Hooimaand: Wanneer de Aarde Geeft en de Mens Neemt

De Hooimaand, de oude naam voor juli, is voor onze voorouders een heilige tijd waarin arbeid, zonnekracht en vruchtbaarheid samenvloeien tot één groot levend geheel. Hoewel de zon haar hoogste troon reeds bereikt heeft rond midzomer in de voorafgaande Zomermaand, blijft haar vurige adem nog sterk nazinderen in deze dagen. De aarde staat vol leven, zwaar van groei, en de mens weet dat dit het keerpunt is: nu wordt geoogst wat de goddelijke krachten hebben doen rijpen.

Want zo wordt de wereld gezien: niet als een dode grond, maar als een bezielde werkelijkheid. De velden ademen, de wind spreekt, en het gras dat men maait is een gave — maar ook een offer dat men met eerbied aanneemt.

Elke ochtend, nog voor de dauw volledig van het land is geweken, trekken mannen en vrouwen naar buiten, gewapend met zeis en riek. Het ritmische geluid van staal door gras klinkt als een oud lied, een echo van generaties die hetzelfde werk verrichten onder dezelfde zon. Het hooien is zwaar en eist het lichaam op, maar tegelijk is het doordrongen van betekenis. Want in elke haal van de zeis ligt het besef besloten dat men samenwerkt met de krachten van boven en beneden: de zonnegloed en de voedende aarde.

De Hooimaand staat niet los van wat eraan voorafgaat. Midzomer, het zonnewendefeest rond 21 juni, is nog voelbaar aanwezig. De vuren die dan op heuvels en akkers branden — gewijd aan de zon en haar levenschenkende macht — gloeien symbolisch voort in het werk van juli. In sommige streken blijven deze vuren nog branden of worden ze opnieuw ontstoken, als een levend teken dat het licht nog niet geweken is. Men kent het vuur zuiverende en beschermende kracht toe: het houdt het duister op afstand, dat onvermijdelijk weer groeit naarmate het jaar vordert.

Bij het begin van het maaien worden rituelen niet vergeten. Het eerste gras dat valt onder de zeis wordt niet achteloos behandeld. Men legt het apart, soms in een kleine bundel, als een offergave aan de landgeesten, de Alven of de voorouders. Dit gebaar is geen bijgeloof, maar een erkenning van wederkerigheid: de mens neemt, maar moet ook geven. In oude overlevering leeft het besef dat er een geest in het graan en het gras woont — een wezen dat men niet mag krenken. Wie te gulzig of respectloos oogst, riskeert misoogst of ongeluk.

Ook de aanwezigheid van landwichten en veldgeesten wordt ernstig genomen. Aan de randen van akkers laat men kleine offers achter: een stuk brood, een scheut melk, soms een slok bier. Dit zijn geschenken voor de onzichtbare bewoners van het land, opdat zij het werk zegenen en geen kwaad in de oogst brengen. In de schemering, wanneer het licht zachter wordt en de grens tussen werelden dunner lijkt, voelt men hun nabijheid het sterkst.

De kennis van kruiden en hun verborgen krachten bereikt in deze periode een hoogtepunt. Men weet dat planten, geplukt onder de invloed van de zomerse zon — vooral rond en na midzomer — bezield zijn met een bijzondere kracht. Kruiden zoals sint-janskruid, bijvoet en duizendblad worden verzameld en gebundeld. Zij dienen als bescherming tegen ziekte, bliksem en kwade invloeden. Men hangt ze boven deuropeningen, verwerkt ze in drank of draagt ze op het lichaam, als kleine amuletten van de natuur zelf.

Wanneer het hooi gedroogd en binnengehaald is, valt er een andere stilte over het land — niet leeg, maar vervuld. Dan breekt de tijd aan van gemeenschap en dankbaarheid. Men komt samen in eenvoud, rond vuur en tafel. Er wordt gegeten van wat het land heeft gegeven, er klinken liederen die ouder zijn dan men zich kan herinneren, en er wordt gedanst op het ritme van trom en voetstap. Deze bijeenkomsten zijn geen louter vermaak, maar een herbevestiging van het behoren tot dezelfde kring: mens, land en geest.

In de Hooimaand staat de mens dus midden in de schepping, niet erboven. Hij werkt, zweet en oogst, maar weet dat hij nooit alleen handelt. Alles is verweven: de baan van de zon, het groeien van het gras, de adem van de wind en het ritme van het menselijk hart.

Zo draagt deze maand een dubbele aard: zij is zowel een tijd van overvloed als een stille herinnering aan de vergankelijkheid. Want terwijl het hooi wordt binnengehaald, weet men ook dat het licht langzaam keert. En precies daarom wordt elke warme dag, elke volle schuur en elke gezamenlijke maaltijd beleefd met een diepe, bijna sacrale dankbaarheid.

Midzomerlicht: Vuur, Natuur en Traditie in de Lage Landen

Midzomer in de Lage Landen is een moment waarop licht en leven hun hoogtepunt bereiken. Rond 21 juni staat de zon op haar hoogste punt aan de hemel en lijkt de dag zich eindeloos uit te strekken. Hoewel midzomer officieel samenvalt met de zonnewende, wordt het in veel streken gevierd in de nacht van 23 op 24 juni, tijdens het feest van Sint-Jan. Deze overgang tussen heidense zonnerituelen en christelijke tradities geeft het midzomerfeest zijn gelaagde karakter.

Midzomer is een tijd waarin de natuur op haar krachtigst wordt ervaren. Velden staan vol graan, bloemen tonen hun meest kleurrijke pracht en de dagen bieden een overvloed aan licht en warmte. In deze context ontstaan rituelen die de vruchtbaarheid van het land en de gemeenschap bezegelen. Vuren spelen daarbij een centrale rol. Op heuvels en open velden worden Sint-Jansvuren ontstoken, waarbij men gelooft dat het vuur beschermende en zuiverende krachten bezit. Mensen springen over de vlammen, soms hand in hand, als symbool voor geluk, gezondheid en verbondenheid.

Ook planten en kruiden krijgen rond midzomer een bijzondere betekenis. Volgens volksgeloof bezitten zij op dit moment hun grootste geneeskracht. Sint-janskruid, bijvoet en kamille worden verzameld en gedroogd, vaak met de intentie om ze later te gebruiken als bescherming tegen ziekte, onheil of boze geesten. Meisjes vlechten bloemenkransen en leggen die onder hun kussen, in de hoop dromen te krijgen over hun toekomstige geliefde. De grens tussen de zichtbare en onzichtbare wereld wordt in deze nacht als dun beschouwd, een moment waarop het mystieke zich gemakkelijker openbaart.

In de Lage Landen, waar landbouw en seizoenen het ritme van het leven bepalen, heeft midzomer ook een sociale dimensie. Dorpsgemeenschappen verzamelen zich rond het vuur, er wordt gezongen, gedanst en gedeeld. Het is een moment van samenkomst waarin oude banden worden bevestigd en nieuwe relaties ontstaan. De vreugde van het lange licht geeft ruimte aan uitbundigheid, maar ook aan bezinning: vanaf midzomer beginnen de dagen weer te korten, een subtiel keerpunt waarin groei langzaam overgaat in rijping.

Hoewel veel van deze tradities vandaag minder zichtbaar zijn in het dagelijks leven, blijven ze resoneren in folklore, lokale feesten en hernieuwde interesse in oude gebruiken. In een tijd waarin de band met natuur en seizoenen vaak vervaagt, spreekt midzomer opnieuw tot de verbeelding als een viering van licht, gemeenschap en het cyclische karakter van het bestaan.

Zo blijft midzomer in de Lage Landen meer dan een astronomisch fenomeen. Het is een levend erfgoed, waarin vuur brandt, kruiden worden verzameld, dromen leven en mensen samenkomen in een poëtische ode aan de kracht van de zomer – en aan de tijdloze verbondenheid tussen mens en natuur.

Krieken, Aardbeien en Zon: Midzomergebakken in Vlaanderen

Midden in het jaar, wanneer de dagen hun langste punt bereiken en het licht nauwelijks lijkt te wijken, ontstaat er in heel Europa een culinaire traditie die nauw verweven is met het ritme van de natuur. Midzomer — of Sint‑Jan in christelijke termen — werd gevierd met vuur, gemeenschap en overvloed. In sommige streken kreeg die viering duidelijke vormen in specifieke gebakken; in andere, zoals in Vlaanderen, bleef ze subtieler aanwezig, verscholen in het alledaagse eten.

Toch delen al die midzomergebakken, van Scandinavië tot de Lage Landen, eenzelfde symboliek. Ze spreken van zon, rijping en levenskracht — en juist daarin ligt hun diepste betekenis.

In het noorden van Europa is de traditie nog het meest zichtbaar. Daar verschijnt rond midzomer steevast de luchtige aardbeientaart: een zachte bodem, romige vulling en een overvloed aan rood fruit. Ze oogt licht, bijna speels, maar draagt een oude symboliek in zich. De rode bessen verwijzen naar rijpheid en energie, terwijl de ronde vorm onmiskenbaar herinnert aan de zon op haar hoogtepunt. Wat daar expliciet bewaard bleef, leeft in Vlaanderen eerder impliciet voort.

Want ook hier, in het kleinschalige en nuchtere landschap, volgden de gebakken altijd het seizoen. Rond juni en juli verschijnen de eerste overvloedige vruchten: aardbeien, krieken, bessen. Ze vinden haast vanzelf hun weg naar de keuken, verwerkt in eenvoudige taarten en vlaaien. Er is geen vast “midzomergebak” met een naam of ritueel voorschrift, maar het principe is hetzelfde: men bakt wat de aarde op dat moment schenkt.

De kriekentaart is daarin een treffend voorbeeld. Ze is niet ontstaan als ceremonieel gerecht, maar sluit naadloos aan bij wat midzomer betekent. De kriek, dieprood en friszuur, lijkt de intensiteit van het seizoen te belichamen. Haar kleur roept associaties op met levenskracht en warmte; haar smaak balanceert tussen scherpte en zoetheid, zoals ook de natuur haar hoogtepunt bereikt en tegelijk het begin van haar terugkeer aankondigt. Wanneer ze in een ronde taart wordt gegoten, krijgt die eenvoud bijna vanzelf een symbolische lading: vrucht en zon, samengebracht in één vorm.

Hetzelfde geldt voor oudere, minder zichtbare tradities. In grote delen van Europa bakte men rond zonnewendes ronde broden, soms licht gezoet, soms verrijkt met honing of kruiden. Honing, verzameld uit bloemen die door het zonlicht tot leven kwamen, werd gezien als een geconcentreerde vorm van diezelfde zonne‑energie. Kruiden, geplukt rond midzomer, droegen volgens volksgeloof een bijzondere kracht. Wanneer ze in brood of koek werden verwerkt, ontstond er een voeding die niet alleen voedde, maar ook beschermde en verbond.

Ook in Vlaanderen zijn sporen daarvan terug te vinden, zij het fragmentarisch. Sint‑Jansvuren waren ooit wijdverspreid, en hoewel de bijbehorende gerechten zelden werden vastgelegd, weten we dat brood, koeken en eenvoudige zoetigheden gedeeld werden rond het vuur. Geen verfijnde patisserie, maar eerlijke, aardse bereidingen. Wat telde was niet de vorm, maar het samenkomen: het delen van voedsel op het moment dat het jaar zijn volle kracht bereikt.

Daarin onderscheidt Vlaanderen zich. Waar sommige culturen hun midzomertradities ritueel vastlegden, bleef de Vlaamse en bredere Lage Landen‑traditie pragmatisch. Het sacrale werd niet zozeer afgeschaft, maar opgenomen in het dagelijkse. Seizoensgebondenheid werd de drager van betekenis. Een kriekentaart op een warme junidag, een aardbeientaart op een dorpsfeest — ze zijn geen rituelen in strikte zin, maar ze dragen dezelfde kern in zich.

Wat deze gebakken uiteindelijk verbindt, is niet hun recept, maar hun plaats in de tijd. Ze verschijnen wanneer de zon op haar sterkst is, wanneer de velden vrucht dragen en wanneer mensen samenkomen. Hun ronde vormen weerspiegelen de zon, hun ingrediënten komen rechtstreeks uit de overvloed van het moment, en hun smaak — fris, rijp, soms licht wrang — herinnert eraan dat elk hoogtepunt ook vergankelijk is.

Zo blijven midzomergebakken, ook in Vlaanderen, stille getuigen van een oud besef: dat eten meer is dan voeding alleen. Het is een manier om deel te nemen aan het ritme van de wereld, om het licht te vieren terwijl het nog op zijn sterkst is, en om de overvloed van het land te erkennen — eenvoudig, gedeeld en tijdelijk.

Kriekentaart

Voor het deeg:

  • 250 g bloem
  • 125 g boter (koud)
  • 75 g suiker
  • 1 ei
  • een snuifje zout

Voor de vulling:

  • 600 à 800 g krieken (ontpit, vers of uit bokaal)
  • 80 tot 120 g suiker (naar smaak)
  • 2 eetlepels maïzena
  • eventueel een snuifje kaneel

Optioneel:

  • 250 ml melk
  • 1 zakje vanillepuddingpoeder

Bereiding

Voor een klassieke kriekentaart begin je met het deeg. Meng de bloem met de suiker en een snuifje zout, en werk er de koude boter door tot een kruimelig geheel ontstaat. Voeg daarna het ei toe en kneed kort tot een samenhangend deeg. Laat dit vervolgens een half uur rusten in de koelkast, zodat het steviger wordt en zich makkelijker laat verwerken.

Intussen bereid je de krieken. Ontpit ze indien nodig en meng ze met de suiker. Hoeveel suiker je gebruikt, hangt af van hoe zuur de krieken zijn en van je eigen smaak, maar traditioneel blijft de taart eerder fris dan zoet. Strooi de maïzena erover en meng goed, zodat het vrijkomende sap straks wat indikt tijdens het bakken. Een snuifje kaneel kan, maar is niet noodzakelijk.

Verwarm de oven voor op 180 graden. Rol het deeg uit en bekleed er een ingevette taartvorm mee. Prik met een vork kleine gaatjes in de bodem. Wie het wat voller wil, kan nu een dun laagje vanillepudding maken van melk en puddingpoeder en dat over de bodem gieten — een typisch Vlaamse toets — maar de taart kan evengoed puur blijven.

Verdeel vervolgens de krieken over de bodem en zet de taart in de oven. Laat ze bakken gedurende ongeveer vijfendertig tot veertig minuten, tot de rand mooi goudbruin is en het fruit zacht en glanzend oogt.

Laat de kriekentaart na het bakken even afkoelen, zodat de vulling kan opstijven. Je serveert ze eenvoudig, eventueel met een lepel room, maar traditioneel gewoon zoals ze is: een eerlijke taart, licht zuur en vol zomerse smaak — precies zoals ze hoort te zijn.

Midzomer thuis vieren – een bezielde handleiding

Midzomer, rond 21 juni, markeert het moment waarop de zon haar hoogste punt bereikt. Het is de langste dag en de kortste nacht van het jaar — een kantelpunt waarop licht, warmte en leven hun volle kracht tonen. Tegelijk ligt in dit hoogtepunt al het zachte begin van de terugkeer naar duisternis besloten.

Het is een ideaal moment om stil te staan bij wat groeit in je leven, en bij de lijn waaruit je zelf bent voortgekomen — je voorouders, die deze cyclus eeuwenlang hebben gekend en gevierd.

De ruimte voorbereiden

Begin met het creëren van een plek die rust en verbinding oproept. Haal de natuur naar binnen of gebruik je tuin of balkon.

Leg bloemen neer — wilde bloemen, kruiden zoals lavendel of kamille, of simpelweg wat je voorhanden hebt. Voeg een kom water toe als symbool van leven en stroming. Plaats één of meerdere kaarsen in warme tinten zoals goud, wit of geel: zij vertegenwoordigen de zon.

Je kan hier ook een klein altaar van maken. Voeg iets persoonlijks toe — een herinnering, een object dat voor jou betekenis draagt, of iets dat je aan je voorouders doet denken: een foto, een erfstuk, of gewoon een steen die hun aanwezigheid symboliseert.

Het moment van vieren

Kies een rustig moment, bij voorkeur bij zonsopgang of zonsondergang. Ga zitten of staan, en laat de drukte van de dag even wegvallen.

Adem een paar keer diep in en uit. Voel je lichaam, je aanwezigheid — en besef dat je hier staat als deel van een langere keten van leven.

Verbinding met intentie en afkomst

Richt je aandacht eerst naar binnen en stel jezelf de vraag:

Wat wil ik laten groeien deze zomer?
Laat het antwoord opkomen zonder forceren.

Vervolgens verleg je je aandacht naar achteren, naar de generaties vóór jou. Denk aan de mensen die jou zijn voorgegaan — bekend of onbekend. Zij die werkten, liefhadden, worstelden en hoopten, zodat jij hier vandaag kan staan.

Je kan zachtjes zeggen:

“Ik eer degenen die mij voorgingen.
Ik draag jullie in mij.
Wat goed was neem ik mee, wat zwaar was mag rusten.”

Voel wat dit met je doet, zonder iets te moeten.

Het ritueel zelf

Steek de kaars aan en zie het licht als een weerspiegeling van de zon — en ook van je eigen innerlijke kracht.

Neem een moment van dankbaarheid. Noem in stilte of luidop enkele dingen waarvoor je dankbaar bent — groot of klein.

Als je wil, kan je ook iets loslaten. Schrijf op wat je niet langer wil meedragen — een gedachte, een patroon, een last. Verbrand het veilig of scheur het stuk. Dit symboliseert dat je ruimte maakt voor nieuwe groei.

Eten, delen en genieten

Midzomer is ook een feest van overvloed. Neem de tijd om te eten en te genieten.

Vers fruit, brood, honing, kruiden, lichte gerechten — het hoeft niet ingewikkeld te zijn. Eet bewust, proef echt. Als het kan, deel het met anderen — of hef symbolisch het glas op het leven en hen die je voorgingen.

Beweging en levenskracht

Laat ook je lichaam spreken. Dans, beweeg, ga naar buiten als dat mogelijk is. Voel de aarde onder je voeten. Midzomer vraagt niet alleen bezinning, maar ook vreugde en levendigheid.

Reflectie

Sluit af met een kort moment van reflectie. Je kan iets opschrijven:

  • Wat staat er in volle bloei in mijn leven?
  • Waar mag nog licht op vallen?
  • Wat neem ik mee van mijn verleden, en wat laat ik achter?

Afsluiting

Doof de kaars bewust. Bedank jezelf, het moment, en ook — indien het voor jou goed voelt — je voorouders voor hun aanwezigheid.

Sta nog even stil in de rust die volgt. Midzomer is voorbij, maar het licht dat je hebt aangeraakt, draag je verder in je mee.


Midzomer vieren is geen vaste vorm, maar een beleving:
een herinnering dat je leeft in een cyclus van groei, verbonden met natuur én met degenen die je voorgingen.

Gevlochten Midzomerbrood

Een brood voor de langste dag van het jaar: goudbruin, zacht en geurig, met kruiden die al eeuwenlang verbonden zijn met bescherming, kracht en overvloed. De vlecht staat voor verbondenheid en de kringloop van het leven.

Ingrediënten

Deeg

  • 500 g tarwebloem (of half spelt voor een rustiekere smaak)
  • 7 g droge gist (of 20 g verse gist)
  • 250–300 ml lauwe melk
  • 2 el honing
  • 1 ei
  • 60 g zachte boter
  • 1 tl zout

Kruiden

Gebruik in totaal ± 1 à 2 theelepels:

  • 1 tl tijm
  • ½ tl rozemarijn (fijngehakt)
  • ½ tl venkelzaad of anijs
  • optioneel: snuifje sint-janskruid of bijvoet (zeer weinig!)

Afwerking

  • 1 eidooier + scheutje melk
  • sesam- of maanzaad
  • extra honing

Bereiding

Begin met het mengen van de lauwe melk, honing en gist. Laat dit enkele minuten rusten tot het licht begint te schuimen — alsof het deeg wakker wordt.

Doe de bloem en het zout in een kom en voeg het gistmengsel toe, samen met het ei en de boter. Meng en kneed het geheel tot een soepel, licht elastisch deeg. Dit duurt ongeveer tien minuten. Voeg op het einde de kruiden toe en kneed ze gelijkmatig door het deeg.

Leg het deeg in een kom, dek af en laat het op een warme plek rijzen tot het ongeveer verdubbeld is in volume (ongeveer een uur).

Haal het deeg daarna uit de kom en verdeel het in drie gelijke stukken. Rol elk stuk tot een lange streng. Leg de strengen naast elkaar, knijp ze bovenaan samen en vlecht het brood rustig van boven naar beneden, zoals een haarvlecht. Knijp het uiteinde samen en vouw het licht onder de vlecht.

Leg het brood op bakpapier en laat het nog 30 à 45 minuten rusten. Het zal opnieuw licht opzwellen.

Bestrijk de vlecht met eigeel en melk en strooi er wat zaden over. Bak het brood in een voorverwarmde oven op 180°C gedurende 25 à 30 minuten, tot het goudbruin en gaar is.

Na het bakken kan je het licht bestrijken met honing voor een zachte glans en een warme, zonnige toets.

Symboliek en gebruik

  • De drie strengen → lichaam, geest en natuur
  • De vlecht → verbondenheid en continuïteit
  • De kruiden → bescherming en levenskracht
  • De honing → zon en overvloed

Breek het brood met de hand en deel het met anderen. Volgens oude gebruiken geef je het eerste stuk terug aan de natuur of het Midzomervuur — een klein gebaar van dankbaarheid.

De Midzomergordel: Een Traditie van Bescherming en Bloei

Lang vóór de komst van het christendom droegen mensen in grote delen van Europa reeds koorden, banden en gordels die niet louter praktisch waren, maar doordrongen van symboliek en rituele kracht. Rond de tijd van de zonnewende, wanneer de dagen hun grootste lengte bereikten en de zon op haar hoogste punt stond, kwam deze betekenis het sterkst tot uiting. Midzomer werd ervaren als een moment waarop de zichtbare en onzichtbare wereld dichter bij elkaar kwamen te liggen, een kantelpunt waarop krachten van groei, vruchtbaarheid en bescherming versterkt waren, maar evenzeer kwetsbaarheid en gevaar zich konden laten voelen. In die geladen sfeer kreeg het dragen van een gordel of koord een specifieke betekenis: het was een manier om het eigen lichaam af te bakenen, te beschermen en te verbinden met de levenskracht van de natuur die op dat ogenblik haar hoogtepunt bereikte.

Zo’n gordel werd vaak vervaardigd uit natuurlijke materialen die zelf als krachtig werden beschouwd. Men gebruikte vlas, wol of bastvezels, soms gecombineerd met vers geplukte kruiden en bloemen zoals bijvoet, Sint-Janskruid, kamille of duizendblad, planten die rond de zonnewende verzameld werden omdat men geloofde dat zij op dat moment hun grootste genezende en beschermende werking bezaten. Ook bloemen speelden hierin een uitgesproken symbolische rol. Bloeiende planten vormden het zichtbare bewijs van de overvloed van de natuur en werden daarom gezien als dragers van vruchtbaarheid, levenskracht en schoonheid. Door bloemen in een gordel te vlechten of eraan te bevestigen, omgaf men zich letterlijk met de energie van bloei en groei. Sint-Janskruid werd geassocieerd met bescherming tegen duistere krachten, kamille met rust en herstel, en korenbloemen of margrieten met zuiverheid en verbondenheid met veld en zon. De gordel werd zo een levend geheel, waarin geur, kleur en textuur samenwerkten met symboliek.

Het verzamelen van deze planten was op zichzelf al een ritueel. Vaak deed men dit bij zonsopgang of in de avondschemering, momenten waarop de overgang tussen dag en nacht voelbaar was. Men plukte met aandacht, soms in stilte of volgens vaste gebruiken, omdat men ervan uitging dat de houding van de verzamelaar invloed had op de kracht van het materiaal. De bloemen en kruiden werden daarna niet willekeurig gebruikt, maar bewust gerangschikt of gevlochten, waarbij elke keuze een betekenis kon dragen. De gordel die uit die handelingen voortkwam, droeg dus niet alleen de fysieke eigenschappen van de gebruikte stoffen, maar ook de intentie en de aandacht van degene die hem maakte.

Naast deze botanische symboliek speelde ook de structuur van de gordel zelf een belangrijke rol, vooral in de vorm van knopen. In veel Europese tradities werd het knopen van een koord gezien als een daad van wilskracht, waarbij elke knoop een specifieke betekenis kon krijgen. Dit wordt soms omschreven als een vorm van knopenmagie, waarbij men door het leggen van knopen als het ware krachten vastzette of richtte. Een gordel kon bijvoorbeeld negen knopen bevatten, een getal dat in verschillende culturen verbonden was met voltooiing en bescherming. Elke knoop kon staan voor een wens, een intentie of een vorm van bescherming: gezondheid, vruchtbaarheid, kracht, bescherming tegen ziekte of het afwenden van kwaad. Door het dragen van zo’n gordel droeg men die opeenvolging van intenties letterlijk met zich mee, als een ritmische en tastbare omsluiting van het lichaam.

Tijdens midzomerfeesten, waarbij grote vuren werden ontstoken op heuvels en open velden, kreeg de gordel een extra dimensie. Mensen dansten rond het vuur, sprongen eroverheen of bewogen in kringvormige patronen die de cyclus van het jaar weerspiegelden. De gordel werd daarbij soms gedragen als bescherming tijdens deze rituelen, maar kon ook actief worden gebruikt in handelingen van zuivering en overgang. In sommige overleveringen werd de gordel na het feest in het vuur geworpen, zodat alles wat men achter zich wilde laten – ziekte, ongeluk, negatieve invloeden – symbolisch verteerd werd door het vuur. In andere gevallen bleef de gordel behouden en werd hij gedurende het jaar gedragen als een blijvende bescherming, versterkt door de kracht van het midzomermoment en de nabijheid van het vuur. De bloemen die erin verwerkt waren, droogden dan langzaam uit, maar behielden volgens de traditie hun kracht, alsof de essentie van het zomerse hoogtepunt in de gordel werd vastgehouden.

Daarnaast bestond er een nauwe band tussen zulke gordels en vruchtbaarheid. Midzomer was een feest van overvloed: gewassen stonden hoog, dieren waren actief, en de cyclus van leven bereikte een zichtbaar hoogtepunt. Het dragen van een gordel waarin bloemen en kruiden verwerkt waren, kon gezien worden als een manier om zich fysiek en symbolisch in die stroom van groei te plaatsen. Vooral voor jonge mensen kon het dragen van een dergelijke gordel een subtiele markering zijn van overgang, volwassenwording of verbondenheid met de levenscyclus. De cirkelvorm van de gordel zelf versterkte dit idee: zonder begin of einde, een voortdurende kring van leven, dood en hernieuwing.

Wat opvalt, is hoe de gordel tegelijk bescherming en verbinding uitdrukte. Enerzijds vormde hij een grens, een omheining van het lichaam tegen onzichtbare invloeden die men als bedreigend ervoer. Anderzijds was hij een middel om zich juist af te stemmen op de krachten van de natuur, om de energie van zon, aarde en bloei in zich op te nemen. De bloemen brachten de kracht van de groeiende wereld mee, de knopen de gerichte wil van de drager, en samen vormden zij een object dat zowel persoonlijk als kosmisch geladen was.

Toen later het christendom deze gebruiken begon te integreren, werd deze oude gordeltraditie niet vernietigd, maar hervertaald. De bloemen en kruiden bleven, maar kregen nieuwe namen en associaties; de knopen bleven, maar werden eerder gezien als tekens van devotie dan van magische intentie. Toch bleef onder deze nieuwe betekenislaag de oudere structuur zichtbaar: een cirkel rond het lichaam, geweven uit natuur en bedoeling, gedragen op een moment waarop de wereld zelf in haar grootste kracht stond. De heidense midzomergordel leeft zo voort, niet alleen als historisch fenomeen, maar als een echo van een tijd waarin mens en natuur als één doorlopend geheel werden ervaren, zichtbaar en tastbaar gemaakt in iets eenvoudigs als een band van vezels, bloemen en knopen rond het lichaam.

Vuur, Zon en Aarde: De Heidense Ziel van Sint-Jan en Zijn Gezellen

In de zomermaand – wanneer het licht op zijn hoogtepunt staat en de aarde haar volle adem uitblaast – vloeien oude heidense ritmes en latere heiligennamen in elkaar over tot één levend geheel. Wat wij vandaag kennen als de feesten van Sint-Cunera, Sint-Vitus, Sint-Jan en Sint-Petrus en Paulus, draagt duidelijk de sporen van een ouder, dieper wereldbeeld waarin zon, aarde, water en vuur als heilige krachten werden vereerd. In deze tijd van overvloed en rijping wordt de mens als het ware opgenomen in de kringloop van groei, kracht en langzaam afnemend licht.

De cyclus opent rond 12 juni met Sint-Cunera, een figuur die bijzonder sterk de echo draagt van voorchristelijke vrouwengestalten. In haar herkennen we trekken van oude moedergodinnen en beschermgeesten van het land: hoedsters van akker, huis en gemeenschap. Haar verering, vaak met processies en beschermende rituelen, kan gezien worden als een voortzetting van oeroude tradities waarin men de aarde zelf eerde als voedende moeder. Symbolisch draagt Cunera het weefwerk van het leven: zij verbindt mensen met elkaar en met de vruchtbaarheid van het land. Het weven, beschermen en verzorgen zijn hier geen toevallige beelden, maar verwijzen naar de cyclische orde van de natuur zelf, waarin alles met elkaar verstrengeld is.

Kort daarna volgt Sint-Vitus op 15 juni, een feest waarin de wilde levenskracht van de vroege zomer tot uiting komt. Vitus wordt traditioneel verbonden met dans, zenuwkracht en extase – verschijnselen die in heidense rituelen essentieel waren. In extatische dansen zochten mensen verbinding met de levenskracht die door alles stroomt. Dit was geen chaos, maar een heilige roes: een manier om disharmonie uit het lichaam te verdrijven en opnieuw af te stemmen op de ritmes van de natuur. De zogenaamde “Sint-Vitusdans” weerspiegelt oude trancepraktijken waarin lichaam en geest één werden met de pulserende energie van de aarde. In deze periode van groeiende gewassen en lange dagen is beweging een eerbetoon aan het leven zelf.

Het stralende middelpunt van deze cyclus ligt bij Sint-Jan op 24 juni, het feest dat bijna samenvalt met de zomerzonnewende. Hier bereikt de zon haar hoogste kracht, en dat werd al ver vóór het christendom gevierd met grootse rituelen. De Sint-Jansvuren zijn wellicht het meest zichtbare overblijfsel daarvan: vuren die de zon op aarde weerspiegelen, haar kracht versterken en beschermen tegen het naderende afnemen van het licht. Het springen over het vuur staat symbool voor zuivering, moed en hernieuwing. Rook en as golden als krachtig tegen ziekte en onheil.

Daarnaast is deze nacht doordrongen van kruidenmagie. Planten zoals sint-janskruid, bijvoet en duizendblad worden op dit moment geplukt omdat men gelooft dat zij dan hun hoogste levenskracht dragen. Deze kruiden werden gebruikt voor genezing, bescherming en zelfs waarzeggerij. Ook water kreeg een bijzondere betekenis: dauw, bronnen en rivieren werden als bezield beschouwd, en baden in het eerste ochtendlicht stond symbool voor wedergeboorte. Het is een moment waarop vuur en water – ogenschijnlijk tegengestelde elementen – samenkomen als bronnen van leven en zuivering.

Aan het einde van deze zomerse spanningsboog vinden we Sint-Petrus en Sint-Paulus op 29 juni, een tweevoudig feest dat in heidense zin een overgang markeert. De zon heeft haar keerpunt gepasseerd; de dagen blijven warm, maar het licht begint langzaam af te nemen. Dit is het begin van een subtiele verschuiving van uitbundige groei naar bewaring en ordening.

Petrus, met zijn sleutels, draagt het archetype van de poortwachter. In oude tradities vinden we vergelijkbare figuren die de doorgang tussen werelden bewaken: tussen licht en duister, leven en dood, zomer en herfst. Zijn sleutels openen niet alleen hemelse poorten, maar symboliseren ook de kennis van cycli en grenzen – wanneer iets moet groeien en wanneer het beschermd moet worden.

Paulus daarentegen belichaamt de reiziger en verkondiger, een figuur die verwant is aan de oude “grenswandelaar” of listige bemiddelaar: degene die tussen werelden beweegt, kennis draagt en veranderingen teweegbrengt. Hij staat symbool voor het verspreiden van inzicht, voor het vuur van inspiratie dat zich uitbreidt zoals zaad dat wordt uitgezaaid. Samen vormen Petrus en Paulus een tweeluik van afsluiten en openen, bewaren en verspreiden.

Ook in de gebruiken rond dit feest vinden we oudere lagen terug: vis als symbool van leven uit het water, en water zelf als bron van vruchtbaarheid en oorsprong. In sommige streken werden rivieren gezegend of bezocht, wat herinnert aan prechristelijke waterculten waarin bronnen en meren als heilig werden beschouwd.

Wanneer men deze hele periode in haar geheel bekijkt, ontvouwt zich een rijk en samenhangend heidens perspectief op de zomermaand:

  • Aarde (Cunera) – vruchtbaarheid, bescherming, het weven van leven
  • Lichaam en beweging (Vitus) – extase, dans, levenskracht
  • Vuur en zon (Jan) – hoogtepunt, zuivering, magie en genezing
  • Overgang en balans (Petrus en Paulus) – grenzen, kennis, verspreiding

De symboliek is diep verweven:
Kransen van bloemen weerspiegelen de cyclus van groei en vergankelijkheid.
Vuren op heuvels verbinden hemel en aarde.
Water en dauw brengen genezing en vruchtbaarheid.
Dans en zang roepen de levenskracht op.
Sleutels en poorten herinneren aan overgangen tussen werelden.

Zo blijkt dat de zomermaand geen reeks losse feestdagen is, maar een heilige tijd waarin de mens zich afstemt op de adem van de natuur. De heiligen zijn als maskers die oude krachten blijven dragen: de zon die brandt, de aarde die voedt, het water dat heelt en de geest die beweegt tussen werelden. In dat licht is de zomer niet enkel een seizoen, maar een ritueel op zich – een jaarlijkse herbevestiging van het leven in al zijn overvloed en vergankelijkheid.

Mijmeringen in de vallei van Wiederik

Hoewel het ochtend was, had het winterse daglicht veel moeite om door het ongure weer te dringen. Het woud lag er grijs en duister bij, met een erg laag en donker wolkendek, striemende regen en windvlagen. Wodan’s Heir scheerde over daken en boomtoppen, razend wild met een hevig geraas. Wie enigszins kon bleef wijselijk binnenskamers. Maar niet ik. Ik had een missie. Een smal pad, dat meer leek op een kloof die werd uitgehold door water dat van de helling liep, bezaaid met keien, modder en dennennaalden was de laatste 100 meter mijn pad. Onvermoeid bleef ik stijgen, met modder tot over de enkels. Ik wist dat Arduinna toekeek. Het was haar woud, haar heiligdom. En ik zou haar niet teleurstellen. Mijn wollen muts, broek en de legerparka deden hardnekkig hun best het vocht buiten te houden. Ik trok mijn buff wat hoger en stelde mijn rugzak bij. Later vandaag zou ik bij een warme haard zitten met een mok hete thee of misschien een frisse Wérisienne. Maar nu zou ik het stellen met koude wind en regen. 

Ik heb altijd al van de natuur gehouden, maar toen ik nog mocht genieten van de geneugten van het logement bij Defensie als landsknecht, heb ik menig dag en nacht in een nat bos doorgebracht, verkleumd en vloekend. Wat toen een vervelende ervaring was, zoek ik nu net op. Zoals velen ben ik begonnen met een altaar. Daar is niets mee natuurlijk, maar al snel voelde ik een verlangen naar meer. Door het lezen van de juiste boeken en ontmoetingen met de juiste mensen, openbaarde zich voor mij een nieuwe wereld in het heidendom. Heilige wouden, mistige heuvels, natte stenen ouder dan de jaartelling, daar kan je terugkeren naar de mysteries die ooit onze voorouders begeesterden. Daar kan je nog de bosgeesten ontdekken, de nekkers, de alven en misschien wel de Asen. Extreem weer, lijkt mijn ervaring alleen maar te versterken.

Links van mij weken de bomen en over een wei kon ik in de vallei van Wedericia (ook “Wederik”- “Wiederik”) ontwaren. Het is moeilijk te bevatten, maar het Waals dialect dat ooit gesproken werd in deze streken, lag eigenlijk dichter bij onze Germaanse talen dan bij de Romaanse. Het Waals is is ontstaan uit een mix van Keltisch, Gallo Romaans en Frankisch. De verfransing trad pas veel later echt op in 1795 onder Franse heerschappij. 

Velden en bomen, met een snel bewegend laaghangend wolkendek, barre takken wezen de richting aan waarin Meneer de Wind reisde. Ik stelde scherp op de wolken. Figuren leken zich te vormen en weer te verdwijnen, in een constante molen van wind, alsof de onderkant van de wolkendeken tentakels kreeg die de malende bewegingen van ledematen van  paarden en mannen imiteerden. In de massieve muur van de wolk staken donkere en grijze kleurenpallets zich tegen elkaar af. Een donkerblauwe wolken flard rees langs de flank van een grijze regenwolk omhoog als een tweeledig gevorkte tak. De ene rechtop de andere schuin en gebogen als een kromme wijzende vinger. Het leek wel een man te paard. Door het voortdrijven van de wolk boog de ruiter zijn hoofd en strekte het paard de nek, zoals je zou verwachten wanneer een paard van lichte draf naar galop schakelt. Ik knikte. Vandaag reisde ik niet alleen, maar mijn gezelschap was niet van Middengaard afkomstig. 

Zelfverzekerd klom ik verder langsheen hoge sparren en dennen. Het woud slokte me opnieuw op en het daglicht werd nog zwakker achter de donkere basten. De geur van het bos was verkwikkend. De wereld werd buitengesloten, alles kromp naar mijn huidig bestaan. Ik bereikte de top van de heuvel liep over een breder pad. In de schaduwen van de bomen aan weerszijden van de weg zag ik vage schaduwen met mij meebewegen in de periferie van mijn zicht. Het was nutteloos er recht naar te staren want dan zag je ze niet. Ik maakte mij geen zorgen, want ik wist wie ze waren.

Eerder in de nacht, nadat ik mijn wagen op een modderig pad had geparkeerd, had ik het Duivelsbed opgezocht. 

De megaliet bestaat uit twee delen, een kleinere steen rechtop vormt het hoofdeinde en een rechthoekige liggende steen vormt het bed, dat lijkt zelfs beslapen omdat het kuipvormig is en het anders ongelijke oppervlak van de puddingsteen is hier mooi effen en glad alsof het over lange tijd werd afgesleten door de bezoekers die het hadden beslapen. Het Duivelsbed maakt deel uit van de zogenaamde “Legendestenen” uit de vallei. Hoewel hun connectie met de megalieten en dolmens enigszins een grijze zone betreft, kunnen we niet ontkennen dat de aard van deze steen een heidens verleden moet hebben. Volgens de legende gebruikt de duivel de megaliet als zijn bed om te rusten voor hij terug keert naar de onderwereld. De kerk waarschuwde de bewoners om niet op de steen te zitten, anders kwam de duivel je halen. Nogal herkenbare elementen die je kan verwachten bij een demonisatie van een heidens sacrale plaats door toedoen van de kerk. 

Mijn zaklamp scheen op het duivelsbed. De volle maan gloeide ergens tussen de bomen, belemmerd door een mistig waas. Ik was erg vroeg opgestaan, wat ik van plan was moest bij nacht gebeuren. Het weer was nog niet zo onstuimig, maar alles was wel nat. Ik drapeerde een militaire poncho over de steen en haalde een schaal en fles uit mijn rugzak. In de schaal goot ik  de inhoud van een klein zakje koffie. Een zelfgemaakte tondel, een kluwen van houtschilfers die werden gedoopt in kaarsvet en gekneed tot een bal, stak ik aan met een lucifer en deponeerde in de schaal. De koffie begon te smeulen. Ik had liever graan of wierook gebruikt maar door omstandigheden had ik enkel koffie bij de hand en ik vertrouwde erop dat het net zo goed was. De fles goot ik in een kroes die ik bij de voet van het bed naast de schaal zette waarna ik een flinke teug uit de fles dronk. Met een leder touw bond ik de wolventand om mijn pols en knoopte hem drie maal in een bijzonder patroon. Ik ging liggen op de poncho, stopte mijn zaklamp weg en trok de poncho over mij heen als een deken om mijn lichaamswarmte te behouden. Ik luisterde naar het bos en rook de geur van brandende koffie. De wind roerde wat takken maar het was nog niets vergeleken met wat de ochtend zou brengen. Ik begon met een meditatie om mijn bewustzijn te vertragen en in de juiste gemoedstoestand te verkeren. Mijn focus verplaatste van mijn lichaam naar de steen. De temperatuur flirtte met het vriespunt maar ik had geen handschoenen aan zodat ik ze onder me kon stoppen om de steen te voelen. Ik aanriep Arduinna, nodigde haar uit deze steen te bezoeken en om mijn offer van wijn te aanvaarden en mij te verwelkomen onder deze maan in de aanloop naar Joel.  Ik vroeg mijn voorouders het offer van koffie te aanvaarden en mij te vergezellen op deze ommegang. Ik aanriep de wolf in mij, ontboden door Wodan en als geïnitieerde van het verbond de Wolfhetan. Hierna herhaalde ik drie maal het woord Ansuz, vervolgens nog eens drie maal en dan weer drie maal. Een cyclus van negen invocaties sloot ik af met een neuriënde “hmmmmm” als een korte pauze en toen begon ik opnieuw. Het werd een schijnbaar eindeloze aaneenschakeling. De tijd leek stil te staan en mijn herhaling leek wel een gezang dat automatisch werd geproduceerd. Met mijn geestesoog ontwaarde ik mijzelf vanuit de lucht, rond het Duivelsbed maakte ik een perfecte ronde cirkel als van een blauwkleurig aura, een bel die mij afsloot van wat er om mij heen gebeurde. Het was een mentale oefening om de juiste toestand te bereiken. Na een tijdje leek mijn geest weg te drijven, of liever weg te zakken, in het bed van steen.  Ontspannen spieren begonnen gevoelloos te worden en steen en lichaam leken over te lopen in elkaar, alsof mijn geest niet langer gebonden was aan het fysieke. Het gevoel buiten te zijn, op een hard oppervlakte te liggen, was verdwenen. Ik ervoer een zalige warmte en een gevoel dat je kan omschrijven als een soort gewichtloosheid. De desoriëntatie was totaal, alsof ik in een vorig leven ooit op de steen was gaan liggen en ik nu van alles los gekoppeld was, vanuit een superieur perspectief mijn daden als mens bekeek. Dat gevoel, die wetenschap, was op dat moment een onweerlegbare realiteit en niet omdat het voor mij bewezen werd maar omdat ik voelde alsof ik thuis kwam in de echte wereld. Mijn geest leek te drijven in een tijdloos alleswetend universum. Hoewel herinneringen altijd wazig zijn, weet ik zeker dat ik hier verwanten ontmoet uit lang vervlogen tijden.

Nu werd ik weggetrokken met groot geweld uit een cocon van comfort. Alsof je uit een heerlijk warm bed de kou van de nacht moet instappen. Het gevoel dat ik in een afgrond viel was overweldigend. De diepte was enorm, de grijze massa was geen steen meer, maar mistige wolken die mijn gezicht nat maakten, iets trok aan mijn poncho die heen en weer flapperde. En dan abrupt en onverwacht de harde impact wanneer je uit een hoogte valt. Maar in plaats van de verwachte pijn en dood voelde ik alleen maar de schok van het tot stilstand komen in mijn eigen lichaam, de hardheid van de steen onder mijn rug en de regen in mijn gezicht. Mijn hart ging tekeer in mijn borst. Ik keek op mijn vertrouwde Traser Commando op mijn pols. Het was reeds 7u30 en ik had het plots ijskoud. Mijn gezicht was nat, er viel regen.  De koffie was al lang opgebrand en verwaaid, net als de mist. Ik sprong recht met stramme spieren, graaide de poncho weg en goot de kroes uit over de steen. Nadat ik had opgeruimd sprong ik wat op en neer om wat leven in mijn ledematen te brengen. Daarna at ik een klein ontbijt en dronk koffie uit een thermos, ik ging brandstof nodig hebben voor wat ik van plan was. Het duister van het bos staarde mij aan en ik voelde hen, ze waren aangekomen. Nu kon ik ze trots maken.

Mijn ommegang volgde de richting van de zon, zoals het hoorde en bracht me nu over de heuvelrug in de richting van het dorp. Het was de bedoeling een cirkel omheen de offerplek te maken alvorens mijn offer te brengen. De ommegang is een traditie die werd overgenomen in Christelijke gebruiken. Vanuit de oudheid hebben ons indicaties bereikt dat heidenen dit al deden om een plaats te eren of te reinigen, vaak met vuur. Maar ook om een heilig woud te betreden werden rituelen gevolgd. De ommegang toont ons dat de mens zich fysiek inzet om zijn betrokkenheid en motivatie te tonen aan de goden. Het is ook een vorm van respect, van eerbied, aan de geesten wiens huis we betreden. Daarom breng je ook een geschenk mee, een goede gast komt niet met lege handen. En dat het best moeilijk mag zijn, maakt de hele inzet nog mooier en oprechter. Als je ten val komt, dan kruip je. 

De weg ging de helling af, langsheen meer megalieten die schijnbaar achteloos in het landschap waren gedropt. Bij de oude steengroeve hield ik even halt. Pakweg 5000 jaar geleden werden grote blokken puddingsteen hier uit de heuvel ontgonnen. Door de wol geverfde overlevers hadden hun oogst vervoerd naar de vallei, waarschijnlijk langs hetzelfde uitgesleten pad dat ik nu gebruikte. Ik staarde naar het gezicht in de wand van de uitgehakte stenen. Was het een gril van de natuur of had ooit iemand hier een eenogige gebaard hoofd uitgebouwd? Misschien had de godheid zelf wel besloten de locatie te eren door zich te tonen? Ik voelde mij nietig maar sterk in diens aanzicht. De sites in de vallei werden uitgelijnd naar het noorden. De hele omgeving leek bezaaid met verdwaalde megalieten. Ofwel daar achtergelaten door de bouwers, ofwel later verplaatst door andere bewoners van de vallei. Ofwel om praktische redenen ofwel om religieuze redenen, van Belgiekse stammen tot Franken of dienaren van de kerk, van boeren tot gemeentearbeiders, allemaal zullen ze ooit een rol gespeeld hebben in de verstoring van het oorspronkelijke plan. Er zijn mensen die zich hieraan storen. Nu zou ik hen geen ongelijk geven als het gaat om kwaadaardige intenties, bijvoorbeeld om de sacrale aard te verdonkeremanen. Maar wat mij wel belangrijk lijkt, is de continuïteit en evolutie van een heiligdom gelijk in welke vorm. Alles wat deze vallei doorstond heeft ze gemaakt tot wat ze is, haar lot voltrekt zich elke dag. Op dezelfde wijze dat een katholieke ommegang mogelijk zijn oorsprong vind in een heidens ritueel, op dezelfde wijze als een kerk een grafheuvel bekroond en zo ook het sacraal karakter van de heuvel kan bewaren. Zo geloof ik dat wij in onze eigen tijd verder kunnen bouwen op dergelijke plekken. Of, waarom niet, onze eigen nieuwe plekken wijden aan de alven en Asen zoals de stenen kring in Beselare of de godenpaal in Wijnendale of de plaatsen waar jaarlijks Joel en midzomervuren worden aangestoken… 

Er valt wel iets te zeggen over het opeisen van onze oude heiligdommen. Ons lokaal heidens geloof is niet erkend in ons eigen land. Bijgevolg hebben wij als heidenen ook niet echt een stem of een platform dat ons verenigd. Ook erg moeilijk omdat iedereen zijn eigen invulling en label geeft aan zijn spiritualiteit en velen zich niet onder dezelfde noemer willen identificeren. Zo denken we maar aan Keltisch versus Germaans, Asatru versus Saksisch, Noordzee Germanen en Belgae, Druïden en heksen en wat je nog allemaal kan bedenken. De ene is reconstructionist, de andere is traditionalist, er zijn animisten die hun eigen idee hebben omtrent godheden enzovoorts. 

Er zijn te veel verschillende concepten en te veel mensen die liever niet met andere concepten geassocieerd worden, er zal dus waarschijnlijk nooit een overtuigende meerderheid bestaan die groot genoeg is om door de overheid gehoord te worden. Is dit nodig kan men zich afvragen? Misschien niet. Mijn sibbe, mijn grond en de wereld kan me gestolen worden zullen veel mensen denken. Maar hoe kunnen onze tradities en onze heiligdommen die nu al vaak op de helling staan, overleven als ons bestaan onder de radar blijft? Heel wat mensen werken heden actief aan de bewaring van dit erfgoed en ook aan de ontwikkeling van nieuwe tradities. Gezien de beperkingen die we hebben over historische praktijken, zijn we genoodzaakt om wat poëtische vrijheden toe te laten. En ik kan mij perfect inbeelden dat ook in de voor Christelijke tijd, elke stam, elke sibbe, hun eigen tradities en gewoonten hadden ontwikkeld wanneer het op hun spirituele beleving aankwam.  Concepten die niet alleen van streek tot streek kon verschillen maar ook van de ene tijd tot de andere. Er is niets mis mee om de oude gekende concepten bij te sturen zodat ze zijn uitgelijnd met onze hedendaagse leefwereld. Maar het zou toch wel geweldig zijn, als onze huidige uitgebouwde praktijken ook in een verre toekomst nog kunnen getraceerd worden en hun sporen achterlaten in het landschap, net zo goed als 2000 jaar geleden. Ik droom van een erkend inheems heidendom in onze contreien, dat naadloos aansluit bij onze Keltische-Germaanse grondlaag. Twee termen die we misschien wel kunnen vervangen. Want beiden worden eigenlijk erg losjes gebruikt nietwaar? 

Over wat Keltisch is of Germaans kan men uren debatteren. Menig geschiedkundigen zijn het oneens. Wie waren de Kelten? Bestaan er nog Kelten vandaag? En de Germanen? Het concept om beide labels te gebruiken is ons eigenlijk opgedrongen door de Romeinse bronnen en die waren op hun beurt mogelijk ingezet als een politiek wapen dat veroveringen, tegenslagen en territorium moesten verantwoorden aan de senaat. Zo heeft Julius Ceasar de naam Gallica in gebruik genomen om een gebied te benoemen dat in zijn visie een geheel vormde. Een visie die niet noodzakelijk gevormd werd door de lokale stammen en hun relaties of taal, maar misschien wel door de ambities en noden die de Romeinen voorzagen. Desondanks werd de term sinds dan gebruikt, ook nog door moderne wetenschappers, om de bewoners in Gallica als één volk te benoemen met de moderne term Galliërs. De stammen van destijds, net als de Germanen of Kelten, hadden waarschijnlijk nooit hun verschillende federaties als één volk aanschouwd. In tegendeel, we weten dat ze bijna permanent in oorlog waren met andere stammen ondanks gedeelde cultuur. In onze typische Belgische stijl, waren ook de Belgae al niet echt een eenheid. Sommige stammen waren overwegend Germaans in cultuur en andere overwegend Keltisch. Invloeden uit de grensgebieden speelden een grote rol op taal en kunst en traditie. Identitair gingen echter geen van hen zich ooit voorstellen als zijnde een “Kelt” of een “Germaan” maar wel als zijnde lid van een stam. De Bolg, de Belgae, de Oude Belgen, hadden hun eigen inheemse manieren, geloofssysteem en traditie. En ook vandaag hoeven wij niet te parreren met Germaanse of Keltische culturen. Er is niets mis mee om onze bestaande cultuur verder te zetten met de elementen die het overleefd hebben tot op heden. 

Langsheen de Sint-Niklaassteen, een grote rots kwam ik bij het einde van het bos. Ook deze steen was gehuld in mysterie. Genaamd naar een heilige die gebonden is aan de midwintertradities en ons herkenbaar als een spiegelbeeld van Wodan. 

De bomen werden schaarser en het pad bracht mij tussen weilanden. Voor mij uit lag Oppagne. Het pad leidde langs de Kapel van Pas Bayard. Hoewel niet ouder dan 200 jaar, zou de kapel wel op een site van megalieten zijn gebouwd. Een late kerstening van een heidense sacrale plaats? Was er voorheen misschien al een andere kapel of houten kruis om het heidens karakter te bedwingen? Het hoeft niet te verbazen dat de kapel tevens aan de rand van de bewoning werd gebouwd. Alsof ze de mensen aan de rand van het bos moest geruststellen en de kwade geesten uit de oude stenen weghouden. 

In de straat verderop kwam ik langs de Pas Bayard, een megaliet met een opvallend kunstmatig letsel: een lange rechte groef. Volgens de legende heeft het Ros Beijaard met de heemskinderen op de rug, zich hier afgezet om een sprong van 10 kilometer te maken richting Durbuy. Een paard met dergelijke magische kwaliteiten, we denken aan Sleipnir, we denken ook weer aan Sinterklaas, dat kan wel eens een afdruk laten in een rots nietwaar? 

Regen en wind teisterden vooral mijn gezicht nu ik minder beschut werd door hoge bomen. Maar ik verwelkomde elke druppel. 

De menhirs van Oppagne zijn drie rechtopstaande megalieten in een veld. De boom wiens wortels rond de steen zijn verweven hangt her en der getooid met stukjes stof. Om mijn pols zat een bandje met kralen uit een zuiders land die ik lang meedroeg. Het was tijd dat het mijn essentie die het al die tijd had geabsorbeerd, overleverde aan de Ondergaard. Ik vroeg de boom mijn offer over te brengen en vervolgde mijn pad met snelle tred. De ommegang was niet enkel een spirituele kracht, maar ook een fysieke. Gezond voor de geest, gezond voor het lichaam. 

De dolmen van Oppagne begroette mij, gelegen tussen vier bewakers, enorme bomen, lag hij zelfvoldaan en trots, halfverzonken. De achter hoede bewaakt door vier staande menhirs. Een liggende megaliet had een opvallende uitsparing, als een mooi passend stoeltje, al even glad gesleten als het Duivelsbed. 

Bij opgravingen heeft men in de twee dolmens van de vallei allerlei spullen gevonden: een stenen bijl, een ossetand, Romeinse munten, aardewerk, resten van wilde zwijnen, pijlpunten, vuurstenen, menselijke botten van wel meer dan 10 personen en meer. Verschillende culturen zoals de Trechterbekercultuur en Klokbekercultuur hebben hier hun sporen nagelaten maar ook hun latere nakomers waren hier duidelijk actief. Begraafplaats, offerplaats, feestplaats, verzamelplaats, en waarschijnlijk werd hier ook veelvuldig de nacht uitgezeten om raad van de voorouders te ontvangen. 5000 jaar van regelmatig sacrale handelingen, en ik zweer het als je de hand op deze stenen legt, bij het Seelenloch van de dolmen, dan trilt als het ware je bloed met de macht van de geest die hier huist. Ik vulde mijn kroes en goot deze uit over de stenen van de dolmen en nam zelf ook een slok met een gedachte voor al wie mij hier voorging.

De Schaar van Wodan raasde onvermoeid over mij heen, ik groette de stenen en trok verder diep gehuld onder mijn kap, naar de Menhir Denthine en de verderop recent opgegraven megalieten die ook weer in in hun staande positie zijn opgezet.

Het moet een bijzonder soort mens geweest zijn, die voor de tijden van ons gekende comfort en technologie, het land bewoonde. Gehard door ontberingen en strijd, gedreven door gebondenheid en geloof in principes die wij tegenwoordig niet zo vanzelfsprekend vinden. Het sluiten van een verbond, het bieden van loyaliteit, het erkennen van de magie in de dagdagelijkse dingen. En het verwezenlijken van projecten die op het eerste zicht een onmogelijke opdracht lijken zoals het uithouwen, transporteren en plaatsen van gigantische stenen die ook nog eens duizenden jaren stand kunnen houden. Deze mensen leefden met ontzag voor de wereld om hen heen. Kennen wij dit ontzag nog wel? In het bijzonder mensen die gewoon zijn aan stedelijke omgeving, verharde wegen, gegarandeerde dienstverlening van energie, voedsel en communicatie. Daar waar de natuur nog zeggenschap heeft en de mens zich plooit naar diens grillen, daar is de mens nog ondergeschikt. Hoewel wij hier ook nog tegenwoordig worden herinnerd aan wie echt baas is. Overstromingen, windhozen, zelfs klimaatverandering. Is het daarom dat we tegenwoordig uit de wereld van het comfort heidenen treffen die de goden gelijkstellen met zichzelf? Die geen ontzag meer hebben voor natuur of alven? Monster-aanbidders, geweld-verheerlijkers en zelfverklaarde spirituele guru’s … Wat mag van ons worden wanneer wij niet langer ontzag hebben voor natuur, voor alven, voor Asen?

De Dolmen van Wéris is omringd door verschillende megalieten waarvan een aantal een mooie rij vormen ruwweg wijzend naar het noorden. Heel wat geschiedkundigen denken nu dat rijen van megalieten niet persé gelinkt waren aan sterrenbeelden, maar wel met richtingen, of zelfs paden, die mensen dienden te bewandelen om zich in de juiste richting naar de heilige plaats te begeven. Hierbij zou een sterrenbeeld wel kunnen gebruikt worden als referentiepunt maar zou verder geen betekenis hebben. Net als we ook zien in de ommegang, zou het best kunnen dat ook ten tijde van Carnac en Stonehenge, mensen een processie vormden, misschien wel zoals beschreven in Tacitus, met een wagen met daarop een godheid?

Eén opmerkelijke staande steen had op zithoogte een tweede lagere steen ernaast en vormde als het ware een troon. Toeval? In recenter geschiedenis aangepast? Ik mag graag geloven dat deze troon werd gebruikt om te komen “uitzitten”. Net als ik eerder deed op het Duivelsbed. Ik groette het graf en trok verder naar het noorden. De Menhir de Morville en Menhir de Heydt waren mijn twee bakens voor ik aan de laatste etappe begon om de ommegang tot een cirkel te brengen.

De laatste kilometers wogen door, het was niet zozeer de afstand, maar de niet afhoudende wind en regen die mij begon parten te spelen. Mijn gedachten gingen naar het nut van een offer. En niet-gelovigen zullen zich over dit aspect ook grote vragen stellen. Hoe consumeren de goden je offer? Waarom maakt een offer enig verschil? Is het niet achterhaald en dwaas om een offerschaal  ’s avonds te vullen en vervolgens de dag erna te legen of de inhoud te verbranden? Of te begraven? 

Eerst en vooral moeten we aanvaarden dat bepaalde handelingen, bewegingen, rituelen, een verbinding maken met de cosmos om ons heen. En met cosmos bedoel ik niet de planeten, maar het geheel wat ons leven uitmaakt en meer, de niet zichtbare dimensies en krachten die ons leven en wereld doorweven. Als we van het concept van de levensboom uitgaan, de Ermenzuil of Yggdrassil, noem het wat je wil. Dan zien we gewoonlijk dat de spinners van het lot, de schikgodinnen zich bij de wortels bevinden, bij een bron. Zij voeden als het ware de Ermenzuil met wat moet komen. De pilaar van het leven. Het is niet een fysieke zuil op een bereikbare plaats, neen het is hier en nu aanwezig in ons allen om ons heen als het web van wyrd, het stroomt door ons heen alles wat ook wij doen bouwt nieuwe vezels die verder groeien. Wij allen samen zijn de zuil. Wanneer je hout splijt zal je merken dat het uit vezels bestaat, een kluwen van draadjes, als spieren en aders, net als in de kleinste en zachtste planten, is elke vezel een onderdeel dat een weg heeft afgelegd om het groter geheel te vormen. En sommigen vormden takken, andere vruchten, of een stam. En in dit gesplitte stuk hout kan je ook een geschiedenis lezen, tijdringen, ziekten, beschadigingen, als littekens zitten ze overal. Zelfs wormen en ander ongedierte dat zich een weg erdoorheen knaagt. Als dit het leven voorstelt dan herkennen we het concept van Wyrd. Het krachtige energieveld van de cosmos, dat alles verbind. Elke daad heeft een gevolg, elke stap een voetafdruk, zo ook elk woord een impact. Een vloek, een gelukswens, een lief woord, een ontmoeting, een naamgeving, het zijn maar woorden maar toch kunnen ze een diepe indruk nalaten in het leven. We dragen in woorden energie mee die verbonden is met Wyrd. Dus waarom ook niet in onze woorden en handelingen die we stellen voor de goden? Een belofte of een eed werd niet licht opgenomen. Ook vandaag nog maakt een eedaflegging een belangrijk deel uit in onze maatschappij. Een militair, een inspecteur van politie, een bekleder van een officieel ambt, beëdigde ambtenaars, allen leggen zij een eed af waarbij zij hun eer in de schaal leggen. Net als in een huwelijk.  Dit eeuwenoud concept grijp terug naar het belang van de eer. Want zelfs als je niets hebt, kan je nog een groot mens zijn wanneer je eervol bent. En je gedachtengoed kan herinnerd worden, je naam kan voortleven als je een eervol leven leidde. Volgens mij is het stellen van eervolle daden in het leven, een manier om geluk te verzamelen. Het sibbe geluk is essentieel, als een geest die heil of onheil brengt. Voedt de geest met eer en hij zal gedijen.

De ordening der dingen, het lot, de cyclus van de natuur, het wiel van de tijd, ze vormen allen een beweging in de zuil. In de Joeltijd valt alles stil en draaien wij aan het rad om de cyclus weer op gang te brengen. Een magische handeling die zijn effect teweegbrengt in wyrd. Je zou kunnen stellen dat ongeacht ons draaien van het rad of offeren, de ordening nog steeds zijn gang gaat. Maar misschien is dat niet het punt van de handeling, als wel het creëren van een band, een betrokkenheid. Het creëren van eer voor de sibbe, voor de naam, want door de heidense handelingen ben je verbonden met de heidense ordening, erkend als heiden. Ik las eens ergens, ik geloof dat het in een boek van Aat van Gilst was, de term “Germanenkunde”. Het is niet voldoende om te geloven, om heiden te zijn moet je ook handelen en praten. Je moet een wereldaanschouwing bezitten die overeenkomt met de heidense concepten van eer, wyrd, geluk, de aanwezigheid van krachten en eigenheid in alles om je heen en vrede of frithu. Vrede heeft in de heidense aanschouwing een net iets andere invulling. Vrede is de orde die heerst binnen een kring van mensen en in stand wordt gehouden door bepaalde relaties. Zoals het uitwisselen van geschenken of diensten. Uitlenen van een kruiwagen aan je buur, uitwisselen van geschenken met Joel, en ja zelfs nieuwjaarsbrieven en goede voornemens, passen in het afleggen van eed of gelofte die word gehouden om zo vrede te bewaren, orde te bewaren. Zoals wij onze relaties onderhouden met geloftes, geschenken en diensten aan elkaar, zo onderhouden wij ook onze vrede met de alven en Asen. 

De weg begon te klimmen en al gauw bevond ik mij terug tussen de bomen. Vlakbij het Duivelsbed vond ik het pad dat recht omhoog liep tussen rotsen heen. Een groep vrouwen stond om het Duivelsbed in een cirkel, erop lag een dame met de ogen gesloten. Net als ik eerder deze dag. Een dame prevelde woorden, het leek of ze instructies gaf. Het was heerlijk om vast te stellen dat ondanks het slechte weer, verschillende heidenen hier toch actief waren.  

Het pad was steil en ingesleten in de rotsen. Ik beeldde me graag in hoe 1500 jaar geleden, mensen over deze zelfde stenen liepen om de piek van Haina te bereiken. 

De steen lijkt wel op een Thurisaz rune. Volgens sommige onderzoekers was het zelfs de bedoeling hem als dusdanig te vormen. Archeologen zijn het er in elk geval over eens dat de steen bewerkt geweest is, maar hier niet werd neergezet. Hij maakt dus deel uit van de natuurlijke omgeving. 

De steen is uitgelijnd met de andere megalieten en zou mogelijk een referentiepunt geweest zijn bij de bouw van de site zo’n 5000 jaar geleden. Op midzomernacht wordt hij wit gekalkt door de bewoners in een oude traditie. Tot 1900 werd die jaarlijks uitgevoerd, gepaard met een groot feest. Rond de eerste wereldoorlog werd deze stop gezet zoals vele andere gebruiken, maar in 1975 terug ingevoerd. Volgens de legende zou de traditie zijn ontstaan omdat de rots de toegang naar de onderwereld zou afdekken. De duivel zou langs deze weg kunnen worden geroepen en dan de rots omduwen om het land te betreden. Door hem wit te kalken zou deze kleur de duivel afschrikken. 

Uiteraard werden oude heidense cult plekken steeds gedemoniseerd. En vertoeven onze voorouders en alven niet steeds in heuvels? Is wit niet de kleur van de alven? Opmerkelijk ook, dat de zomerzonnewende het moment is dat men kiest om de steen te kalken. Het einde van de winter wordt trouwens ook ingeluid met grote vuren die de kwade geesten terug naar de onderwereld sturen. Het wit kalken lijkt wel zo iets als het sluiten van de deur. En was wit niet ook een belangrijke kleur in de Germaanse spiritualiteit naast rood en zwart? Opmerkelijk ook, is dat door de witte kalk, de steen zeer zichtbaar is vanaf de menhirs in de valei. 

De naam zou mogelijk uit het Keltisch komen en verwijzen naar de ‘voorouder steen’. Nu werd in onze schoolboeken, onder invloed van de kerk en na oorlogse politiek, heel wat Germaanse concepten diplomatisch omgedoopt naar ‘Keltisch’. Echter is er ook een Germaanse godin genaamd Haina en aangezien Wéris oorspronkelijk genoemd is naar Wederik, een Germaanse naam, zou het wel is kunnen dat de naam hier zijn intrede deed. Verschillende Duitse plaatsnamen herinneren ons aan de cultus rond Haina en ook is er een mythologie overgeleverd. In het bijzonder die van het dorpje Hain, waar de bewoners een beeld van de godin aanbaden nabij een grote eik in een heilig bos. De offers die gebracht werden stonden voornamelijk in het teken van agricultuur. (Toevallig was ook agricultuur prominent op de vlakte van Wéris) De kerk was radeloos toen na vele pogingen de heidenen hun godin nog steeds vereerden. Ze veldden de eik en lieten het beeld zinken in een moeras en bouwden een kapel om de heidense plaats te kerstenen. Maar desondanks bleven de heidenen het heilige bos intrekken om daar te offeren. De kerk ging een stapje verder en begroef dode dieren op allerlei plaatsen in het bos op geringe diepte. De ondiepe grave werden al gauw weer opengehaald door wilde dieren waardoor de rottende kadavers een vreselijk geur verspreidden. Dit weerde wel veel heidenen waardoor de cultplaats uitdoofde.

Of men in Wéris ooit zo ver is moeten gaan om de heidenen te weren van de Haina steen, weten we niet. Maar in elk geval zijn de heidenen nu terug. 

Het plateau achter de Haina steen is geschikt om te kamperen, je kan er sporen vinden van herhaaldelijk gebruik van een vuurput en slijtage op heel wat rotsen toont dat ze vaak gebruikt werden om op te zitten. Wat hogerop een ander plateau met meer rotsen en een mooi zicht op de Haina steen. Ik bleef even staan om alles in mij op te nemen. Als het weer beter was, dan had een kampvuur een mooie afsluiter geweest. Ik plaatste de rugzak bij een rots en begon de rode winterharde vruchten te verzamelen die in de omgeving groeide. Ik bracht ze naar de uitgeholde ruimte in de rots aan de voet van de steen, zonder twijfel de plek waar traditioneel offers gebracht worden. Ik vulde mijn schaal met het laatste van de wijn en plaatste deze naast de offerput in de rots. Een vuur maken zou nu niet lukken in dit weer, dan had ik op zijn minst droog hout moeten voorzien. Maar een kaars in een glas was geen probleem. Ik draaide de vlam drie maal over mijn offers in de richting dat de zon over de hemel gaat en vroeg Arduinna om mijn offer te wijden. Ik aanriep Haina en nodigde haar uit mijn offer te ontvangen. Ik nam even de tijd om mijn hoofd leeg te maken. De wind blies mij recht in het gezicht. Ik raakte de steen aan en voelde de kracht die daar al eeuwenlang huisde. De bomen prevelden in hun taal. 

“Haina, hier sta ik ter uwer ere, een offer voor uw nalatenschap en wijsheid, een offer voor uw daden en bijstand.”

Ik nam de schaal en goot deze uit over de offerholte met de vruchten. Ik sprenkelde wat van het vocht op de steen. 

Voldaan ging ik zitten op een rots. Mijn lichaam vermoeid van de korte nacht en woelige tocht. Maar mijn geest opgeladen, bijna extatisch. Mijn oog viel op een wegwijzer, een houten paalt met bordje die het pad aanwijst. Met mijn zakmes markeerde ik de paal met een teken dat elk ander heiden zou begrijpen. Een rune die het sacraal karakter van de plek benadrukt.

Het bewaren van onze sacrale plekken zou een missie moeten zijn voor elk heiden. Niet enkel uit het standpunt van erfgoed, maar uit het standpunt van praktiseren, van spirituele traditie. De goden waren niet enkel belichaamde wezens uit de hemel zoals velen ze nog steeds zien maar nog veel meer. 

Rivieren, bergen, wouden, waren naar hen genoemd niet omdat ze daar vereerd werden, maar omdat ze dit hun eigenheid was als het ware. Arduinna is niet enkel de godin van het woud, ze is het woud. 

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram