Het klappen van de winter: knaptanden, kostuums en Katuit in Dendermonde

De Dendermondse knaptanden vormen een bijzonder stukje levende folklore waarin spel, geluid en oude symboliek samenvloeien tot een gebruik dat veel dieper reikt dan het louter zichtbare spektakel. Wanneer ze op straat verschijnen tijdens stoeten en volksfeesten, brengen ze niet alleen beweging en lawaai, maar ook een echo van oeroude rituelen met wortels in de heidense midwintertradities van onze streken.

Het kenmerkende element van de knaptanden is het ritmische, harde geklap dat ze voortbrengen. Dat geluid sluit aan bij een eeuwenoud gebruik waarbij lawaai werd ingezet om de duisternis en het kwaad te verdrijven. Tijdens de midwinterperiode — wanneer de dagen het kortst zijn — trokken mensen er traditioneel op uit met ratels, bellen en andere klankmakers. Men geloofde dat dit lawaai boze geesten verdreef en tegelijk de terugkeer van het licht kon bespoedigen. In die zin passen de knaptanden binnen deze midwintergebruiken, waarin overgang, bescherming en hernieuwing centraal staan.

Ook de kostuums spelen een belangrijke rol. Net zoals bij andere Europese wintertradities vervormen ze de menselijke gestalte en plaatsen ze de drager in een tussentoestand: tussen mens en het onbekende. Maskers, ruwe materialen en soms dierlijke elementen verwijzen naar een tijd waarin vermomming een rituele functie had: bescherming bieden, het kwade misleiden en contact leggen met een wereld die men niet volledig kon begrijpen. Tegelijk gaf die vermomming ruimte aan speelsheid en het tijdelijk loslaten van sociale regels.

Een van de momenten waarop deze traditie zichtbaar wordt, is tijdens Katuit, de jaarlijkse stoet van Dendermonde. Op het eerste gezicht lijkt het paradoxaal dat elementen met een duidelijke midwinteroorsprong hier opduiken, aangezien Katuit plaatsvindt in de nazomer. Toch is die aanwezigheid goed te verklaren.

Wanneer de oude seizoensrituelen doorheen de eeuwen hun oorspronkelijke religieuze betekenis verloren, werden ze niet afgeschaft, maar opgenomen in het volksleven en verplaatst naar andere feestmomenten. De kalender van de gemeenschap veranderde: in plaats van strikt gebonden te blijven aan midwinter, kregen deze gebruiken een nieuwe plaats binnen grotere stedelijke feesten en stoeten. Katuit groeide uit tot zo’n moment waarop verschillende lagen van erfgoed samenkomen, los van hun oorspronkelijke tijdstip.

Daarnaast speelt ook de functie van Katuit zelf een rol. Het is geen religieus feest, maar een viering van stedelijke identiteit en collectief geheugen. Daardoor biedt het ruimte aan uiteenlopende tradities, ook die met oudere, heidense wortels. De knaptanden passen daarin perfect: hun lawaai, hun beweging en hun visuele kracht maken hen tot een levendig element dat het publiek aanspreekt en tegelijk een brug slaat met het verleden.

Men zou kunnen zeggen dat de midwinter hier niet meer letterlijk in de kalender zit, maar symbolisch wordt meegedragen. De strijd tussen donker en licht, de nood aan bescherming en de kracht van gemeenschap zijn thema’s die niet gebonden zijn aan één seizoen. In Katuit worden ze opnieuw tot leven gebracht, zij het in een andere context en met een andere betekenislaag.

Vandaag worden de knaptanden en hun verschijning tijdens Katuit vooral gezien als erfgoed en traditie. Toch blijft hun diepere oorsprong voelbaar. In elke klap en elk kostuum leeft een oude gedachte voort: dat mensen, door samen geluid te maken en zich tijdelijk anders voor te doen, hun plaats in de wereld kunnen bevestigen en beïnvloeden.

Zo blijven de Dendermondse knaptanden — zelfs buiten de winter — een ritmische herinnering aan een ver verleden, die elk jaar opnieuw weerklinkt in de straten van Dendermonde.

Rien Poortvliet en zijn bijdrage aan het heidendom

Wanneer men spreekt over de culturele wortels van het moderne heidendom in de Lage Landen, worden vaak namen genoemd van schrijvers, mythologen en onderzoekers van volkscultuur. Minder vaak wordt gedacht aan de kunstenaar Rien Poortvliet. Toch heeft deze Nederlandse illustrator een opmerkelijke invloed gehad op de manier waarop duizenden mensen opnieuw naar natuur, folklore en de oude Europese verbeeldingswereld zijn gaan kijken. Hoewel Poortvliet zelf geen heidense leermeester was en zich nooit heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger van een bepaalde spirituele stroming, heeft zijn werk een diepgaande invloed gehad op de heropleving van natuurspiritualiteit en het herontdekken van het voorchristelijke erfgoed van Europa.

Rien Poortvliet beschouwde zichzelf niet als kunstenaar maar als een “tekenend verteller”. Zijn werk werd gekenmerkt door een uitzonderlijk oog voor detail, een grote liefde voor dieren en een diep respect voor het plattelandsleven. Hij bracht talloze uren door in bossen, velden en natuurgebieden, waar hij dieren observeerde en schetste. Die intense verbondenheid met de levende natuur vormt de kern van vrijwel zijn gehele oeuvre. Zijn tekeningen tonen geen natuur als decor voor menselijke activiteiten, maar als een zelfstandige wereld met een eigen waarde en waardigheid.

Juist deze visie sluit nauw aan bij een van de fundamentele uitgangspunten van het heidendom: de overtuiging dat de mens onderdeel is van de natuur en niet erboven staat. In veel heidense tradities wordt de natuur beschouwd als bezield en heilig. De seizoenen, de plantenwereld, de dieren en de landschappen vormen niet slechts materiële verschijnselen, maar zijn dragers van betekenis en spirituele waarde. Hoewel Poortvliet hierover niet expliciet religieuze uitspraken deed, ademt zijn werk dezelfde eerbied voor het natuurlijke leven. Zijn illustraties nodigen uit tot verwondering, aandacht en respect voor de wereld om ons heen.

De grootste invloed van Poortvliet op het moderne heidendom kwam echter voort uit zijn samenwerking met schrijver Wil Huygen. In 1976 verscheen Leven en werken van de Kabouter, een boek dat wereldwijd miljoenen lezers bereikte en in meer dan twintig talen werd vertaald. Het boek werd geschreven als een quasi-wetenschappelijke studie van kabouters, compleet met beschrijvingen van hun geschiedenis, anatomie, gewoonten en levenswijze. De gedetailleerde illustraties van Poortvliet maakten deze wereld buitengewoon geloofwaardig.

Wat dit boek zo bijzonder maakte, was niet alleen de fantasie, maar vooral de manier waarop kabouters werden voorgesteld als beschermers van de natuur. Zij leefden verborgen tussen bomen en wortels, hielpen dieren in nood, respecteerden het evenwicht van de natuur en namen nooit meer dan zij werkelijk nodig hadden. In deze voorstelling herkennen veel hedendaagse heidenen onmiddellijk elementen van hun eigen wereldbeeld. De kabouter werd niet neergezet als een sprookjesfiguur, maar als een vertegenwoordiger van een oudere, natuurlijke wijsheid die door de moderne mens grotendeels vergeten was.

Daarmee sloot Poortvliet onbewust aan bij een lange Europese traditie van natuurwezens en landgeesten. In Germaanse, Keltische en Scandinavische volksverhalen komen immers talloze figuren voor die nauw verwant zijn aan zijn kabouters: alfen, elfen, dwergen, woudgeesten en huisgeesten. Deze wezens vormden eeuwenlang een vanzelfsprekend onderdeel van het volksgeloof. Met de opkomst van rationalisme en industrialisatie verdwenen zij geleidelijk naar de achtergrond. Poortvliet gaf deze oude beelden echter opnieuw een gezicht en bracht ze terug in het collectieve bewustzijn van een moderne generatie.

Nog duidelijker wordt zijn betekenis voor natuurspiritualiteit in het vervolgboek De oproep der Kabouters uit 1981. In dit verhaal worden Poortvliet en Huygen door de kabouters naar het hoge noorden geroepen. Daar vernemen zij de zorgen van de natuurwezens over de toestand van de aarde. De centrale boodschap van het boek is dat de mens door zijn gedrag het natuurlijke evenwicht verstoort en daardoor niet alleen de natuur, maar uiteindelijk ook zichzelf beschadigt.

Deze ecologische boodschap was opvallend vooruitstrevend voor haar tijd. Lang voordat duurzaamheid een breed maatschappelijk thema werd, wezen de kabouters van Poortvliet al op ontbossing, vervuiling en de vervreemding van de mens van de natuur. Moderne heidense stromingen hebben vaak een sterke ecologische component en beschouwen natuurbescherming zelfs als een spirituele verantwoordelijkheid. Daardoor werd De oproep der Kabouters door velen ervaren als meer dan een fantasieverhaal; het werd een pleidooi voor een andere houding tegenover de aarde.

Ook zijn afbeeldingen van het oude plattelandsleven spreken veel mensen aan die zich aangetrokken voelen tot heidense tradities. In boeken zoals Langs het tuinpad van mijn vaderen schilderde Poortvliet een wereld waarin het leven nog sterk verbonden was met de seizoenen, het land, de gemeenschap en traditionele gebruiken. Dit verlangen naar wortels, verbondenheid en eenvoud is eveneens herkenbaar binnen veel moderne heidense bewegingen. Het gaat daarbij niet om nostalgie alleen, maar om het besef dat oude levenswijzen vaak uitgingen van een diepere relatie tussen mens en omgeving.

Het bijzondere aan Poortvliet is dat zijn invloed vooral emotioneel en verbeeldend was. Hij schreef geen religieuze verhandelingen en ontwikkelde geen spiritueel systeem. Wat hij deed, was wellicht nog krachtiger: hij gaf mensen beelden die hun gevoel voor verwondering wakker maakten. Zijn bossen, dieren en kabouters riepen het gevoel op dat er achter de zichtbare werkelijkheid nog iets anders aanwezig is; een oude, mysterieuze laag waarin mens en natuur nog met elkaar verbonden zijn. Voor velen vormde juist dat gevoel een eerste stap naar interesse in folklore, mythologie en uiteindelijk ook heidense spiritualiteit.

Daarom kan worden gesteld dat Rien Poortvliet geen heiden was in de betekenis van een religieus leider of ideoloog. Zijn bijdrage ligt elders. Hij gaf een gezicht aan de geest van het woud, aan de wijsheid van oude volksverhalen en aan de heiligheid van de natuur. Door zijn kunst herinnerde hij duizenden mensen eraan dat de wereld meer kan zijn dan wat met het blote oog zichtbaar is. In die zin heeft hij een blijvende plaats verworven binnen de culturele voedingsbodem van het moderne Europese heidendom. Zijn werk blijft tot op vandaag een bron van inspiratie voor iedereen die in bossen, dieren en oude verhalen iets van het heilige weet te herkennen.

Wanneer het Land Spreekt: Heidense Gebruiken in de Oogstmaand

Oogstmaand, zijnde augustus, was in het oude volksgeloof geen gewone periode, maar een tijd doordrongen van symboliek, rituelen en diepgewortelde heidense overtuigingen. Het was het moment waarop de eerste oogst werd binnengehaald en waarin men de krachten van de natuur niet alleen praktisch, maar ook spiritueel ervoer. De velden werden niet enkel gezien als voedselbron, maar als bezield terrein, bewoond door geesten en doordrongen van levenskracht.

In het volksgeloof leefde sterk het idee dat het graan zelf een ziel bezat — vaak voorgesteld als een korengeest of veldwezen. Tijdens de Oogstmaand werd bijzonder voorzichtig omgegaan met het maaien, omdat men geloofde dat deze geest zich terugtrok in het laatste stukje graan dat nog overeind stond. Daarom werd het laatste deel van het veld met zorg en ritueel gemaaid. De laatste schof werd vaak gevlochten tot een pop of kroon, bekend als de korenmoeder of oogstfiguur, waarin men de levenskracht van het veld dacht vast te houden. Deze werd bewaard in huis of schuur om het volgende jaar opnieuw vruchtbaarheid te brengen.

Ook het laten staan van enkele halmen graan was een bekend gebruik. Dit werd gezien als een offer voor de veldgeesten, zodat zij niet volledig verdreven werden en het land vruchtbaar zouden blijven houden. In sommige streken werden kleine stukjes brood, bier of melk op het veld achtergelaten — een duidelijk teken van wederkerigheid tussen mens en natuur.

Feesten in de Oogstmaand droegen een uitgesproken heidens karakter. De gemeenschap kwam samen om de eerste opbrengsten te delen, maar dit gebeurde zelden zonder ceremonie. Het bakken van het eerste brood uit nieuw graan had een rituele betekenis: men at als het ware de kracht van het land op en nam die in zich op. Vaak werd dit brood gebroken en gedeeld, wat niet alleen samenhorigheid symboliseerde, maar ook de kringloop van leven en sterven benadrukte.

Daarnaast kende het volksgeloof tal van kleine gebruiken en bijgeloof. Zo geloofde men dat de laatste maaier ongeluk kon dragen, omdat die degene was die de geest van het veld ‘verjoeg’. Om dit te verzachten, werden speelse rituelen gedaan waarbij men elkaar probeerde de rol van laatste af te schuiven. In sommige regio’s werd de “laatste slag” zelfs gevierd of bespot, afhankelijk van de lokale traditie.

Ook vuur en zon speelden een belangrijke rol. Oogstvuren werden ontstoken om de afnemende zonnekracht te ondersteunen en kwade invloeden op afstand te houden. De vlammen stonden symbool voor bescherming en zuivering, maar ook voor het besef dat het licht langzaam terrein verloor. In dit spanningsveld tussen overvloed en naderende schaarste kreeg de maand haar bijzondere lading.

Verder leefde het geloof dat tijdens de Oogstmaand de grens tussen werelden subtiel verschuift. Voorouders en landgeesten stonden dichter bij de levenden, en hun invloed werd sterker gevoeld. Men eerde hen met kleine offers en momenten van stilte, vaak zonder groot ceremonieel, maar diep geworteld in gewoonte en respect.

De Oogstmaand in augustus was zo een tijd waarin arbeid, geloof en bijgeloof volledig met elkaar verweven waren. Elk gebaar op het veld kon een rituele betekenis dragen, en elke handeling weerspiegelde een oud besef: dat de mens niet boven de natuur stond, maar er deel van uitmaakte. In deze tradities leeft een wereldbeeld voort waarin dankbaarheid, ontzag en verbondenheid met het land centraal staan — een erfenis van een tijd waarin het zichtbare en het onzichtbare nog naadloos in elkaar overliepen.

Hooimaand: Wanneer de Aarde Geeft en de Mens Neemt

De Hooimaand, de oude naam voor juli, is voor onze voorouders een heilige tijd waarin arbeid, zonnekracht en vruchtbaarheid samenvloeien tot één groot levend geheel. Hoewel de zon haar hoogste troon reeds bereikt heeft rond midzomer in de voorafgaande Zomermaand, blijft haar vurige adem nog sterk nazinderen in deze dagen. De aarde staat vol leven, zwaar van groei, en de mens weet dat dit het keerpunt is: nu wordt geoogst wat de goddelijke krachten hebben doen rijpen.

Want zo wordt de wereld gezien: niet als een dode grond, maar als een bezielde werkelijkheid. De velden ademen, de wind spreekt, en het gras dat men maait is een gave — maar ook een offer dat men met eerbied aanneemt.

Elke ochtend, nog voor de dauw volledig van het land is geweken, trekken mannen en vrouwen naar buiten, gewapend met zeis en riek. Het ritmische geluid van staal door gras klinkt als een oud lied, een echo van generaties die hetzelfde werk verrichten onder dezelfde zon. Het hooien is zwaar en eist het lichaam op, maar tegelijk is het doordrongen van betekenis. Want in elke haal van de zeis ligt het besef besloten dat men samenwerkt met de krachten van boven en beneden: de zonnegloed en de voedende aarde.

De Hooimaand staat niet los van wat eraan voorafgaat. Midzomer, het zonnewendefeest rond 21 juni, is nog voelbaar aanwezig. De vuren die dan op heuvels en akkers branden — gewijd aan de zon en haar levenschenkende macht — gloeien symbolisch voort in het werk van juli. In sommige streken blijven deze vuren nog branden of worden ze opnieuw ontstoken, als een levend teken dat het licht nog niet geweken is. Men kent het vuur zuiverende en beschermende kracht toe: het houdt het duister op afstand, dat onvermijdelijk weer groeit naarmate het jaar vordert.

Bij het begin van het maaien worden rituelen niet vergeten. Het eerste gras dat valt onder de zeis wordt niet achteloos behandeld. Men legt het apart, soms in een kleine bundel, als een offergave aan de landgeesten, de Alven of de voorouders. Dit gebaar is geen bijgeloof, maar een erkenning van wederkerigheid: de mens neemt, maar moet ook geven. In oude overlevering leeft het besef dat er een geest in het graan en het gras woont — een wezen dat men niet mag krenken. Wie te gulzig of respectloos oogst, riskeert misoogst of ongeluk.

Ook de aanwezigheid van landwichten en veldgeesten wordt ernstig genomen. Aan de randen van akkers laat men kleine offers achter: een stuk brood, een scheut melk, soms een slok bier. Dit zijn geschenken voor de onzichtbare bewoners van het land, opdat zij het werk zegenen en geen kwaad in de oogst brengen. In de schemering, wanneer het licht zachter wordt en de grens tussen werelden dunner lijkt, voelt men hun nabijheid het sterkst.

De kennis van kruiden en hun verborgen krachten bereikt in deze periode een hoogtepunt. Men weet dat planten, geplukt onder de invloed van de zomerse zon — vooral rond en na midzomer — bezield zijn met een bijzondere kracht. Kruiden zoals sint-janskruid, bijvoet en duizendblad worden verzameld en gebundeld. Zij dienen als bescherming tegen ziekte, bliksem en kwade invloeden. Men hangt ze boven deuropeningen, verwerkt ze in drank of draagt ze op het lichaam, als kleine amuletten van de natuur zelf.

Wanneer het hooi gedroogd en binnengehaald is, valt er een andere stilte over het land — niet leeg, maar vervuld. Dan breekt de tijd aan van gemeenschap en dankbaarheid. Men komt samen in eenvoud, rond vuur en tafel. Er wordt gegeten van wat het land heeft gegeven, er klinken liederen die ouder zijn dan men zich kan herinneren, en er wordt gedanst op het ritme van trom en voetstap. Deze bijeenkomsten zijn geen louter vermaak, maar een herbevestiging van het behoren tot dezelfde kring: mens, land en geest.

In de Hooimaand staat de mens dus midden in de schepping, niet erboven. Hij werkt, zweet en oogst, maar weet dat hij nooit alleen handelt. Alles is verweven: de baan van de zon, het groeien van het gras, de adem van de wind en het ritme van het menselijk hart.

Zo draagt deze maand een dubbele aard: zij is zowel een tijd van overvloed als een stille herinnering aan de vergankelijkheid. Want terwijl het hooi wordt binnengehaald, weet men ook dat het licht langzaam keert. En precies daarom wordt elke warme dag, elke volle schuur en elke gezamenlijke maaltijd beleefd met een diepe, bijna sacrale dankbaarheid.

Storm, Strijd en Lot: De Noordse Heidense Kunst van Arbo

De Noorse schilder Peter Nicolai Arbo (1831–1892) is een van de belangrijkste kunstenaars die het Germaanse en Noordse heidendom op indringende wijze tot leven hebben gebracht in de 19e-eeuwse schilderkunst. Zijn oeuvre staat volledig in het teken van de herontdekking van de Oudnoorse mythologie, een beweging die nauw verbonden was met het romantisch nationalisme in Scandinavië. In zijn werken verbeeldt Arbo een wereld van goden, helden en bovennatuurlijke krachten, waarin het heidense wereldbeeld centraal staat en de natuur, het noodlot en het bovenaardse onlosmakelijk met elkaar verweven zijn.

Arbo’s bekendste schilderijen, zoals Åsgårdsreien (De Wilde Jacht van Odin), tonen scènes die rechtstreeks ontleend zijn aan de Noordse mythologie. In dit werk raast een woeste stoet van goden, geesten en krijgers door de nachtelijke hemel, aangevoerd door Odin, de oppergod. Dit motief van de Wilde Jacht is diep geworteld in het Germaanse heidendom en symboliseert de ongrijpbare en vaak angstaanjagende krachten van het universum. Arbo weet deze energie meesterlijk vast te leggen in een dynamische compositie vol beweging, waarin paarden, wapens en wervelende figuren samensmelten tot een visionair tafereel. De mens verschijnt hier niet als heerser over de natuur, maar als deel van een oncontroleerbare kosmische orde.

Naast Odin en de Wilde Jacht putte Arbo uit een breed scala aan mythologische figuren en verhalen. Hij schilderde Walkuren, die volgens de heidense traditie gesneuvelde krijgers naar het Walhalla begeleiden, en scènes waarin goden en helden optreden binnen een wereld die beheerst wordt door strijd, eer en het onafwendbare noodlot (wyrd). Deze thematiek weerspiegelt een fundamenteel aspect van het heidense denken: het besef dat zelfs de goden onderworpen zijn aan een kosmische wetmatigheid, die uiteindelijk uitmondt in de ondergang van de wereld, zoals beschreven in de Ragnarök-mythe.

Visueel onderscheidt Arbo zich door zijn dramatische gebruik van licht en kleur, dat vaak een bijna bovennatuurlijke intensiteit heeft. Zijn hemelpartijen zijn stormachtig en geladen, zijn landschappen ruig en ongetemd. Deze natuur fungeert niet als achtergrond, maar als actieve kracht die de handelingen van goden en mensen ondersteunt en versterkt. In die zin sluit zijn werk nauw aan bij het heidense idee van een bezielde wereld, waarin elke boom, berg of storm een eigen kracht en betekenis kan dragen.

Arbo’s figuren zijn heroïsch en idealiserend, maar nooit losgezongen van hun mythische context. De Walkuren zweven met een ijzige vastberadenheid door de lucht, vaak gehuld in harnassen die hun rol als strijders benadrukken. Odin verschijnt als een visionaire en soms dreigende figuur, een god van wijsheid en oorlog, die zowel schepper als vernietiger is. Deze ambivalente voorstelling van goddelijke krachten sluit nauw aan bij het Germaanse heidendom, waarin goden niet louter goed of kwaad zijn, maar complexe en vaak tegenstrijdige eigenschappen bezitten.

In de bredere culturele context van de 19e eeuw speelde Arbo een belangrijke rol in de visuele herwaardering van de Noordse mythologie. In een tijd waarin nationale identiteiten werden gevormd, bood het heidense verleden een bron van inspiratie en trots. Zijn schilderijen dragen daardoor niet alleen een artistieke, maar ook een ideologische dimensie: ze verbinden het toenmalige Noorwegen met een diep, mythisch verleden en geven vorm aan een collectief geheugen dat geworteld is in heidense tradities.

Samenvattend kan worden gesteld dat het werk van Peter Nicolai Arbo een krachtige en levendige verbeelding biedt van het Germaanse heidendom. Door zijn dynamische composities, dramatische sfeer en diepgaande mythologische thematiek slaagt hij erin een wereld op te roepen waarin goden, natuurkrachten en het noodlot de toon zetten. Zijn schilderijen vormen daarmee niet alleen een esthetische ervaring, maar ook een toegangspoort tot een archaïsch wereldbeeld waarin de mens deel uitmaakt van een groter, bezield universum.

Vuur, Zon en Aarde: De Heidense Ziel van Sint-Jan en Zijn Gezellen

In de zomermaand – wanneer het licht op zijn hoogtepunt staat en de aarde haar volle adem uitblaast – vloeien oude heidense ritmes en latere heiligennamen in elkaar over tot één levend geheel. Wat wij vandaag kennen als de feesten van Sint-Cunera, Sint-Vitus, Sint-Jan en Sint-Petrus en Paulus, draagt duidelijk de sporen van een ouder, dieper wereldbeeld waarin zon, aarde, water en vuur als heilige krachten werden vereerd. In deze tijd van overvloed en rijping wordt de mens als het ware opgenomen in de kringloop van groei, kracht en langzaam afnemend licht.

De cyclus opent rond 12 juni met Sint-Cunera, een figuur die bijzonder sterk de echo draagt van voorchristelijke vrouwengestalten. In haar herkennen we trekken van oude moedergodinnen en beschermgeesten van het land: hoedsters van akker, huis en gemeenschap. Haar verering, vaak met processies en beschermende rituelen, kan gezien worden als een voortzetting van oeroude tradities waarin men de aarde zelf eerde als voedende moeder. Symbolisch draagt Cunera het weefwerk van het leven: zij verbindt mensen met elkaar en met de vruchtbaarheid van het land. Het weven, beschermen en verzorgen zijn hier geen toevallige beelden, maar verwijzen naar de cyclische orde van de natuur zelf, waarin alles met elkaar verstrengeld is.

Kort daarna volgt Sint-Vitus op 15 juni, een feest waarin de wilde levenskracht van de vroege zomer tot uiting komt. Vitus wordt traditioneel verbonden met dans, zenuwkracht en extase – verschijnselen die in heidense rituelen essentieel waren. In extatische dansen zochten mensen verbinding met de levenskracht die door alles stroomt. Dit was geen chaos, maar een heilige roes: een manier om disharmonie uit het lichaam te verdrijven en opnieuw af te stemmen op de ritmes van de natuur. De zogenaamde “Sint-Vitusdans” weerspiegelt oude trancepraktijken waarin lichaam en geest één werden met de pulserende energie van de aarde. In deze periode van groeiende gewassen en lange dagen is beweging een eerbetoon aan het leven zelf.

Het stralende middelpunt van deze cyclus ligt bij Sint-Jan op 24 juni, het feest dat bijna samenvalt met de zomerzonnewende. Hier bereikt de zon haar hoogste kracht, en dat werd al ver vóór het christendom gevierd met grootse rituelen. De Sint-Jansvuren zijn wellicht het meest zichtbare overblijfsel daarvan: vuren die de zon op aarde weerspiegelen, haar kracht versterken en beschermen tegen het naderende afnemen van het licht. Het springen over het vuur staat symbool voor zuivering, moed en hernieuwing. Rook en as golden als krachtig tegen ziekte en onheil.

Daarnaast is deze nacht doordrongen van kruidenmagie. Planten zoals sint-janskruid, bijvoet en duizendblad worden op dit moment geplukt omdat men gelooft dat zij dan hun hoogste levenskracht dragen. Deze kruiden werden gebruikt voor genezing, bescherming en zelfs waarzeggerij. Ook water kreeg een bijzondere betekenis: dauw, bronnen en rivieren werden als bezield beschouwd, en baden in het eerste ochtendlicht stond symbool voor wedergeboorte. Het is een moment waarop vuur en water – ogenschijnlijk tegengestelde elementen – samenkomen als bronnen van leven en zuivering.

Aan het einde van deze zomerse spanningsboog vinden we Sint-Petrus en Sint-Paulus op 29 juni, een tweevoudig feest dat in heidense zin een overgang markeert. De zon heeft haar keerpunt gepasseerd; de dagen blijven warm, maar het licht begint langzaam af te nemen. Dit is het begin van een subtiele verschuiving van uitbundige groei naar bewaring en ordening.

Petrus, met zijn sleutels, draagt het archetype van de poortwachter. In oude tradities vinden we vergelijkbare figuren die de doorgang tussen werelden bewaken: tussen licht en duister, leven en dood, zomer en herfst. Zijn sleutels openen niet alleen hemelse poorten, maar symboliseren ook de kennis van cycli en grenzen – wanneer iets moet groeien en wanneer het beschermd moet worden.

Paulus daarentegen belichaamt de reiziger en verkondiger, een figuur die verwant is aan de oude “grenswandelaar” of listige bemiddelaar: degene die tussen werelden beweegt, kennis draagt en veranderingen teweegbrengt. Hij staat symbool voor het verspreiden van inzicht, voor het vuur van inspiratie dat zich uitbreidt zoals zaad dat wordt uitgezaaid. Samen vormen Petrus en Paulus een tweeluik van afsluiten en openen, bewaren en verspreiden.

Ook in de gebruiken rond dit feest vinden we oudere lagen terug: vis als symbool van leven uit het water, en water zelf als bron van vruchtbaarheid en oorsprong. In sommige streken werden rivieren gezegend of bezocht, wat herinnert aan prechristelijke waterculten waarin bronnen en meren als heilig werden beschouwd.

Wanneer men deze hele periode in haar geheel bekijkt, ontvouwt zich een rijk en samenhangend heidens perspectief op de zomermaand:

  • Aarde (Cunera) – vruchtbaarheid, bescherming, het weven van leven
  • Lichaam en beweging (Vitus) – extase, dans, levenskracht
  • Vuur en zon (Jan) – hoogtepunt, zuivering, magie en genezing
  • Overgang en balans (Petrus en Paulus) – grenzen, kennis, verspreiding

De symboliek is diep verweven:
Kransen van bloemen weerspiegelen de cyclus van groei en vergankelijkheid.
Vuren op heuvels verbinden hemel en aarde.
Water en dauw brengen genezing en vruchtbaarheid.
Dans en zang roepen de levenskracht op.
Sleutels en poorten herinneren aan overgangen tussen werelden.

Zo blijkt dat de zomermaand geen reeks losse feestdagen is, maar een heilige tijd waarin de mens zich afstemt op de adem van de natuur. De heiligen zijn als maskers die oude krachten blijven dragen: de zon die brandt, de aarde die voedt, het water dat heelt en de geest die beweegt tussen werelden. In dat licht is de zomer niet enkel een seizoen, maar een ritueel op zich – een jaarlijkse herbevestiging van het leven in al zijn overvloed en vergankelijkheid.

Mijmeringen in de vallei van Wiederik

Hoewel het ochtend was, had het winterse daglicht veel moeite om door het ongure weer te dringen. Het woud lag er grijs en duister bij, met een erg laag en donker wolkendek, striemende regen en windvlagen. Wodan’s Heir scheerde over daken en boomtoppen, razend wild met een hevig geraas. Wie enigszins kon bleef wijselijk binnenskamers. Maar niet ik. Ik had een missie. Een smal pad, dat meer leek op een kloof die werd uitgehold door water dat van de helling liep, bezaaid met keien, modder en dennennaalden was de laatste 100 meter mijn pad. Onvermoeid bleef ik stijgen, met modder tot over de enkels. Ik wist dat Arduinna toekeek. Het was haar woud, haar heiligdom. En ik zou haar niet teleurstellen. Mijn wollen muts, broek en de legerparka deden hardnekkig hun best het vocht buiten te houden. Ik trok mijn buff wat hoger en stelde mijn rugzak bij. Later vandaag zou ik bij een warme haard zitten met een mok hete thee of misschien een frisse Wérisienne. Maar nu zou ik het stellen met koude wind en regen. 

Ik heb altijd al van de natuur gehouden, maar toen ik nog mocht genieten van de geneugten van het logement bij Defensie als landsknecht, heb ik menig dag en nacht in een nat bos doorgebracht, verkleumd en vloekend. Wat toen een vervelende ervaring was, zoek ik nu net op. Zoals velen ben ik begonnen met een altaar. Daar is niets mee natuurlijk, maar al snel voelde ik een verlangen naar meer. Door het lezen van de juiste boeken en ontmoetingen met de juiste mensen, openbaarde zich voor mij een nieuwe wereld in het heidendom. Heilige wouden, mistige heuvels, natte stenen ouder dan de jaartelling, daar kan je terugkeren naar de mysteries die ooit onze voorouders begeesterden. Daar kan je nog de bosgeesten ontdekken, de nekkers, de alven en misschien wel de Asen. Extreem weer, lijkt mijn ervaring alleen maar te versterken.

Links van mij weken de bomen en over een wei kon ik in de vallei van Wedericia (ook “Wederik”- “Wiederik”) ontwaren. Het is moeilijk te bevatten, maar het Waals dialect dat ooit gesproken werd in deze streken, lag eigenlijk dichter bij onze Germaanse talen dan bij de Romaanse. Het Waals is is ontstaan uit een mix van Keltisch, Gallo Romaans en Frankisch. De verfransing trad pas veel later echt op in 1795 onder Franse heerschappij. 

Velden en bomen, met een snel bewegend laaghangend wolkendek, barre takken wezen de richting aan waarin Meneer de Wind reisde. Ik stelde scherp op de wolken. Figuren leken zich te vormen en weer te verdwijnen, in een constante molen van wind, alsof de onderkant van de wolkendeken tentakels kreeg die de malende bewegingen van ledematen van  paarden en mannen imiteerden. In de massieve muur van de wolk staken donkere en grijze kleurenpallets zich tegen elkaar af. Een donkerblauwe wolken flard rees langs de flank van een grijze regenwolk omhoog als een tweeledig gevorkte tak. De ene rechtop de andere schuin en gebogen als een kromme wijzende vinger. Het leek wel een man te paard. Door het voortdrijven van de wolk boog de ruiter zijn hoofd en strekte het paard de nek, zoals je zou verwachten wanneer een paard van lichte draf naar galop schakelt. Ik knikte. Vandaag reisde ik niet alleen, maar mijn gezelschap was niet van Middengaard afkomstig. 

Zelfverzekerd klom ik verder langsheen hoge sparren en dennen. Het woud slokte me opnieuw op en het daglicht werd nog zwakker achter de donkere basten. De geur van het bos was verkwikkend. De wereld werd buitengesloten, alles kromp naar mijn huidig bestaan. Ik bereikte de top van de heuvel liep over een breder pad. In de schaduwen van de bomen aan weerszijden van de weg zag ik vage schaduwen met mij meebewegen in de periferie van mijn zicht. Het was nutteloos er recht naar te staren want dan zag je ze niet. Ik maakte mij geen zorgen, want ik wist wie ze waren.

Eerder in de nacht, nadat ik mijn wagen op een modderig pad had geparkeerd, had ik het Duivelsbed opgezocht. 

De megaliet bestaat uit twee delen, een kleinere steen rechtop vormt het hoofdeinde en een rechthoekige liggende steen vormt het bed, dat lijkt zelfs beslapen omdat het kuipvormig is en het anders ongelijke oppervlak van de puddingsteen is hier mooi effen en glad alsof het over lange tijd werd afgesleten door de bezoekers die het hadden beslapen. Het Duivelsbed maakt deel uit van de zogenaamde “Legendestenen” uit de vallei. Hoewel hun connectie met de megalieten en dolmens enigszins een grijze zone betreft, kunnen we niet ontkennen dat de aard van deze steen een heidens verleden moet hebben. Volgens de legende gebruikt de duivel de megaliet als zijn bed om te rusten voor hij terug keert naar de onderwereld. De kerk waarschuwde de bewoners om niet op de steen te zitten, anders kwam de duivel je halen. Nogal herkenbare elementen die je kan verwachten bij een demonisatie van een heidens sacrale plaats door toedoen van de kerk. 

Mijn zaklamp scheen op het duivelsbed. De volle maan gloeide ergens tussen de bomen, belemmerd door een mistig waas. Ik was erg vroeg opgestaan, wat ik van plan was moest bij nacht gebeuren. Het weer was nog niet zo onstuimig, maar alles was wel nat. Ik drapeerde een militaire poncho over de steen en haalde een schaal en fles uit mijn rugzak. In de schaal goot ik  de inhoud van een klein zakje koffie. Een zelfgemaakte tondel, een kluwen van houtschilfers die werden gedoopt in kaarsvet en gekneed tot een bal, stak ik aan met een lucifer en deponeerde in de schaal. De koffie begon te smeulen. Ik had liever graan of wierook gebruikt maar door omstandigheden had ik enkel koffie bij de hand en ik vertrouwde erop dat het net zo goed was. De fles goot ik in een kroes die ik bij de voet van het bed naast de schaal zette waarna ik een flinke teug uit de fles dronk. Met een leder touw bond ik de wolventand om mijn pols en knoopte hem drie maal in een bijzonder patroon. Ik ging liggen op de poncho, stopte mijn zaklamp weg en trok de poncho over mij heen als een deken om mijn lichaamswarmte te behouden. Ik luisterde naar het bos en rook de geur van brandende koffie. De wind roerde wat takken maar het was nog niets vergeleken met wat de ochtend zou brengen. Ik begon met een meditatie om mijn bewustzijn te vertragen en in de juiste gemoedstoestand te verkeren. Mijn focus verplaatste van mijn lichaam naar de steen. De temperatuur flirtte met het vriespunt maar ik had geen handschoenen aan zodat ik ze onder me kon stoppen om de steen te voelen. Ik aanriep Arduinna, nodigde haar uit deze steen te bezoeken en om mijn offer van wijn te aanvaarden en mij te verwelkomen onder deze maan in de aanloop naar Joel.  Ik vroeg mijn voorouders het offer van koffie te aanvaarden en mij te vergezellen op deze ommegang. Ik aanriep de wolf in mij, ontboden door Wodan en als geïnitieerde van het verbond de Wolfhetan. Hierna herhaalde ik drie maal het woord Ansuz, vervolgens nog eens drie maal en dan weer drie maal. Een cyclus van negen invocaties sloot ik af met een neuriënde “hmmmmm” als een korte pauze en toen begon ik opnieuw. Het werd een schijnbaar eindeloze aaneenschakeling. De tijd leek stil te staan en mijn herhaling leek wel een gezang dat automatisch werd geproduceerd. Met mijn geestesoog ontwaarde ik mijzelf vanuit de lucht, rond het Duivelsbed maakte ik een perfecte ronde cirkel als van een blauwkleurig aura, een bel die mij afsloot van wat er om mij heen gebeurde. Het was een mentale oefening om de juiste toestand te bereiken. Na een tijdje leek mijn geest weg te drijven, of liever weg te zakken, in het bed van steen.  Ontspannen spieren begonnen gevoelloos te worden en steen en lichaam leken over te lopen in elkaar, alsof mijn geest niet langer gebonden was aan het fysieke. Het gevoel buiten te zijn, op een hard oppervlakte te liggen, was verdwenen. Ik ervoer een zalige warmte en een gevoel dat je kan omschrijven als een soort gewichtloosheid. De desoriëntatie was totaal, alsof ik in een vorig leven ooit op de steen was gaan liggen en ik nu van alles los gekoppeld was, vanuit een superieur perspectief mijn daden als mens bekeek. Dat gevoel, die wetenschap, was op dat moment een onweerlegbare realiteit en niet omdat het voor mij bewezen werd maar omdat ik voelde alsof ik thuis kwam in de echte wereld. Mijn geest leek te drijven in een tijdloos alleswetend universum. Hoewel herinneringen altijd wazig zijn, weet ik zeker dat ik hier verwanten ontmoet uit lang vervlogen tijden.

Nu werd ik weggetrokken met groot geweld uit een cocon van comfort. Alsof je uit een heerlijk warm bed de kou van de nacht moet instappen. Het gevoel dat ik in een afgrond viel was overweldigend. De diepte was enorm, de grijze massa was geen steen meer, maar mistige wolken die mijn gezicht nat maakten, iets trok aan mijn poncho die heen en weer flapperde. En dan abrupt en onverwacht de harde impact wanneer je uit een hoogte valt. Maar in plaats van de verwachte pijn en dood voelde ik alleen maar de schok van het tot stilstand komen in mijn eigen lichaam, de hardheid van de steen onder mijn rug en de regen in mijn gezicht. Mijn hart ging tekeer in mijn borst. Ik keek op mijn vertrouwde Traser Commando op mijn pols. Het was reeds 7u30 en ik had het plots ijskoud. Mijn gezicht was nat, er viel regen.  De koffie was al lang opgebrand en verwaaid, net als de mist. Ik sprong recht met stramme spieren, graaide de poncho weg en goot de kroes uit over de steen. Nadat ik had opgeruimd sprong ik wat op en neer om wat leven in mijn ledematen te brengen. Daarna at ik een klein ontbijt en dronk koffie uit een thermos, ik ging brandstof nodig hebben voor wat ik van plan was. Het duister van het bos staarde mij aan en ik voelde hen, ze waren aangekomen. Nu kon ik ze trots maken.

Mijn ommegang volgde de richting van de zon, zoals het hoorde en bracht me nu over de heuvelrug in de richting van het dorp. Het was de bedoeling een cirkel omheen de offerplek te maken alvorens mijn offer te brengen. De ommegang is een traditie die werd overgenomen in Christelijke gebruiken. Vanuit de oudheid hebben ons indicaties bereikt dat heidenen dit al deden om een plaats te eren of te reinigen, vaak met vuur. Maar ook om een heilig woud te betreden werden rituelen gevolgd. De ommegang toont ons dat de mens zich fysiek inzet om zijn betrokkenheid en motivatie te tonen aan de goden. Het is ook een vorm van respect, van eerbied, aan de geesten wiens huis we betreden. Daarom breng je ook een geschenk mee, een goede gast komt niet met lege handen. En dat het best moeilijk mag zijn, maakt de hele inzet nog mooier en oprechter. Als je ten val komt, dan kruip je. 

De weg ging de helling af, langsheen meer megalieten die schijnbaar achteloos in het landschap waren gedropt. Bij de oude steengroeve hield ik even halt. Pakweg 5000 jaar geleden werden grote blokken puddingsteen hier uit de heuvel ontgonnen. Door de wol geverfde overlevers hadden hun oogst vervoerd naar de vallei, waarschijnlijk langs hetzelfde uitgesleten pad dat ik nu gebruikte. Ik staarde naar het gezicht in de wand van de uitgehakte stenen. Was het een gril van de natuur of had ooit iemand hier een eenogige gebaard hoofd uitgebouwd? Misschien had de godheid zelf wel besloten de locatie te eren door zich te tonen? Ik voelde mij nietig maar sterk in diens aanzicht. De sites in de vallei werden uitgelijnd naar het noorden. De hele omgeving leek bezaaid met verdwaalde megalieten. Ofwel daar achtergelaten door de bouwers, ofwel later verplaatst door andere bewoners van de vallei. Ofwel om praktische redenen ofwel om religieuze redenen, van Belgiekse stammen tot Franken of dienaren van de kerk, van boeren tot gemeentearbeiders, allemaal zullen ze ooit een rol gespeeld hebben in de verstoring van het oorspronkelijke plan. Er zijn mensen die zich hieraan storen. Nu zou ik hen geen ongelijk geven als het gaat om kwaadaardige intenties, bijvoorbeeld om de sacrale aard te verdonkeremanen. Maar wat mij wel belangrijk lijkt, is de continuïteit en evolutie van een heiligdom gelijk in welke vorm. Alles wat deze vallei doorstond heeft ze gemaakt tot wat ze is, haar lot voltrekt zich elke dag. Op dezelfde wijze dat een katholieke ommegang mogelijk zijn oorsprong vind in een heidens ritueel, op dezelfde wijze als een kerk een grafheuvel bekroond en zo ook het sacraal karakter van de heuvel kan bewaren. Zo geloof ik dat wij in onze eigen tijd verder kunnen bouwen op dergelijke plekken. Of, waarom niet, onze eigen nieuwe plekken wijden aan de alven en Asen zoals de stenen kring in Beselare of de godenpaal in Wijnendale of de plaatsen waar jaarlijks Joel en midzomervuren worden aangestoken… 

Er valt wel iets te zeggen over het opeisen van onze oude heiligdommen. Ons lokaal heidens geloof is niet erkend in ons eigen land. Bijgevolg hebben wij als heidenen ook niet echt een stem of een platform dat ons verenigd. Ook erg moeilijk omdat iedereen zijn eigen invulling en label geeft aan zijn spiritualiteit en velen zich niet onder dezelfde noemer willen identificeren. Zo denken we maar aan Keltisch versus Germaans, Asatru versus Saksisch, Noordzee Germanen en Belgae, Druïden en heksen en wat je nog allemaal kan bedenken. De ene is reconstructionist, de andere is traditionalist, er zijn animisten die hun eigen idee hebben omtrent godheden enzovoorts. 

Er zijn te veel verschillende concepten en te veel mensen die liever niet met andere concepten geassocieerd worden, er zal dus waarschijnlijk nooit een overtuigende meerderheid bestaan die groot genoeg is om door de overheid gehoord te worden. Is dit nodig kan men zich afvragen? Misschien niet. Mijn sibbe, mijn grond en de wereld kan me gestolen worden zullen veel mensen denken. Maar hoe kunnen onze tradities en onze heiligdommen die nu al vaak op de helling staan, overleven als ons bestaan onder de radar blijft? Heel wat mensen werken heden actief aan de bewaring van dit erfgoed en ook aan de ontwikkeling van nieuwe tradities. Gezien de beperkingen die we hebben over historische praktijken, zijn we genoodzaakt om wat poëtische vrijheden toe te laten. En ik kan mij perfect inbeelden dat ook in de voor Christelijke tijd, elke stam, elke sibbe, hun eigen tradities en gewoonten hadden ontwikkeld wanneer het op hun spirituele beleving aankwam.  Concepten die niet alleen van streek tot streek kon verschillen maar ook van de ene tijd tot de andere. Er is niets mis mee om de oude gekende concepten bij te sturen zodat ze zijn uitgelijnd met onze hedendaagse leefwereld. Maar het zou toch wel geweldig zijn, als onze huidige uitgebouwde praktijken ook in een verre toekomst nog kunnen getraceerd worden en hun sporen achterlaten in het landschap, net zo goed als 2000 jaar geleden. Ik droom van een erkend inheems heidendom in onze contreien, dat naadloos aansluit bij onze Keltische-Germaanse grondlaag. Twee termen die we misschien wel kunnen vervangen. Want beiden worden eigenlijk erg losjes gebruikt nietwaar? 

Over wat Keltisch is of Germaans kan men uren debatteren. Menig geschiedkundigen zijn het oneens. Wie waren de Kelten? Bestaan er nog Kelten vandaag? En de Germanen? Het concept om beide labels te gebruiken is ons eigenlijk opgedrongen door de Romeinse bronnen en die waren op hun beurt mogelijk ingezet als een politiek wapen dat veroveringen, tegenslagen en territorium moesten verantwoorden aan de senaat. Zo heeft Julius Ceasar de naam Gallica in gebruik genomen om een gebied te benoemen dat in zijn visie een geheel vormde. Een visie die niet noodzakelijk gevormd werd door de lokale stammen en hun relaties of taal, maar misschien wel door de ambities en noden die de Romeinen voorzagen. Desondanks werd de term sinds dan gebruikt, ook nog door moderne wetenschappers, om de bewoners in Gallica als één volk te benoemen met de moderne term Galliërs. De stammen van destijds, net als de Germanen of Kelten, hadden waarschijnlijk nooit hun verschillende federaties als één volk aanschouwd. In tegendeel, we weten dat ze bijna permanent in oorlog waren met andere stammen ondanks gedeelde cultuur. In onze typische Belgische stijl, waren ook de Belgae al niet echt een eenheid. Sommige stammen waren overwegend Germaans in cultuur en andere overwegend Keltisch. Invloeden uit de grensgebieden speelden een grote rol op taal en kunst en traditie. Identitair gingen echter geen van hen zich ooit voorstellen als zijnde een “Kelt” of een “Germaan” maar wel als zijnde lid van een stam. De Bolg, de Belgae, de Oude Belgen, hadden hun eigen inheemse manieren, geloofssysteem en traditie. En ook vandaag hoeven wij niet te parreren met Germaanse of Keltische culturen. Er is niets mis mee om onze bestaande cultuur verder te zetten met de elementen die het overleefd hebben tot op heden. 

Langsheen de Sint-Niklaassteen, een grote rots kwam ik bij het einde van het bos. Ook deze steen was gehuld in mysterie. Genaamd naar een heilige die gebonden is aan de midwintertradities en ons herkenbaar als een spiegelbeeld van Wodan. 

De bomen werden schaarser en het pad bracht mij tussen weilanden. Voor mij uit lag Oppagne. Het pad leidde langs de Kapel van Pas Bayard. Hoewel niet ouder dan 200 jaar, zou de kapel wel op een site van megalieten zijn gebouwd. Een late kerstening van een heidense sacrale plaats? Was er voorheen misschien al een andere kapel of houten kruis om het heidens karakter te bedwingen? Het hoeft niet te verbazen dat de kapel tevens aan de rand van de bewoning werd gebouwd. Alsof ze de mensen aan de rand van het bos moest geruststellen en de kwade geesten uit de oude stenen weghouden. 

In de straat verderop kwam ik langs de Pas Bayard, een megaliet met een opvallend kunstmatig letsel: een lange rechte groef. Volgens de legende heeft het Ros Beijaard met de heemskinderen op de rug, zich hier afgezet om een sprong van 10 kilometer te maken richting Durbuy. Een paard met dergelijke magische kwaliteiten, we denken aan Sleipnir, we denken ook weer aan Sinterklaas, dat kan wel eens een afdruk laten in een rots nietwaar? 

Regen en wind teisterden vooral mijn gezicht nu ik minder beschut werd door hoge bomen. Maar ik verwelkomde elke druppel. 

De menhirs van Oppagne zijn drie rechtopstaande megalieten in een veld. De boom wiens wortels rond de steen zijn verweven hangt her en der getooid met stukjes stof. Om mijn pols zat een bandje met kralen uit een zuiders land die ik lang meedroeg. Het was tijd dat het mijn essentie die het al die tijd had geabsorbeerd, overleverde aan de Ondergaard. Ik vroeg de boom mijn offer over te brengen en vervolgde mijn pad met snelle tred. De ommegang was niet enkel een spirituele kracht, maar ook een fysieke. Gezond voor de geest, gezond voor het lichaam. 

De dolmen van Oppagne begroette mij, gelegen tussen vier bewakers, enorme bomen, lag hij zelfvoldaan en trots, halfverzonken. De achter hoede bewaakt door vier staande menhirs. Een liggende megaliet had een opvallende uitsparing, als een mooi passend stoeltje, al even glad gesleten als het Duivelsbed. 

Bij opgravingen heeft men in de twee dolmens van de vallei allerlei spullen gevonden: een stenen bijl, een ossetand, Romeinse munten, aardewerk, resten van wilde zwijnen, pijlpunten, vuurstenen, menselijke botten van wel meer dan 10 personen en meer. Verschillende culturen zoals de Trechterbekercultuur en Klokbekercultuur hebben hier hun sporen nagelaten maar ook hun latere nakomers waren hier duidelijk actief. Begraafplaats, offerplaats, feestplaats, verzamelplaats, en waarschijnlijk werd hier ook veelvuldig de nacht uitgezeten om raad van de voorouders te ontvangen. 5000 jaar van regelmatig sacrale handelingen, en ik zweer het als je de hand op deze stenen legt, bij het Seelenloch van de dolmen, dan trilt als het ware je bloed met de macht van de geest die hier huist. Ik vulde mijn kroes en goot deze uit over de stenen van de dolmen en nam zelf ook een slok met een gedachte voor al wie mij hier voorging.

De Schaar van Wodan raasde onvermoeid over mij heen, ik groette de stenen en trok verder diep gehuld onder mijn kap, naar de Menhir Denthine en de verderop recent opgegraven megalieten die ook weer in in hun staande positie zijn opgezet.

Het moet een bijzonder soort mens geweest zijn, die voor de tijden van ons gekende comfort en technologie, het land bewoonde. Gehard door ontberingen en strijd, gedreven door gebondenheid en geloof in principes die wij tegenwoordig niet zo vanzelfsprekend vinden. Het sluiten van een verbond, het bieden van loyaliteit, het erkennen van de magie in de dagdagelijkse dingen. En het verwezenlijken van projecten die op het eerste zicht een onmogelijke opdracht lijken zoals het uithouwen, transporteren en plaatsen van gigantische stenen die ook nog eens duizenden jaren stand kunnen houden. Deze mensen leefden met ontzag voor de wereld om hen heen. Kennen wij dit ontzag nog wel? In het bijzonder mensen die gewoon zijn aan stedelijke omgeving, verharde wegen, gegarandeerde dienstverlening van energie, voedsel en communicatie. Daar waar de natuur nog zeggenschap heeft en de mens zich plooit naar diens grillen, daar is de mens nog ondergeschikt. Hoewel wij hier ook nog tegenwoordig worden herinnerd aan wie echt baas is. Overstromingen, windhozen, zelfs klimaatverandering. Is het daarom dat we tegenwoordig uit de wereld van het comfort heidenen treffen die de goden gelijkstellen met zichzelf? Die geen ontzag meer hebben voor natuur of alven? Monster-aanbidders, geweld-verheerlijkers en zelfverklaarde spirituele guru’s … Wat mag van ons worden wanneer wij niet langer ontzag hebben voor natuur, voor alven, voor Asen?

De Dolmen van Wéris is omringd door verschillende megalieten waarvan een aantal een mooie rij vormen ruwweg wijzend naar het noorden. Heel wat geschiedkundigen denken nu dat rijen van megalieten niet persé gelinkt waren aan sterrenbeelden, maar wel met richtingen, of zelfs paden, die mensen dienden te bewandelen om zich in de juiste richting naar de heilige plaats te begeven. Hierbij zou een sterrenbeeld wel kunnen gebruikt worden als referentiepunt maar zou verder geen betekenis hebben. Net als we ook zien in de ommegang, zou het best kunnen dat ook ten tijde van Carnac en Stonehenge, mensen een processie vormden, misschien wel zoals beschreven in Tacitus, met een wagen met daarop een godheid?

Eén opmerkelijke staande steen had op zithoogte een tweede lagere steen ernaast en vormde als het ware een troon. Toeval? In recenter geschiedenis aangepast? Ik mag graag geloven dat deze troon werd gebruikt om te komen “uitzitten”. Net als ik eerder deed op het Duivelsbed. Ik groette het graf en trok verder naar het noorden. De Menhir de Morville en Menhir de Heydt waren mijn twee bakens voor ik aan de laatste etappe begon om de ommegang tot een cirkel te brengen.

De laatste kilometers wogen door, het was niet zozeer de afstand, maar de niet afhoudende wind en regen die mij begon parten te spelen. Mijn gedachten gingen naar het nut van een offer. En niet-gelovigen zullen zich over dit aspect ook grote vragen stellen. Hoe consumeren de goden je offer? Waarom maakt een offer enig verschil? Is het niet achterhaald en dwaas om een offerschaal  ’s avonds te vullen en vervolgens de dag erna te legen of de inhoud te verbranden? Of te begraven? 

Eerst en vooral moeten we aanvaarden dat bepaalde handelingen, bewegingen, rituelen, een verbinding maken met de cosmos om ons heen. En met cosmos bedoel ik niet de planeten, maar het geheel wat ons leven uitmaakt en meer, de niet zichtbare dimensies en krachten die ons leven en wereld doorweven. Als we van het concept van de levensboom uitgaan, de Ermenzuil of Yggdrassil, noem het wat je wil. Dan zien we gewoonlijk dat de spinners van het lot, de schikgodinnen zich bij de wortels bevinden, bij een bron. Zij voeden als het ware de Ermenzuil met wat moet komen. De pilaar van het leven. Het is niet een fysieke zuil op een bereikbare plaats, neen het is hier en nu aanwezig in ons allen om ons heen als het web van wyrd, het stroomt door ons heen alles wat ook wij doen bouwt nieuwe vezels die verder groeien. Wij allen samen zijn de zuil. Wanneer je hout splijt zal je merken dat het uit vezels bestaat, een kluwen van draadjes, als spieren en aders, net als in de kleinste en zachtste planten, is elke vezel een onderdeel dat een weg heeft afgelegd om het groter geheel te vormen. En sommigen vormden takken, andere vruchten, of een stam. En in dit gesplitte stuk hout kan je ook een geschiedenis lezen, tijdringen, ziekten, beschadigingen, als littekens zitten ze overal. Zelfs wormen en ander ongedierte dat zich een weg erdoorheen knaagt. Als dit het leven voorstelt dan herkennen we het concept van Wyrd. Het krachtige energieveld van de cosmos, dat alles verbind. Elke daad heeft een gevolg, elke stap een voetafdruk, zo ook elk woord een impact. Een vloek, een gelukswens, een lief woord, een ontmoeting, een naamgeving, het zijn maar woorden maar toch kunnen ze een diepe indruk nalaten in het leven. We dragen in woorden energie mee die verbonden is met Wyrd. Dus waarom ook niet in onze woorden en handelingen die we stellen voor de goden? Een belofte of een eed werd niet licht opgenomen. Ook vandaag nog maakt een eedaflegging een belangrijk deel uit in onze maatschappij. Een militair, een inspecteur van politie, een bekleder van een officieel ambt, beëdigde ambtenaars, allen leggen zij een eed af waarbij zij hun eer in de schaal leggen. Net als in een huwelijk.  Dit eeuwenoud concept grijp terug naar het belang van de eer. Want zelfs als je niets hebt, kan je nog een groot mens zijn wanneer je eervol bent. En je gedachtengoed kan herinnerd worden, je naam kan voortleven als je een eervol leven leidde. Volgens mij is het stellen van eervolle daden in het leven, een manier om geluk te verzamelen. Het sibbe geluk is essentieel, als een geest die heil of onheil brengt. Voedt de geest met eer en hij zal gedijen.

De ordening der dingen, het lot, de cyclus van de natuur, het wiel van de tijd, ze vormen allen een beweging in de zuil. In de Joeltijd valt alles stil en draaien wij aan het rad om de cyclus weer op gang te brengen. Een magische handeling die zijn effect teweegbrengt in wyrd. Je zou kunnen stellen dat ongeacht ons draaien van het rad of offeren, de ordening nog steeds zijn gang gaat. Maar misschien is dat niet het punt van de handeling, als wel het creëren van een band, een betrokkenheid. Het creëren van eer voor de sibbe, voor de naam, want door de heidense handelingen ben je verbonden met de heidense ordening, erkend als heiden. Ik las eens ergens, ik geloof dat het in een boek van Aat van Gilst was, de term “Germanenkunde”. Het is niet voldoende om te geloven, om heiden te zijn moet je ook handelen en praten. Je moet een wereldaanschouwing bezitten die overeenkomt met de heidense concepten van eer, wyrd, geluk, de aanwezigheid van krachten en eigenheid in alles om je heen en vrede of frithu. Vrede heeft in de heidense aanschouwing een net iets andere invulling. Vrede is de orde die heerst binnen een kring van mensen en in stand wordt gehouden door bepaalde relaties. Zoals het uitwisselen van geschenken of diensten. Uitlenen van een kruiwagen aan je buur, uitwisselen van geschenken met Joel, en ja zelfs nieuwjaarsbrieven en goede voornemens, passen in het afleggen van eed of gelofte die word gehouden om zo vrede te bewaren, orde te bewaren. Zoals wij onze relaties onderhouden met geloftes, geschenken en diensten aan elkaar, zo onderhouden wij ook onze vrede met de alven en Asen. 

De weg begon te klimmen en al gauw bevond ik mij terug tussen de bomen. Vlakbij het Duivelsbed vond ik het pad dat recht omhoog liep tussen rotsen heen. Een groep vrouwen stond om het Duivelsbed in een cirkel, erop lag een dame met de ogen gesloten. Net als ik eerder deze dag. Een dame prevelde woorden, het leek of ze instructies gaf. Het was heerlijk om vast te stellen dat ondanks het slechte weer, verschillende heidenen hier toch actief waren.  

Het pad was steil en ingesleten in de rotsen. Ik beeldde me graag in hoe 1500 jaar geleden, mensen over deze zelfde stenen liepen om de piek van Haina te bereiken. 

De steen lijkt wel op een Thurisaz rune. Volgens sommige onderzoekers was het zelfs de bedoeling hem als dusdanig te vormen. Archeologen zijn het er in elk geval over eens dat de steen bewerkt geweest is, maar hier niet werd neergezet. Hij maakt dus deel uit van de natuurlijke omgeving. 

De steen is uitgelijnd met de andere megalieten en zou mogelijk een referentiepunt geweest zijn bij de bouw van de site zo’n 5000 jaar geleden. Op midzomernacht wordt hij wit gekalkt door de bewoners in een oude traditie. Tot 1900 werd die jaarlijks uitgevoerd, gepaard met een groot feest. Rond de eerste wereldoorlog werd deze stop gezet zoals vele andere gebruiken, maar in 1975 terug ingevoerd. Volgens de legende zou de traditie zijn ontstaan omdat de rots de toegang naar de onderwereld zou afdekken. De duivel zou langs deze weg kunnen worden geroepen en dan de rots omduwen om het land te betreden. Door hem wit te kalken zou deze kleur de duivel afschrikken. 

Uiteraard werden oude heidense cult plekken steeds gedemoniseerd. En vertoeven onze voorouders en alven niet steeds in heuvels? Is wit niet de kleur van de alven? Opmerkelijk ook, dat de zomerzonnewende het moment is dat men kiest om de steen te kalken. Het einde van de winter wordt trouwens ook ingeluid met grote vuren die de kwade geesten terug naar de onderwereld sturen. Het wit kalken lijkt wel zo iets als het sluiten van de deur. En was wit niet ook een belangrijke kleur in de Germaanse spiritualiteit naast rood en zwart? Opmerkelijk ook, is dat door de witte kalk, de steen zeer zichtbaar is vanaf de menhirs in de valei. 

De naam zou mogelijk uit het Keltisch komen en verwijzen naar de ‘voorouder steen’. Nu werd in onze schoolboeken, onder invloed van de kerk en na oorlogse politiek, heel wat Germaanse concepten diplomatisch omgedoopt naar ‘Keltisch’. Echter is er ook een Germaanse godin genaamd Haina en aangezien Wéris oorspronkelijk genoemd is naar Wederik, een Germaanse naam, zou het wel is kunnen dat de naam hier zijn intrede deed. Verschillende Duitse plaatsnamen herinneren ons aan de cultus rond Haina en ook is er een mythologie overgeleverd. In het bijzonder die van het dorpje Hain, waar de bewoners een beeld van de godin aanbaden nabij een grote eik in een heilig bos. De offers die gebracht werden stonden voornamelijk in het teken van agricultuur. (Toevallig was ook agricultuur prominent op de vlakte van Wéris) De kerk was radeloos toen na vele pogingen de heidenen hun godin nog steeds vereerden. Ze veldden de eik en lieten het beeld zinken in een moeras en bouwden een kapel om de heidense plaats te kerstenen. Maar desondanks bleven de heidenen het heilige bos intrekken om daar te offeren. De kerk ging een stapje verder en begroef dode dieren op allerlei plaatsen in het bos op geringe diepte. De ondiepe grave werden al gauw weer opengehaald door wilde dieren waardoor de rottende kadavers een vreselijk geur verspreidden. Dit weerde wel veel heidenen waardoor de cultplaats uitdoofde.

Of men in Wéris ooit zo ver is moeten gaan om de heidenen te weren van de Haina steen, weten we niet. Maar in elk geval zijn de heidenen nu terug. 

Het plateau achter de Haina steen is geschikt om te kamperen, je kan er sporen vinden van herhaaldelijk gebruik van een vuurput en slijtage op heel wat rotsen toont dat ze vaak gebruikt werden om op te zitten. Wat hogerop een ander plateau met meer rotsen en een mooi zicht op de Haina steen. Ik bleef even staan om alles in mij op te nemen. Als het weer beter was, dan had een kampvuur een mooie afsluiter geweest. Ik plaatste de rugzak bij een rots en begon de rode winterharde vruchten te verzamelen die in de omgeving groeide. Ik bracht ze naar de uitgeholde ruimte in de rots aan de voet van de steen, zonder twijfel de plek waar traditioneel offers gebracht worden. Ik vulde mijn schaal met het laatste van de wijn en plaatste deze naast de offerput in de rots. Een vuur maken zou nu niet lukken in dit weer, dan had ik op zijn minst droog hout moeten voorzien. Maar een kaars in een glas was geen probleem. Ik draaide de vlam drie maal over mijn offers in de richting dat de zon over de hemel gaat en vroeg Arduinna om mijn offer te wijden. Ik aanriep Haina en nodigde haar uit mijn offer te ontvangen. Ik nam even de tijd om mijn hoofd leeg te maken. De wind blies mij recht in het gezicht. Ik raakte de steen aan en voelde de kracht die daar al eeuwenlang huisde. De bomen prevelden in hun taal. 

“Haina, hier sta ik ter uwer ere, een offer voor uw nalatenschap en wijsheid, een offer voor uw daden en bijstand.”

Ik nam de schaal en goot deze uit over de offerholte met de vruchten. Ik sprenkelde wat van het vocht op de steen. 

Voldaan ging ik zitten op een rots. Mijn lichaam vermoeid van de korte nacht en woelige tocht. Maar mijn geest opgeladen, bijna extatisch. Mijn oog viel op een wegwijzer, een houten paalt met bordje die het pad aanwijst. Met mijn zakmes markeerde ik de paal met een teken dat elk ander heiden zou begrijpen. Een rune die het sacraal karakter van de plek benadrukt.

Het bewaren van onze sacrale plekken zou een missie moeten zijn voor elk heiden. Niet enkel uit het standpunt van erfgoed, maar uit het standpunt van praktiseren, van spirituele traditie. De goden waren niet enkel belichaamde wezens uit de hemel zoals velen ze nog steeds zien maar nog veel meer. 

Rivieren, bergen, wouden, waren naar hen genoemd niet omdat ze daar vereerd werden, maar omdat ze dit hun eigenheid was als het ware. Arduinna is niet enkel de godin van het woud, ze is het woud. 

De heidense wortels van de ijsheiligen

Binnen het Germaanse wereldbeeld werd de tijd niet ervaren als een neutrale opeenvolging van dagen, maar als een levende cyclus van krachten waarin seizoenen elkaar aflosten via spanningsvolle overgangen. Vooral het voorjaar werd gezien als een onstabiele en potentieel gevaarlijke fase. De winter was geen louter meteorologisch gegeven, maar een werkzame macht, verbonden met dood, stilstand en vijandige wezens. Dat hij zich tot diep in het voorjaar nog eenmaal kon laten gelden, werd als volkomen logisch ervaren.

In Germaanse samenlevingen geloofde men dat de natuur bevolkt was door wættir, land‑ en weergeesten die verbonden waren aan specifieke plaatsen en tijden. Kou, rijp en late vorst waren geen toeval, maar tekenen dat bepaalde krachten nog niet waren geweken. Het einde van de winter moest zich als het ware losmaken uit hun greep. Dat verklaart waarom men midden mei als een kritische drempel beschouwde: de zon stond al hoog, het leven keerde terug, maar de oude machten hielden nog weerstand. In sommige sagen en volksvoorstellingen verschijnt deze spanning als een laatste strijd tussen winter en zomer, waarbij de zomer pas na weerstand en offers zijn rechtmatige plaats inneemt.

Binnen dat kader was voorzichtigheid geen angst, maar wijsheid. Het uitstellen van zaaien en uitplanten werd gezien als een vorm van eerbied voor het ritme van de wereld. Wie te vroeg handelde, overtrad niet alleen praktische regels, maar ook de kosmische orde. Jonge planten golden als bijzonder kwetsbaar voor schadelijke invloeden; ze stonden “open” voor kouwe wættir of kwade windgeesten. Men geloofde dat een enkele nacht met rijp, toegeschreven aan deze krachten, een hele oogst kon “breken”.

Rond deze periode bestonden bij de Germanen beschermende gebruiken die sterk doen denken aan wat later rond de ijsheiligen bleef voortleven. Het ontsteken van vuren diende niet enkel om warmte te geven, maar had een reinigende en verdrijvende functie: vuur was een bondgenoot van de zon en een wapen tegen winterse machten. Rondgangen langs akkers en erven, vaak door de gemeenschap samen, markeerden symbolisch de grens waar de winter moest wijken. Het land werd als het ware opnieuw opgeëist voor de zomer. Ook het uitspreken van vaste formules, later bewaard in weerspreuken, had een bijna magisch karakter: woorden schiepen orde en begrensden gevaar.

Toen het christendom deze gebieden bereikte, verdwenen deze overtuigingen niet. Ze werden hervertaald. De anonieme winterkrachten maakten plaats voor heiligen met namen en dagen, maar hun functie bleef herkenbaar. In plaats van wættir die nog eenmaal hun koude adem lieten voelen, sprak men nu over “strenge heiligen” of “koude Sophie”. Het geloof dat men pas veilig was na deze dagen is inhoudelijk Germaans: eerst moet het oude volledig wijken, pas dan is het nieuwe werkelijk betrouwbaar.

Zo weerspiegelen de ijsheiligen een diep Germaans besef dat seizoenen niet zomaar omslaan, maar elkaar loslaten via weerstand. De winter sterft niet stil, maar trekt zich terug met een laatste greep. Dat midden mei nog gevaarlijk kon zijn, was geen verrassing, maar een bevestiging van hoe de wereld werkte. In die zin zijn de ijsheiligen geen breuk met het heidense verleden, maar een late, gekerstende echo van een Germaanse natuurervaring waarin voorzichtigheid, ritueel en respect voor overgangen het verschil maakten tussen voorspoed en verlies.

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram