Rond het jaar 723 voerde Bonifatius een van de meest symbolische en invloedrijke daden van zijn missiewerk uit: het omhakken van de heilige eik van Donar bij Geismar, in het huidige Hessen. Deze indrukwekkende boom was gewijd aan Donar, een centrale god in het Germaanse pantheon, en fungeerde als religieus middelpunt voor de omwonenden. Hier kwamen mensen samen voor offers, rituelen en rechtshandelingen; de eik stond symbool voor de goddelijke bescherming van de gemeenschap.
Bonifatius was in dit gebied actief om het christendom te verspreiden en koos bewust voor een confronterende aanpak. Hij beschouwde de verering van heilige bomen als afgoderij en was ervan overtuigd dat een duidelijke breuk met oude gebruiken nodig was om mensen tot het christelijk geloof te brengen. Door juist deze eik aan te pakken, stelde hij het bestaande geloof openlijk ter discussie en liet hij zien dat hij niet van plan was zich aan te passen aan lokale tradities.
Een exacte datum voor het omhakken van de eik is niet overgeleverd, maar historici gaan ervan uit dat het gebeurde in de lente of zomer van 723. Missiereizen werden in die tijd vrijwel uitsluitend in de warmere maanden ondernomen, wanneer reizen veiliger was en mensen zich gemakkelijker verzamelden. Bovendien past de aanwezigheid van veel toeschouwers en het directe hergebruik van het hout beter bij gunstige weersomstandigheden dan bij de winter. Het is zelfs mogelijk, al niet te bewijzen, dat Bonifatius het moment bewust koos tijdens een periode waarin de gemeenschap toch al bijeen was voor rituelen.
Volgens de beschrijving van Willibald, een tijdgenoot en leerling van Bonifatius, verzamelde zich een menigte rond de eik, in afwachting van wat zou gebeuren. Velen verwachtten dat Donar zijn woede zou tonen zodra de boom werd aangetast. Bonifatius begon echter zonder aarzeling te hakken. Toen de eik uiteindelijk viel en hij ongedeerd bleef, werd dit door sommigen gezien als het doorslaggevende bewijs dat de oude goden geen macht hadden.
De betekenis van deze daad reikte verder dan het moment zelf. Het hout van de omgehakte eik werd gebruikt om een christelijke kapel te bouwen, gewijd aan de apostel Petrus. Zo veranderde een plaats van oude verering in een centrum van het nieuwe geloof. Dit versterkte het gezag van Bonifatius en leidde tot nieuwe bekeringen, maar het veroorzaakte ook diepe wrok bij degenen die zich in hun geloof en tradities aangetast voelden.
Het omhakken van de eik van Donar laat zien hoe de kerstening van Europa niet alleen bestond uit prediking en overleg, maar ook uit bewuste, spectaculaire confrontaties. Deze daad bezorgde Bonifatius een bijna mythische reputatie, maar droeg er tegelijkertijd toe bij dat hij later werd gezien als een ontwrichtende en vijandige figuur. Daarmee vormt dit moment een sleutelgebeurtenis in het begrijpen van zowel zijn succes als de weerstand die uiteindelijk tot zijn gewelddadige dood leidde.