Onder de Hemel van Odin: Heidense Symboliek bij Franz von Stuck

Franz von Stuck (1863–1928) behoort tot de meest invloedrijke kunstenaars van het Duitse symbolisme en de Jugendstil. Zijn werk wordt gekenmerkt door een intense beeldtaal waarin mythologie, sensualiteit en duistere spiritualiteit samenkomen. Daarbij grijpt hij niet alleen terug op de klassieke oudheid, maar ook – zij het subtieler en minder expliciet – op motieven die resoneren met het Germaanse heidendom en een bredere noord-Europese mythologische verbeelding.

Von Stuck creëert een wereld waarin oerkrachten centraal staan: instinct, strijd, verleiding en noodlot. Die thematiek sluit nauw aan bij het Germaanse heidense wereldbeeld, waarin de kosmos wordt beheerst door krachten die groter zijn dan de mens zelf – denk aan lot (vergelijkbaar met het concept van wyrd), strijd tussen chaos en orde en de voortdurende aanwezigheid van natuur- en oorlogsgoden. In tegenstelling tot de christelijke nadruk op verlossing en moraal, tonen zijn werken een universum waarin de mens onderworpen is aan elementaire, vaak meedogenloze krachten.

Zijn bekende schilderij Die Sünde (1893) belichaamt deze spanning op treffende wijze. Hoewel het op het eerste gezicht verwijst naar een Bijbelse symboliek, overstijgt het die interpretatie. De vrouwelijke figuur en de slang kunnen ook gelezen worden als een verbeelding van een oeroude, heidense natuurkracht: verleidelijk, gevaarlijk en tegelijkertijd scheppend. In Germaanse en andere voorchristelijke tradities werd de natuur immers niet gezien als zondig, maar als een bron van kracht en mysterie – een visie die von Stuck subtiel laat doorschemeren.

Nog duidelijker wordt de link met het Germaanse heidendom in werken waarin strijd en jacht centraal staan, zoals Der Krieg en Die Wilde Jagd. Vooral het motief van de Wilde Jacht is rechtstreeks verbonden met Germaanse mythologie, waarin een spookachtige stoet van jagers onder leiding van een godheid – vaak geassocieerd met Odin – door de nachtelijke hemel trekt. Von Stuck grijpt dit thema aan om een archaïsche wereld op te roepen waarin oorlog, dood en natuur met elkaar verweven zijn. Zijn voorstelling van deze jacht is niet louter narratief, maar doordrongen van een dreigende, bijna sacrale energie die doet denken aan oude rituelen en mythische visioenen.

Zijn figuren – vaak gespierd, monumentaal en strak omlijnd – hebben iets tijdloos en roepen associaties op met helden uit Noordse sagen. Ze zijn niet slechts individuen, maar archetypen: krijgers, verleidsters, demonen en halfgoden. Deze archetypische benadering sluit aan bij de Germaanse mythologie, waarin figuren niet zozeer psychologisch worden uitgewerkt, maar eerder kosmische of symbolische rollen vervullen binnen een groter geheel van mythen en krachten.

Stilistisch versterkt von Stuck deze archaïsche dimensie door zijn gebruik van donkere tinten, sterke contrasten en sobere, bijna tempelachtige composities. Zijn schilderijen lijken zich af te spelen in een ruimte die losstaat van tijd en plaats, vergelijkbaar met een heidens heiligdom of een mythisch landschap. Deze sfeer wordt nog versterkt door zijn architecturale projecten, zoals zijn eigen villa in München, die hij ontwierp als een totaal kunstwerk waarin kunst en leven versmelten – een idee dat verwant is aan het rituele en sacraliserende karakter van heidense culturen.

In de bredere context van zijn tijd weerspiegelt von Stucks werk een zoektocht naar alternatieven voor de moderne, geïndustrialiseerde wereld. Door terug te grijpen naar mythologische en heidense symboliek – waaronder elementen die doen denken aan het Germaanse heidendom – probeerde hij een diepere, meer instinctieve waarheid te vangen. Zijn kunst vormt zo een brug tussen het rationele heden en een mythisch verleden waarin de mens nog direct verbonden was met natuur, lot en goddelijkheid.

Samenvattend kan gesteld worden dat Franz von Stuck, hoewel hij vaak vertrekt vanuit de klassieke mythologie, een beeldtaal ontwikkelde die sterk resoneert met het Germaanse heidendom. Zijn werk roept een wereld op van oerkrachten, strijd, natuur en noodlot, en plaatst de mens opnieuw binnen een kosmisch en mythisch geheel. Daarmee biedt hij niet alleen een esthetische ervaring, maar ook een krachtige evocatie van een verloren, maar blijvend fascinerende heidense werkelijkheid.

Storm, Strijd en Lot: De Noordse Heidense Kunst van Arbo

De Noorse schilder Peter Nicolai Arbo (1831–1892) is een van de belangrijkste kunstenaars die het Germaanse en Noordse heidendom op indringende wijze tot leven hebben gebracht in de 19e-eeuwse schilderkunst. Zijn oeuvre staat volledig in het teken van de herontdekking van de Oudnoorse mythologie, een beweging die nauw verbonden was met het romantisch nationalisme in Scandinavië. In zijn werken verbeeldt Arbo een wereld van goden, helden en bovennatuurlijke krachten, waarin het heidense wereldbeeld centraal staat en de natuur, het noodlot en het bovenaardse onlosmakelijk met elkaar verweven zijn.

Arbo’s bekendste schilderijen, zoals Åsgårdsreien (De Wilde Jacht van Odin), tonen scènes die rechtstreeks ontleend zijn aan de Noordse mythologie. In dit werk raast een woeste stoet van goden, geesten en krijgers door de nachtelijke hemel, aangevoerd door Odin, de oppergod. Dit motief van de Wilde Jacht is diep geworteld in het Germaanse heidendom en symboliseert de ongrijpbare en vaak angstaanjagende krachten van het universum. Arbo weet deze energie meesterlijk vast te leggen in een dynamische compositie vol beweging, waarin paarden, wapens en wervelende figuren samensmelten tot een visionair tafereel. De mens verschijnt hier niet als heerser over de natuur, maar als deel van een oncontroleerbare kosmische orde.

Naast Odin en de Wilde Jacht putte Arbo uit een breed scala aan mythologische figuren en verhalen. Hij schilderde Walkuren, die volgens de heidense traditie gesneuvelde krijgers naar het Walhalla begeleiden, en scènes waarin goden en helden optreden binnen een wereld die beheerst wordt door strijd, eer en het onafwendbare noodlot (wyrd). Deze thematiek weerspiegelt een fundamenteel aspect van het heidense denken: het besef dat zelfs de goden onderworpen zijn aan een kosmische wetmatigheid, die uiteindelijk uitmondt in de ondergang van de wereld, zoals beschreven in de Ragnarök-mythe.

Visueel onderscheidt Arbo zich door zijn dramatische gebruik van licht en kleur, dat vaak een bijna bovennatuurlijke intensiteit heeft. Zijn hemelpartijen zijn stormachtig en geladen, zijn landschappen ruig en ongetemd. Deze natuur fungeert niet als achtergrond, maar als actieve kracht die de handelingen van goden en mensen ondersteunt en versterkt. In die zin sluit zijn werk nauw aan bij het heidense idee van een bezielde wereld, waarin elke boom, berg of storm een eigen kracht en betekenis kan dragen.

Arbo’s figuren zijn heroïsch en idealiserend, maar nooit losgezongen van hun mythische context. De Walkuren zweven met een ijzige vastberadenheid door de lucht, vaak gehuld in harnassen die hun rol als strijders benadrukken. Odin verschijnt als een visionaire en soms dreigende figuur, een god van wijsheid en oorlog, die zowel schepper als vernietiger is. Deze ambivalente voorstelling van goddelijke krachten sluit nauw aan bij het Germaanse heidendom, waarin goden niet louter goed of kwaad zijn, maar complexe en vaak tegenstrijdige eigenschappen bezitten.

In de bredere culturele context van de 19e eeuw speelde Arbo een belangrijke rol in de visuele herwaardering van de Noordse mythologie. In een tijd waarin nationale identiteiten werden gevormd, bood het heidense verleden een bron van inspiratie en trots. Zijn schilderijen dragen daardoor niet alleen een artistieke, maar ook een ideologische dimensie: ze verbinden het toenmalige Noorwegen met een diep, mythisch verleden en geven vorm aan een collectief geheugen dat geworteld is in heidense tradities.

Samenvattend kan worden gesteld dat het werk van Peter Nicolai Arbo een krachtige en levendige verbeelding biedt van het Germaanse heidendom. Door zijn dynamische composities, dramatische sfeer en diepgaande mythologische thematiek slaagt hij erin een wereld op te roepen waarin goden, natuurkrachten en het noodlot de toon zetten. Zijn schilderijen vormen daarmee niet alleen een esthetische ervaring, maar ook een toegangspoort tot een archaïsch wereldbeeld waarin de mens deel uitmaakt van een groter, bezield universum.

ZWART-ROOD-WIT, spirituele driekleur?

Sommige heidenen in de Lage Landen, van Vlaanderen tot Friesland, hebben de gewoonte om drie gekleurde kaarsen te ontsteken in de volgorde van Zwart, Rood en Wit bij rituelen of bij wijze van dagdagelijkse verering en geluksbrenger. Ze gebruiken ook deze kleuren in versiering of bekleding van een ritueel of sacrale plaats. 

Elke kleur vertolkt iets en de volgorde van het ontsteken zou heilzaam zijn en dient bewust en weloverwogen te gebeuren als in een ritueel. Ook het doven doen we niet door het uit te blazen omdat dit onheil brengt, men gaat eerder de zuurstof ontnemen met een kaarsendover.

Waar komt dit nu vandaan?

Er zijn eigenlijk heel wat elementen aan te halen die het belang van deze kleuren onderlijnen en we kunnen ze ook met wat creativiteit zelf makkelijk plaatsen.

De oudste bronnen die gebonden zijn aan onze Indo Europese cultuur en latere Germaanse cultuur, zijn de Vedische teksten. Die gaan naar schatting terug tot minstens 1000 voor onze jaartelling. Er zijn ook andere bronnen zoals de Sagen, de Edda, volksverhalen, volksgeneeskunde en zelfs de Bijbel.

De Franse professor Jean Haudry merkte in de Vedische teksten de driekleur op en wees deze toe aan de kleuren van de hemel tijdens het verloop van de dag: Zwart bij nacht, rood bij zonsopgang of ondergang en wit voor overdag. In de Veda’s beschrijft men drie koeien die , de eerste zwart, de tweede rood en de derde is wit en staan voor de kleuren van de hemel. Hij ziet dit hemelconcept in heel wat andere elementen opduiken zoals het hemelgewelf dat rond een grote zuil draait en door een etmaal zwart-rood-wit-rood-zwart kleurt. Haudry gaat nog verder en linkt de Germaanse goden aan het driedelig hemel gewelf: Tiwaz is de daghemelgod, Wodanaz is de god van de nachthemel en het schemerrood wijdt hij toe aan Ostara, godin van het ochtendgloren. Ostara is trouwens ook genoemd als lentegodin en gebonden met vernieuwing of groei, Wodanaz is ook een godheid die zich specifiek in de winter manifesteert en gebonden is met de dood.

Plato schreef dat er in Atlantis steengroeven waren waar één soort steen wit was, een andere zwart en nog een andere rood. 

In de Saga van de Jomsvikingen heeft Koning Gorm drie voorspellende dromen:

Tijdens de eerste nachtelijke droom staat hij buiten zijn hal vanwaar hij de zee ziet terug trekken tot hij geen water meer kan zien. Uit de horizon waar het water heen was doken drie witte ossen op, ze stormden het land op en beten al het gras uit de grond waarna ze weer naar de teruggetrokken zee liepen en verdwenen.

De volgende nacht droomde hij ongeveer hetzelfde, maar nu waren de drie ossen rood en hadden grotere hoorns.

De derde droom was ook een herhaling, maar nu waren de ossen zwart en zijn ze nog groter met nog grotere hoorns. Als afsluiter hoort hij een luide knal op het moment dat de zee terug naar het strand keerde. De droom werd vervolgens verklaard als voorbode van negen jaar slechte oogst.

Men komt aan negen omdat er drie maal drie ossen verschenen. Heilige getallen in het Heidendom. Hoe groter de hoorns en ossen, hoe groter het onheil. Op welke basis interpreteert men nu het onheil? Misschien wel de volgorde van de kleuren? Wit-rood-zwart, want we zien dat de natuurlijke wederkerende volgorde altijd zwart-rood-wit is.

Professor Jan de Vries ziet in de Vedische mystiek de drie voorwaarden voor leven: vuur, water en aarde. Deze zijn voorgesteld met de kleur rood, wit en zwart. De professor gaat ook verder vind in de gehele Europese voorchristelijke tradities deze kleurencombinatie terug, onder andere in volksmagie, legenden en andere overleveringen. 

Er zijn verschillende sprookjes in Europa waarin we ook de driekleur terugvinden als belangrijke indicatoren. Neem nu Sneeuwwitje: “Had ik nu een kindje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als dit ebbenhout”

Uit deze sprookjes lijkt de driekleur te zijn overgeleverd als een schoonheidsideaal.

We hebben ook voorbeelden uit de magie zoals deze toverformule opgetekend in de 19e eeuw in Thüringen tegen wormen:

“Ik stap hier op een grenssteen. De wormen vreten mijn been. Ze mogen zijn zwart, wit of rood, in een dag zijn ze allemaal dood.”

Of een sprookje uit IJsland: Sigurd moet opeenvolgend een zwarte, witte en rode doek om zijn hoofd binden om zich te beschermen tegen het brullen van een stier uit de onderwereld. Ook slaat hij op een zwart-rood-witte steen om een magische storm te ontketenen die de reuzen dood. 

In Finland was het gebruikelijk dat een boer zijn land afbakende met rood-zwart-wit touw, wetende dat een landsgrens bezield werd met een schutgeest om deze te bewaken maakt dit ook een waardevol gegeven.

Uit Rigsthula kunnen we drie sociale klassen onderscheiden.

  • “Thrael” de knecht (“zijn lokken waren zwart”)
  • “Karl” de kerel (“hij was rozig en rood”)
  • “Jarl” de prins (“blond was zijn haar”)

De knecht is een lijfeigene en geeft men prominent zwart als kleur. 

De kerel is de vrijman, de boer, de krijger, de visser, de jager, die blaakt van geluk en gezondheid in het vrije buitenleven en is rood van kleur.

De prins, edel en nobel krijgt een pure en schitterende kleur: blond, ofwel wit. 

Dit betekent dat we ook de kleuren bij een karaktertype kunnen plaatsen.

Zwart is lomp en bruut

Rood is sterk, gezond en ijverig

Wit is edel, puur, begaafd en strijdvaardig

Professor Georges Dumézil maakte 100 jaar geleden de theorie dat de Indo-Europese cultuur uit drie functies bestond en dat elke functie door een kleur werd gerepresenteerd

Cultische: wit

Militaire: rood

Economische: donker

In India zien we dat de oorspronkelijke kaste systeem verdeeld was in kleuren:

  • de Brahmaan (wijze priester): wit
  • De Kshattriya (krijger, leider): rood
  • De Vaishya (werker, handelaar): zwart

De naam voor kaste is Varna en betekent “kleur”

Als we dan kijken naar de Indo-Europese kosmos dan zien we dat deze ook in drie gedeeld is en deze duikt ook op in de Germaanse cultuur. De levensboom of zuil draagt de hemel, eronder zit de wereld en daaronder de onderwereld of Hel. In de wereld vinden we respectievelijk Middengaard, Asengaard, Uitgaard en Jotunheim. 

In de Völuspá leren we hoe Ragnarök wordt aangekondigd door drie verschillende gekleurde hanen: Gullinkambi, de hemelhaan is wit. Fjallarr de wereldhaan is rood en de Helhaan is zwart. 

Gullinkambi wordt ook wel als goud omschreven omdat zijn naam ‘Goudkam’ betekend, maar Professor de Vries merkt op dat de god Heimdall de bijnaam Goudtand heeft ondanks dat hij ook als helderwit omschreven staat. In het blinken van goud zien we trouwens helder wit en lijkt blond ook niet op goud?

Maar ook in het Christendom, die niet vies zijn om heidense elementen te adopteren, vinden we dezelfde kleuren en betekenissen terug. 

In de liturgie staat wit voor puurheid, martelaren, onschuld, glorie. Wit kan vervangen worden door goud meld men nog… Het is ook de kleur van de paus (spirituele wijze leider).

Rood staat dan weer voor passie, bloed en vuur, het is de kleur van de kardinaal

Zwart staat voor de doden en de rouw.

In het Nieuwe Testament vinden we deze beschrijving van de ruiters van de Apocalyps:

Het eerste paard is wit, het tweede rood en het derde zwart en vierde vaal of grijs. De eerste is een edele figuur, de tweede een krijger en het derde een handelaar. De vierde is de dood. De drie eerste ruiters zijn de levenden en hun kleurencode komt overeen met Cultisch-Militaire-Economische functies van Dumézil. 

En dan hebben we nog deze afbeelding van de drie wijzen of drie koningen uit de 3e eeuw in de Priscilla grot. Daar zijn de drie wijzen afgebeeld die zeer iconisch geschenken brengen naar de pasgeboren Jezus. Hun volledige gedaante is afgebeeld in onze cultische kleurencode, de eerste zwart, de tweede rood, en de laatste die aankomst is wit. 

Een paar eeuwen later in de 5e eeuw in Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna, zien we deze figuren terug afgebeeld, nu met eigentijdse kleding, maar opvallend ook met namen en aan hun uiterlijk zien we ook hun leeftijd: Melchior is de jongste met kort haar en zonder gezichtsbeharing, Balthasar heeft een bruine baard en is duidelijk volwassen en Gaspar heeft een grijze baard. We zien hierin ook weer een parallel met kracht, leeftijd, wijsheid, vruchtbaarheid. Ook het brengen van geschenken is natuurlijk een parallel die we herkennen. 

Maar er zijn ook sporen gevonden op altaarstenen van Matronen, of de drie Moeders, van deze kleurencombinatie. De Matronen zijn een oude cultus die mogelijk uit de Indo-Europese cultuur werd overgeleverd. We zien deze ook opduiken als de Nornen of Schikgodinnen. Normaliter gaat het dan over een dochter-moeder-grootmoeder combo. 

Er zijn dus tal van elementen die we met onze driekleur kunnen verbinden. 

Zo staat de dood bijna altijd gelijk gebonden aan vruchtbaarheid en kan je dus zwart gelijkstellen met zowel de dood als met iets dat net tot ontwikkeling komt uit deze vruchtbare schoot van de dood. Net zoals het heden voorkomt uit het verleden. Wat onder de aarde zit is de onderwereld en daar ontkiemd het nieuwe leven ook. De dodengoden hebben ook altijd een functie gebonden met vruchtbaarheid. Waar Wodan zijn Wilde Heir komt, zal een goede oogst volgroeien. Goden van de onderwereld zoals Holda, Wodan komen in gedachten. Laten we ook niet vergeten dat in heel Europa de midwinter tradities vaak inhouden dat cultische figuren met zwarte gezichten rondtrekken en de aanschouwers besmeuren met zwarte kleur in het gezicht om hen geluk te brengen of vruchtbaarheid. 

Rood is kracht van het groeien, de sterkte van wat jong is, de kleur van verandering, van initiatie (bloedoffer?) van voortvarendheid, wat nu is en wat zal worden. Het is ook een kleur geassocieerd met de dondergod en met Ostara. 

Wit is wat bereikt moet worden, het is wijsheid, volgroeid zijn, één zijn met het voorgaande, volmaaktheid, toonaangevend. Het is ook de kleur van Tiwaz, die het Ding overziet, en ook van Ing de heilbrengende, god der Alven, of van de Witten.

We kunnen volgende elementen verbinden:

ZWART ROOD WIT

Aarde Vuur Water

Nacht Schemer Dag

Winter Lente Zomer

Kiem Ontkiemen Volgroeid

Verleden Heden Schuld (toekomst)

Knecht Kerel Edel

Werker Krijger Leider

Dood Jong Oud

Dochter Moeder Grootmoeder

Geluk Voorspoed Heil

Onderwereld Wereld Hemel

As Vlam Rook

Wodanaz Ostara Tiwaz

Wodan Thuner Ing

We weten natuurlijk allemaal, dat in het verleden een regime gebruikmaakte van deze kleuren wat jammerlijk een smet bracht op het heidendom. Maar laat ons dit los zien van onze spirituele praktijk.

Bronnen:

Boppo Grimmsma, De Heidense Kleurendrieheid Zwart Rood Wit

Jan de Vries, Rood Wit Zwart in Volkkunde

Georges Dumézil, Gods of the ancient Northmen

Georges Dumézil, La courtisane et les seigneurs colorés

Georges Dumézil, The Rigstula and Indo European Social Structures

Rudolf Simek, Lexicon der Germaanse Mythologie

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram