Wijnmaand: wanneer het jaar naar binnen keerde

Oktober, de oude wijnmaand, was in de Lage Landen veel meer dan zomaar een herfstmaand. Het was de tijd waarin het landbouwjaar zijn voltooiing bereikte en waarin mens en natuur zich voorbereidden op de komende winter. De laatste vruchten werden geoogst, de voorraden aangelegd en het land kwam langzaam tot rust. Waar de zomer in het teken had gestaan van groei en overvloed, bracht de wijnmaand een meer bedachtzame sfeer. De dagen werden korter, de nevels dikker en de nachten langer. Men voelde dat de wereld een andere gedaante aannam.

De naam wijnmaand verwijst oorspronkelijk naar de periode van de wijnoogst, maar in de volksbeleving kreeg zij een ruimere betekenis. Het was de maand waarin alles wat de aarde had voortgebracht werd verzameld, verwerkt en veilig opgeborgen. Appels, peren, hazelnoten, walnoten en late graangewassen vulden schuren en kelders. Bier werd gebrouwen, groenten werden ingelegd en men begon na te denken over het slachten van vee dat men niet door de winter wilde voederen. De hele gemeenschap stond in het teken van bewaren, beschermen en voorbereiden.

Lang voordat de nieuwe godsdiensten hun stempel op de kalender drukten, kenden de bewoners van de Lage Landen al een diepgeworteld ritme dat verbonden was met de seizoenen. Voor hen was het jaar geen verzameling maanden, maar een voortdurende cyclus van geboorte, groei, verval en hernieuwing. Oktober bevond zich precies op het kantelpunt tussen overvloed en schaarste. De natuur toonde nog haar laatste kleurenpracht, maar tegelijk werd zichtbaar dat haar krachten zich begonnen terug te trekken.

In deze periode geloofde men dat de grens tussen de wereld van de levenden en die van de voorouders dunner werd. De vallende bladeren, de stervende vegetatie en de toenemende duisternis herinnerden aan de vergankelijkheid van het leven. Daarom werden de overleden familieleden niet vergeten. Men vertelde verhalen over hen tijdens de lange avonden rond het vuur. Soms liet men voedsel achter op bijzondere plaatsen of sprak men hun namen uit bij het begin van een maaltijd. Niet uit angst, maar vanuit het besef dat de doden nog steeds deel uitmaakten van de gemeenschap.

Het vuur speelde daarbij een centrale rol. Wanneer de herfststormen opstaken en de avonden koud werden, verzamelde men zich rond het haardvuur. In sommige streken werden grotere gemeenschapsvuren ontstoken op heuvels, dorpspleinen of open velden. Het vuur bracht licht in de groeiende duisternis en werd gezien als een bescherming tegen ziekte, ongeluk en kwade invloeden. Het was tegelijk een symbool van de zon, waarvan de kracht zichtbaar afnam naarmate de winter naderde. Rond zulke vuren werden verhalen verteld, liederen gezongen en oude gebruiken doorgegeven van generatie op generatie.

Ook bomen namen een bijzondere plaats in. Vooral oude eiken, lindebomen en beuken genoten aanzien. Zij werden beschouwd als plaatsen waar de krachten van de natuur zich sterk manifesteerden. Zelfs eeuwen nadat officiële autoriteiten dergelijke gebruiken probeerden uit te bannen, bleven vele mensen linten, bloemen of kleine offers achterlaten bij opvallende bomen en bronnen. De overtuiging dat bepaalde plekken een bijzondere levenskracht bezaten bleef diep in het volksgeloof verankerd.

De oktobermaand was bovendien rijk aan voorspellingen en voortekens. Men keek naar het gedrag van vogels, naar de kleur van het bladerdek, naar de eerste nachtvorst of naar de vorm van de wolken. Uit zulke waarnemingen probeerde men af te leiden hoe streng de winter zou worden. Kraaien die zich massaal verzamelden, overvloedige notenoogsten of een vroeg vallend blad kregen allemaal een symbolische betekenis. De natuur werd gelezen als een boek waarvan de tekenen door ervaren boeren en ouderen konden worden ontcijferd.

De mist die in deze tijd over de velden hing, voedde de volksverbeelding. In moerassen, heidegebieden en bossen ontstonden verhalen over dwaallichten, geesten en andere bovennatuurlijke verschijningen. Vooral tijdens de donkere oktoberavonden waarschuwde men kinderen om niet alleen buiten te zwerven. De nevel leek bekende landschappen te veranderen in mysterieuze plaatsen waar de gewone regels tijdelijk niet golden. Zulke verhalen waren meer dan vermaak; zij waren een manier om betekenis te geven aan de onvoorspelbaarheid van de natuur.

De wijnmaand bracht ook een gevoel van gemeenschap. Wanneer de grote werkzaamheden op het land achter de rug waren, ontstond meer tijd voor samenkomst. Men bezocht familie, hielp elkaar bij het verwerken van de oogst en organiseerde herfstvaarten, markten en maaltijden. Het delen van voedsel had een bijna ritueel karakter. De overvloed van het voorbije seizoen werd gezamenlijk gevierd, terwijl men tegelijk wist dat men elkaar tijdens de winter nodig zou hebben.

In Vlaanderen leefden vele van deze gebruiken nog lang voort onder een ander uiterlijk. Oogstfeesten, herfstkermissen, vuurtradities, verhalen over geesten en volksgeloof rond bomen en bronnen dragen vaak sporen van een veel oudere wereldbeschouwing. Achter de latere gewoonten bleef de oude gedachte aanwezig dat mens, dier en landschap deel uitmaakten van dezelfde levende cyclus.

Zo was de wijnmaand niet alleen de maand van de druif of van de oogst. Zij vormde het moment waarop de gemeenschap afscheid nam van het lichte seizoen en zich richtte op de lange donkere maanden die voor haar lagen. In het rood en goud van de herfstbladeren, in het knetteren van de haard, in de verhalen over voorouders en natuurgeesten leefde een oeroud besef voort: alles wat groeit zal vergaan, maar uit het verval ontstaat uiteindelijk opnieuw leven. Dat maakte oktober tot een van de meest betekenisvolle maanden van het jaar in de oude Lage Landen.

Vuur, Zon en Aarde: De Heidense Ziel van Sint-Jan en Zijn Gezellen

In de zomermaand – wanneer het licht op zijn hoogtepunt staat en de aarde haar volle adem uitblaast – vloeien oude heidense ritmes en latere heiligennamen in elkaar over tot één levend geheel. Wat wij vandaag kennen als de feesten van Sint-Cunera, Sint-Vitus, Sint-Jan en Sint-Petrus en Paulus, draagt duidelijk de sporen van een ouder, dieper wereldbeeld waarin zon, aarde, water en vuur als heilige krachten werden vereerd. In deze tijd van overvloed en rijping wordt de mens als het ware opgenomen in de kringloop van groei, kracht en langzaam afnemend licht.

De cyclus opent rond 12 juni met Sint-Cunera, een figuur die bijzonder sterk de echo draagt van voorchristelijke vrouwengestalten. In haar herkennen we trekken van oude moedergodinnen en beschermgeesten van het land: hoedsters van akker, huis en gemeenschap. Haar verering, vaak met processies en beschermende rituelen, kan gezien worden als een voortzetting van oeroude tradities waarin men de aarde zelf eerde als voedende moeder. Symbolisch draagt Cunera het weefwerk van het leven: zij verbindt mensen met elkaar en met de vruchtbaarheid van het land. Het weven, beschermen en verzorgen zijn hier geen toevallige beelden, maar verwijzen naar de cyclische orde van de natuur zelf, waarin alles met elkaar verstrengeld is.

Kort daarna volgt Sint-Vitus op 15 juni, een feest waarin de wilde levenskracht van de vroege zomer tot uiting komt. Vitus wordt traditioneel verbonden met dans, zenuwkracht en extase – verschijnselen die in heidense rituelen essentieel waren. In extatische dansen zochten mensen verbinding met de levenskracht die door alles stroomt. Dit was geen chaos, maar een heilige roes: een manier om disharmonie uit het lichaam te verdrijven en opnieuw af te stemmen op de ritmes van de natuur. De zogenaamde “Sint-Vitusdans” weerspiegelt oude trancepraktijken waarin lichaam en geest één werden met de pulserende energie van de aarde. In deze periode van groeiende gewassen en lange dagen is beweging een eerbetoon aan het leven zelf.

Het stralende middelpunt van deze cyclus ligt bij Sint-Jan op 24 juni, het feest dat bijna samenvalt met de zomerzonnewende. Hier bereikt de zon haar hoogste kracht, en dat werd al ver vóór het christendom gevierd met grootse rituelen. De Sint-Jansvuren zijn wellicht het meest zichtbare overblijfsel daarvan: vuren die de zon op aarde weerspiegelen, haar kracht versterken en beschermen tegen het naderende afnemen van het licht. Het springen over het vuur staat symbool voor zuivering, moed en hernieuwing. Rook en as golden als krachtig tegen ziekte en onheil.

Daarnaast is deze nacht doordrongen van kruidenmagie. Planten zoals sint-janskruid, bijvoet en duizendblad worden op dit moment geplukt omdat men gelooft dat zij dan hun hoogste levenskracht dragen. Deze kruiden werden gebruikt voor genezing, bescherming en zelfs waarzeggerij. Ook water kreeg een bijzondere betekenis: dauw, bronnen en rivieren werden als bezield beschouwd, en baden in het eerste ochtendlicht stond symbool voor wedergeboorte. Het is een moment waarop vuur en water – ogenschijnlijk tegengestelde elementen – samenkomen als bronnen van leven en zuivering.

Aan het einde van deze zomerse spanningsboog vinden we Sint-Petrus en Sint-Paulus op 29 juni, een tweevoudig feest dat in heidense zin een overgang markeert. De zon heeft haar keerpunt gepasseerd; de dagen blijven warm, maar het licht begint langzaam af te nemen. Dit is het begin van een subtiele verschuiving van uitbundige groei naar bewaring en ordening.

Petrus, met zijn sleutels, draagt het archetype van de poortwachter. In oude tradities vinden we vergelijkbare figuren die de doorgang tussen werelden bewaken: tussen licht en duister, leven en dood, zomer en herfst. Zijn sleutels openen niet alleen hemelse poorten, maar symboliseren ook de kennis van cycli en grenzen – wanneer iets moet groeien en wanneer het beschermd moet worden.

Paulus daarentegen belichaamt de reiziger en verkondiger, een figuur die verwant is aan de oude “grenswandelaar” of listige bemiddelaar: degene die tussen werelden beweegt, kennis draagt en veranderingen teweegbrengt. Hij staat symbool voor het verspreiden van inzicht, voor het vuur van inspiratie dat zich uitbreidt zoals zaad dat wordt uitgezaaid. Samen vormen Petrus en Paulus een tweeluik van afsluiten en openen, bewaren en verspreiden.

Ook in de gebruiken rond dit feest vinden we oudere lagen terug: vis als symbool van leven uit het water, en water zelf als bron van vruchtbaarheid en oorsprong. In sommige streken werden rivieren gezegend of bezocht, wat herinnert aan prechristelijke waterculten waarin bronnen en meren als heilig werden beschouwd.

Wanneer men deze hele periode in haar geheel bekijkt, ontvouwt zich een rijk en samenhangend heidens perspectief op de zomermaand:

  • Aarde (Cunera) – vruchtbaarheid, bescherming, het weven van leven
  • Lichaam en beweging (Vitus) – extase, dans, levenskracht
  • Vuur en zon (Jan) – hoogtepunt, zuivering, magie en genezing
  • Overgang en balans (Petrus en Paulus) – grenzen, kennis, verspreiding

De symboliek is diep verweven:
Kransen van bloemen weerspiegelen de cyclus van groei en vergankelijkheid.
Vuren op heuvels verbinden hemel en aarde.
Water en dauw brengen genezing en vruchtbaarheid.
Dans en zang roepen de levenskracht op.
Sleutels en poorten herinneren aan overgangen tussen werelden.

Zo blijkt dat de zomermaand geen reeks losse feestdagen is, maar een heilige tijd waarin de mens zich afstemt op de adem van de natuur. De heiligen zijn als maskers die oude krachten blijven dragen: de zon die brandt, de aarde die voedt, het water dat heelt en de geest die beweegt tussen werelden. In dat licht is de zomer niet enkel een seizoen, maar een ritueel op zich – een jaarlijkse herbevestiging van het leven in al zijn overvloed en vergankelijkheid.

Mijmeringen in het Woud Zonder Genade. 

Op zoek naar de Mysteriën van Torhout en Wijnendale

De tijd van licht en warmte was geweken, vanuit het noorden stak een kille wind op. Het blad werd dor en viel, het duister nam over. Zo kwam alweer een nieuwe winter aan, Joel lag in het verschiet. 

Ik spande de veters van mijn vertrouwde laarzen. Komt Joel, moeten wij weer aan het rad draaien. Zo vaak als ik kan trek ik erop uit en maak een Ommegang, volgend in het pad van de zon, omheen een heilige plaats of een plaats met een zwaar historisch verleden. 

Eén plaats kan ik nooit overslaan en doe ik aan in alle seizoenen: Wijnendale bos. 

Letterlijk bijna in mijn achtertuin en doordrongen van historisch belang en heidense geschiedenis. Het bos maakte ooit deel uit van wat gekend stond als het “Menapische Woud”, zo genoemd in elk geval door de Romeinen en later opgetekend als het “Woud Zonder Genade”. 

De kapel staat tussen de parking en het kasteel langs de verharde weg. Gewijd aan de Maagd Maria. Er zijn verschillende legenden omtrent het ontstaan, en daar springt er één uit: namelijk die van de oude eik. Op de plaats van de kapel zou ooit een enorme eik hebben gestaan die werd vereerd door de heidenen.  Een houten Mariabeeldje zou hierin zijn opgehangen en vele mensen kwamen er heen om te bidden. Maar op een dag zou de boom door onheil zijn getroffen. Er zijn heel wat versies: een blikseminslag, omgehakt door mensen, omgewaaid door een storm… In elk geval beslisten de mensen aldaar om het heilig beeldje dan maar naar het klooster in Torhout te brengen. De monniken borgen het veilig op in de kerk. Echter tot 3 maal op rij, drie dagen opeenvolgend, zou het beeldje onverklaarbaar terug opduiken op de plaats van de gevelde eik, alsof de Maagd Maria zelf hier wou blijven. Hierop bouwde men dan een kapel en plaatse men het beeldje erin. Deze legende lijkt sterk op andere verhalen uit Germaans Europa, en heeft alle blijk van het wijden van een heidense cultplaalts. De eik is gekend als een heilige boom, we denken aan de Donar eik. Het zou zeker passen in de tactiek van de kerk, om een Maria beeld te laten opduiken op een heidense cultplaalts en dit als reden aan te halen om de plaats op te eisen onder het kruis. Ook de vernieling van de boom voorafgaand aan de bouw van de kapel is kenmerkend. Menig cultplaats werd opzettelijk vernietigd en gekerstend door de bouw van een kerk of een kapel. 

De kapel is ook de achtergrond van een andere opmerkelijke opgetekende traditie: Mensen kwamen er bij de overgang van oud naar nieuw hun wensen overmaken aan de Heilige Maagd, wat misschien wel een overblijfsel is van een midwintertraditie. 

We merken ook op dat het klooster in Torhout een belangrijke link had met Donatius. In 835 werden de relieken van de H. Donatius door bisschop Ebbo van Reims aan Anscharius geschonken en naar Torhout over gebracht. Donatius behoedde de mensen van donder en bliksem. Er is een onderbouwde theorie die in Donatius een poging ziet om een cult rond Thor / Donar / Thunar te kerstenen. Misschien geen toeval dat de resten van Donatius naar Torhout werden gebracht? In 834 werd melding gemaakt van Torhout als opleidingscentrum voor monniken die werden uitgezonden naar Scandinavië. We lezen ook dat Graaf Baldwin problemen had met de lokale heidense bevolking. Toen de omgeving in de 9e eeuw bezocht werd door Noormannen bracht men de relikwieën over naar Brugge. Noormannen hadden hun bijlen gericht op het klooster en volgens sommigen historici werd het vernield. Er zijn wel meer geschiedkundigen die de invallen van Noormannen zien als een vergelding en tegenaanval na de onderdrukking van de Saksen door de Franken en het vernietigen van heidense sacrale plaatsen of misschien net omdat het klooster monniken naar Scandinavië zond? In de beginjaren van 840, komt het klooster van Torhout en diens gronden (en dus opbrengsten) in handen van een zekere “Reghinarius Lodebrok”, niemand minder dan de beroemde viking  Ragnar Loðbrók dankzij het verdrag van Verdun. Sterker nog, het klooster werd geseculariseerd! We kunnen alleen maar speculeren waarom de kerk het klooster niet langer als kerkelijk wou aanzien: had het te maken met de lokale bevolking? Was het daarom dat ook Ragnar precies hier een autoriteit werd bedeeld? Zou het kunnen dat Ragnar en zijn gevolg zich thuis voelden in een streek naast een woud gewijd aan de oude goden en bewoond door mensen die zich niet zomaar lieten kerstenen? Enkele jaren later Zou Ragnar met zijn troepen Parijs belegeren, nadat hij in Vlaanderen in ongenade viel.

Een kleine tas over de schouder, met een buff om de hals,  muts en regenwerende parka aan, trok ik onder donkere jagende wolken het pad op naast de parking, het kasteel achter mij latend. Smartphone op vliegtuigmodus. Voor mij het bos, een paar kraaien landen in het veld. Ik ademde een teug koude lucht in, heel bewust, met gesloten ogen en  zadelde mijn ziel voor een rit over sacrale grond. Langzaam ademde ik uit en ik liet alles los waar ik eerder aan dacht. 

In mijn hoofd starte ik mijn mantra, “… Ansuz Ansuz Ansuz …“ 

Spoedig zou het woud mij opslokken en de bosgeesten mij leiden. 

Ga met mij mee en herhaal de mantra, duik in de tunnel omgeven door de kolkende massa van grijze wolken en stormwinden, van gewijde aarde en oude bomen. We maken een reis langs de mark van Middengaard. 

Het bos van Wijnendale ligt op een hoogte, gekend als de Rumberg. Nu is er in deze streek maar weinig sprake van enige berg. Meer dan wat licht glooiende verhoging zal je hier niet waarnemen. Berg is echter een heel oud woord, en is ook te verbinden met het oud Engelse “Beorg”, wat grafheuvel betekend. Heel wat plaatsnamen met -berg blijken zelfs gebouwde verhogingen uit de oudheid en dienden als cultplaats, dingplaats of begraafplaats of alle drie doorheen hun voor-christelijk bestaan en vaak werd er later een kerk op gebouwd. De oorsprong van het woord Rum is wat onduidelijk, maar mogelijk is deze te vinden in het oude Engelse “rumbullion”, wat zoveel betekend als “kabaal” of “luid geraas”. Oud Engels en onze West Germaanse taal lagen dicht bij elkaar in die tijd. Heel wat Germaanse legendes spreken van bergen waaruit muziek en kabaal weerklinkt, vaak gaat het om grafheuvels en soms om een “godenberg” en is er ook een link met de Wilde Jacht legende; menig bronnen verhalen dat het dodenheir huist in een berg. Zo hoorde men op een aantal plaatsen in België ook oorlogskabaal uit een berg luidden als aankondiging van een komende strijd. Men heeft hier ook effectief grafheuvels aangetroffen uit de bronstijd.

De andere zijde is gekend als “Ruidenberg”. Dit zou kunnen duiden op het zuiveren van bron of rivierwater. Dat kan best wel, aangezien er ook een bron op de verhoging te vinden is, een kilometer ten noordwesten van het kasteel. Zuiver bronwater was natuurlijk ook vaak een heilige plaats.

Het nabije Torhout lijkt ook te verwijzen naar het bos: 

Oudste vermelding in de 7e eeuw als Thurholt. Maar het duikt ook op als Turholt, Thurhold, Thourout. In 819 als Turholtensis, in 743 als Thorwaldi Lucus ofwel het “bos van Thorwald. Thorwald is te vertalen naar “machtige Thor” of “Heersende Thor”.

Al onder Romeinse heerschappij was Torhout en omgeving bewoond en waarschijnlijk een belangrijke nederzetting. Zo heeft men de theorie, gebaseerd op bodemvondsten, dat de streek een belangrijke agrarische rol had en gelegen was langs een Romeinse verbindingsweg. In Torhout zijn in elk geval heel wat resten gevonden van bewoning, zelfs van prominente gebouwen in het centrum waarbij men steen gebruikte. In oude teksten is ook spake van een toren te Torhout, mogelijk een donjon type, ook dit kan de naam verklaren maar er is geen bevredigend argument om iets met zekerheid vast te leggen. 

De Vita Bavonis uit 830 spreekt ook van het “Bos Zonder Genade” en uit een 12e of 13e eeuwse tekst komt “Dit hetet ‘tFelle Woud Sonder Genade”.  Een naam niet zonder mysterie: waarom was er geen genade in dit woud? Misschien omdat niemand zich kan verbergen voor de toorn van een godheid? Tacitus maakte al duidelijk dat men een heilig woud met eerbied en respect in ging en dat fouten genadeloos werden afgestraft. En misschien zegt het ook wel wat over de offers die er plaatsvonden, of de rechtspraak op het Ding?

Maar onze interesse ligt niet op de stad, wel op het bos. Hoe komt het dan dat er toch ook een plaatsnaam gegeven is, zijnde Wijnendale en dat men daar een erg historisch significant kasteel op gebouwd heeft als er geen nederzetting op deze plek was?

De etymologie van Wijnendale is in elk geval erg interessant. In de vroege jaren van de 12e eeuw duikt het op als “Winendala”. Herleiden naar “Het Dal van Win(en)” zou weinig zin hebben, aangezien hier helemaal geen sprake is van een dal, maar wel van een plateau, omringd door lager terrein in alle richtingen. Er is geen vallei, laat staan een dal.

Maar een andere theorie haalt aan dat we dal kunnen linken aan het Duitse tal, waar het op dezelfde manier in plaatsnamen verschijnt zonder echter ook te kunnen spreken van een dal of vallei. Zo is er zelfs een Winnenthal bij Xanten in Duitsland, dat etymologisch gelinkt kan worden en ook zelfs een fysieke historische link heeft met Wijnendale:  Men haalt hier aan dat tal, net als ons Nederlands woord taal oud Nederlands “tāle”, gelinkt wordt aan het verhalen van iets. Ook woorden als “getal” hangen hier mee samen, dat is het “verhalen van een nummer”. Volgens Jan de Vries is “taal” te linken aan rechtspraak op een Ding. 

Volgens de lokale lore trokken de krijgsheren op de vooravond van een belangrijke beslissing of veldslag het bos in, om hun voorvaderen te consulteren op een heilige plaats. We denken aan de praktijk gekend als “utesita” ofwel uitzitten. Waar men op een grafheuvel of andere liminale plaats gaat zitten om de goden of geesten om raad te vragen bij nacht. 

“Win” komt ook wel van “Wihan”, wat heilig betekent. Maar als we naar “Wini” gaan kijken dan ligt dit aardig in de buurt van “Winj” wat opduikt als naam voor Wodan. 

We kunnen ook nog een andere kant op met “Win”. De etymologie van “winnen” gaat terug op “winnan” en betekent “verkrijgen”, al dat niet met geweld. Dit zou een logische verklaring kunnen zijn: “het verkrijgen van rechtspraak”.

Met het bos rechts van mij, zette ik door over de Planterijdreef, een onverharde weg afgelijnd met oude hoge bomen. Al doende volgde ik de richting die de zon neemt over de hemel. Ik keek naar het bos, en het voelde alsof het bos naar mij keek. In de schaduwen zaten de woudgeesten mij op te wachten. De mantra bleef als een rode draad door mijn hoofd herhalen  “Ansuz, Ansuz…”, terwijl ik mijzelf verder afsloot van de buitenwereld, “Ansuz, Ansuz, …” Maar terloops werd ik gewaar van de aanwezigheid van de Alfen. Het weefsel van het leven, het weefgetouw van wyrd, bracht mij hier keer op keer. Het hoeft niet te verbazen dat de woudbewoners mijn draad in het wyrd herkennen. 

Al heel lang geleden moeten mensen eenzelfde gevoel gehad hebben toen ze het bos betraden. Lokale legenden verwijzen nog naar mysteries waar het bos om gekend was. 

Een eenogige man met grijze baard en mantel zou hier graag ronddwalen en gesprekken aanknopen met eenzame reizigers. Maar altijd als de man opduikt lijkt hij geen dag ouder hoewel hij al vele jaren rondwaart. Niemand die ooit echt wist wie hij was maar hij bleek wel altijd wijs en te beschikken over goede raad. 

Ook de verhalen van Wodan’s dodenheir overleven hier, vooral in de versie van de Vervloekte Jager. 

De weg bracht mij nu op een voetpad naast een boerderij en ik trok het bos in en sloeg linksaf. Ik bleef op een pad aan de bosrand waardoor mijn route mij nu meer en meer in een cirkel bracht om het bos.  

Runen gekerfd in de bomen, flankeren het pad. 

Ik bleef staan en ademde diep in en trachtte de geluiden van het bos te doorgronden. Met de handpalm op een boom vroeg ik de woudgeest mij toe te laten. Uit mijn tas haalde ik een appel en plaatste deze demonstratief aan de voet van de met runen gekerfde boom. De wind zong een lied in de boomtoppen en striemde in mijn gezicht. Het pad voor mij was als een tunnel die me dieper in het bos zoog. Hier laat ik alles achter wat aards is, zuiver en met een puur hart, Ansuz… Ritmisch ging ik verder en voelde alsof ik afdaalde. Geluiden werden sterker en kleuren werden feller.

De Sint-Pieters kerk in Torhout ligt lijnrecht op de kapel (of heilige eik) en het kasteel (dingplaats) van Wijnendale. De weg die beiden verbind moet al heel oud zijn. Zou het verbazen, als de vroege bevolking, deze weg gebruikten als een rituele processie? De grafheuvels, de bron, de heilige eik, het plateau met de dinglocatie en het heilige woud dat misschien in eerdere tijden de weg deels opslokte. We denken terug aan Tacitus zijn beschrijving over het betreden van een heilig woud. 

Maar we kunnen nog verder uitweiden… Jan De Cooman trekt enkele opmerkelijk lijnen op de kaart op basis van het astronomisch werk van Kaminski. 

Gaan we naar het westen van de Sint Pieterskerk in Torhout over de kapel van Wijnendale dan ontmoeten we op die lijn de Sint-Michielskerk van Ichtegem, de kapel van de gemeente Sint-Pieterskapelle en de Sint-Laurentiuskerk in Westende.

In onmiddellijke omgeving ligt de kerk van Torhout van noord naar zuid in lijn met de Sint-Michielskerk van Roeselare en de Sint-Michielskerk van Brugge. De parochie van Sint-Michiels in Brugge noemde oorspronkelijk “Weinebrugge”, een naam die kan gelinkt worden aan Wijnendale.

Door Sint-Michiels loopt een heilige lijn richting Stonehenge en eindpunt Lundy op 51°18′. Deze lijn werd ontdekt door de astronoom Kaminski en noemde deze “Sternstrasse 1. Ordnung”. Op deze lijn komen verder Canterbury op 51°28′, Sint-Niklaas op 51°17′, Grobbendonk (menhir van Eisterlee) op 51°11′, Kasterlee op 51°14′, Poederlee op 51°13′, Odilienberg op 51°08′, Roermond op 51°11′, Gudensberg (Odenberg) op 51°18′ en het heiligdom in Wormbach op 51°17′ in aanmerking. We merken ook op dat Sint-Niklaas en Antwerpen, op vrijwel dezelfde lijn liggen.

Sint-Michiel werd in heel wat delen van Germaans Europa herkend als een kerkelijke versie van Wodan, kapellen en kerken gewijd aan Sint-Michiel zijn vaak op oude heilige plaatsen gebouwd. De Sint-Michielskerk van Leuven zou op een altaar aan Wodan zijn gebouwd en die van Antwerpen op een tempel van Mars, de god die de Romeinen herkenden als Wodan. En ook Sint-Nikolaas heeft banden met Wodan die herkenbaar zijn. Het betreft ook bijna altijd locaties die hoger liggen dan het omliggende landschap. 

Ook de Sint Pieters kerken kunnen een link met Wodan hebben, in Friesland is het traditionele Biikkebrennen, een aan Wodan gewijde traditie, geplaatst op 22 februari, feestdag van Petrus. 

Het is het ook waard Winnenthal in Xanten Duitsland te vernoemen. Dat kasteel was eigendom van de familie van Kleef en in 1420 gaat Maria van Bourgondië er wonen. Deze zelfde dame zou volgens de legende ook een dodelijke val maken van haar paard op de plek van de Wijnendale kapel… Ook hier is er geen sprake van een dal maar wel van een verhoging. Het slot staat in de gemeente Winnenden. Hier zou Winni ook in de betekenis van vriend kunnen geïnterpreteerd worden, dan zou het zoveel betekenen als “Spreekplaats van Vrienden”. Ook hier zijn historische elementen die de plaats aanduiden als een potentiële Ding-plaats. Zowel in Wijnendale als Winnenthal werden er door de eeuwen heen belangrijke personen ondergebracht, vergaderingen gehouden en beslissingen genomen, die in lijn zijn met het continuïteitsprincipe: dat waardering voor  belangrijke tradities gelinkt aan een plaats vaak overgedragen worden ongeacht geloof. 

De oude dreven die de kasteelheer liet aanleggen zijn ook nu nog deels in gebruik. Sommigen werden verhard door de Duitse bezetter, die had het bos aangewend om er een munitievoorraad aan te leggen in bunkers. Je kan er nog een paar vinden. Maar het woud verbergt nog andere geheimen. De Wulvedreef, is genoemd naar de Wulvemote. Er is ook nog de Eremijt mote en er zouden er nog op het domein te vinden zijn. Het is wat onduidelijk hoe oud de motes zijn, geschiedkundigen vermoeden dat ze in de 9e eeuw al dienstdeden als versterkingen tegen krijgsgeweld toen het erg onstuimig kon zijn tijdens het Vikingtijdperk. Of waren het heidense toevluchtsoorden? Een mote is herkenbaar door een gracht en vaak is het eiland ook verhoogd. De versterking kon bestaan uit een houten weermuur, een houten donjon of eenvoudige houten gebouwen en stallen. Meestal cirkelvormig met een brug of zoals een hoefijzer met een gewone poort.  Er is een vermoeden dat de Wulvemote ook enige tijd een bewoond erf was. Dergelijke versterkingen zijn vrij voorkomend in de Lage Landen, we denken ook aan terpen die gebruikt werden als versterkte woonst in onze kustgebieden. 

Naast een kruising en vlakbij de Wulvemote staat een godenpaal.

Bij het kruispunt bleef ik staan. Dit is het hart van het bos. Geknield bracht ik mijn respect en zette mijn tas neer. Ik keek op en zag haar statig en trots het kruispunt bewaken. Dezelfde paal heeft ook een gekerfd gezicht van een wildeman en de voet van de paal is versierd met wat lijkt op een reiger. Het perceel dient zich perfect voor het brengen van een ritueel offer. Soms is de godin versierd met een sjaal, ook heb ik er eens lintjes op aangetroffen. Meestal laat ik wat wilde bloemen achter en een gesneden appel. Ik ben in elk geval niet de enige die haar eert. Wie de godin is, staat niet vermeld. Hludana? Vrouwe Vreke? Misschien kom je het wel te weten als je een Ommegang onderneemt…

Kruispunten waren altijd al liminale plekken waar volgens heidens geloof makkelijk contact kan worden gemaakt met de geesten en goden. Volgens Judith Schuyf is het geen toeval dat ernstige zondaars en ongedoopten bij kruispunten werden begraven en misdadigers er werden terechtgesteld. Vaak was het schavot zelfs opgesteld bovenop een grafheuvel. 

Uit mijn tas haalde ik een kaars en stak deze aan.  Een houten kom vulde ik met gekruide wijn. Een appel werd gesneden en wat graan erboven op. De mantra, die als een lopende band was blijven draaien, kwam nu tot stilstand. Ik keek de godenpaal aan en strekte mijn armen, handen met open palm naar de godin en riep haar aan. Ik vroeg haar mijn offers te ontvangen die ik aan haar heb gewijd. Na een moment van stilte goot ik de kom wijn leeg over de grond voor de paal en sprenkelde de laatste druppels op de godin. Met ogen gesloten dankte ik haar voor de aarde, het woud, de ordening en het draaien van het wiel.

Bronnen

  • van der Tuuk Luit,  Vikingen. Omniboek
  • etymologiebank.nl 
  • Schuyf Judith, Heidense Heiligdommen
  • Inventaris Onroerend Erfgoed, Agentschap Onroerend Erfgoed Vlaanderen
  • De Cooman Jan, Torhout en Wijnendale 
  • Lecouteux Claude, Phantom Armies of the Night
  • Tacitus, Germania
  • Kaminski H, Sternenstrassen der Vorzeit

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram