervoor, waardoor Walpurgisnacht ontstond als christelijke tegenhanger van oudere lentefeesten. Wat oorspronkelijk een viering van groei en levenskracht was, kreeg in het kerkelijk discours een dubbelzinnige lading: enerzijds bescherming door een heilige, anderzijds wantrouwen tegenover volksgebruik dat te weinig onder kerkelijke controle stond.

Vanaf de late middeleeuwen verschoof de betekenis opnieuw. In een tijd van toenemende angst voor ketterij en hekserij werden juist deze oude overgangsnachten gezien als momenten waarop de orde tijdelijk wegviel. Walpurgisnacht werd in preken en volksverhalen een nacht waarin heksen samenkwamen en kwaad vrij spel had. Ook in de Lage Landen vinden we echo’s van deze denkbeelden terug, al zijn ze minder spectaculair dan in Duitse bronnen. In Vlaamse en Brabantse volksgeloven werd de meitijd gezien als potentieel gevaarlijk: men nam voorzorgen, beschermde huis en haard en was bedacht op onheil dat met de nacht meereisde.

Toch bleven veel positieve elementen bestaan, vaak losgezongen van hun oorspronkelijke betekenis. Meivuren, meibomen en nachtwandelingen door de jeugd wijzen op een hardnekkige voortzetting van de oude gedachte dat deze nacht een drempel vormt tussen wat was en wat komt. In hedendaagse heidense en natuurreligieuze herinterpretaties, ook in Vlaanderen en Nederland, wordt Walpurgisnacht opnieuw gezien als wat zij waarschijnlijk ooit was: geen nacht van duisternis, maar van overgang, kracht en het herwonnen licht.

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram