Licht, Lichaam en Natuur: De Heidense Symboliek in het Werk van Fidus

Hugo Höppener, beter bekend onder zijn kunstenaarsnaam Fidus (1868–1948), behoort tot de meest intrigerende figuren van de Duitse Jugendstil en de levenshervormingsbeweging (Lebensreform). Zijn oeuvre weerspiegelt een intens verlangen naar harmonie tussen mens, natuur en kosmos en is diep doordrongen van symbolistische, spirituele én heidense invloeden die kenmerkend zijn voor de cultuur rond de eeuwwisseling.

Fidus werd sterk beïnvloed door zijn leermeester Karl Wilhelm Diefenbach, die een eenvoudiger, natuurgericht leven predikte. Deze invloed vertaalde zich in een beeldtaal waarin het menselijke lichaam centraal staat als drager van een oorspronkelijke, zuivere kracht. Vaak worden zijn figuren naakt of slechts licht gehuld afgebeeld, niet uit provocatie, maar als verwijzing naar een oertoestand waarin de mens nog in directe verbinding stond met de natuur. Deze visie sluit nauw aan bij een herwaardering van voorchristelijke, heidense ideeën, waarin het lichaam, de aarde en de kosmische orde als heilig werden beschouwd.

Een van zijn bekendste werken, Lichtgebet (ca. 1890), belichaamt deze gedachtewereld. De centrale figuur, een naakte jongeman die zijn armen naar het licht heft, roept niet alleen een spiritueel gebed op, maar ook een zonneritueel dat sterk verwant is aan heidense cultussen. Het licht fungeert hier niet enkel als christelijk symbool van goddelijke genade, maar eerder als een universele, kosmische energiebron – vergelijkbaar met de zonverering in prechristelijke tradities. Dit werk werd een soort icoon voor de levenshervormingsbeweging, waarin men het vervreemde moderne leven wilde overstijgen door terug te keren naar natuur, eenvoud en oude spirituele waarden.

De stijl van Fidus wordt gekenmerkt door sierlijke lijnen, zachte kleurverlopen en een bijna etherische sfeer. Zijn composities ademen rust, maar dragen tegelijk een geladen symboliek. Zonnestralen, stralende cirkels en geometrische patronen verwijzen vaak naar een kosmische orde die doet denken aan heidense wereldbeelden, waarin de mens een integraal onderdeel vormt van een levend universum. Zijn werk kan dan ook gezien worden als een visuele zoektocht naar een hernieuwde spiritualiteit, los van institutionele religies en eerder geworteld in een archaïsche, natuurgerichte beleving.

Naast schilderijen maakte Fidus ook talrijke illustraties voor tijdschriften en boeken die de idealen van de levenshervorming uitdroegen. Hij ontwierp bovendien utopische gemeenschappen en gebouwen waarin kunst, religie en dagelijks leven samenvloeien. Ook hierin is de invloed van heidense denkwijzen zichtbaar: een cyclische tijdsbeleving, het belang van rituelen, en de heiligheid van natuurlijke plekken en elementen.

Hoewel zijn populariteit na de Eerste Wereldoorlog afnam en zijn werk lange tijd als achterhaald of te esoterisch werd beschouwd, groeit vandaag opnieuw de belangstelling voor Fidus. Zijn combinatie van esthetiek, spiritualiteit en een herbronning in heidense symboliek spreekt opnieuw tot de verbeelding, zeker in een tijd waarin veel mensen op zoek zijn naar alternatieve vormen van zingeving en verbondenheid met de natuur.

Samenvattend vormt het oeuvre van Fidus een unieke synthese van kunst en ideologie. Zijn werken zijn niet alleen esthetisch verfijnd, maar dragen ook een diepgewortelde visie uit die teruggrijpt naar heidense tradities en een levenshouding waarin de mens opnieuw deel wordt van een groter, bezield geheel.

Bezoek ook het Fidus-Museum.

Feeën, Wouden en Oerkrachten: De Heidense Wereld van Arthur Rackham

Arthur Rackham (1867–1939) behoort tot de meest invloedrijke illustratoren van de late 19e en vroege 20e eeuw. Zijn werk, vooral bekend uit geïllustreerde uitgaven van sprookjes, volksverhalen en mythologische verhalen, vormt een unieke visuele wereld waarin het heidense element voortdurend aanwezig is. Hoewel hij zelden expliciet religieuze stelling inneemt, ademt zijn oeuvre een diepe verbondenheid met voorchristelijke verbeeldingen van natuur, magie en het bovennatuurlijke.

Rackhams illustraties zijn doordrongen van een animistische visie op de wereld, die sterk aansluit bij heidense denkbeelden. Bomen, rotsen en landschappen worden bij hem bezield en krijgen vaak menselijke trekken. Kronkelende takken lijken gezichten te vormen, wortels nemen grillige, bijna dierlijke vormen aan, en het bos wordt een levend organisme. Deze voorstelling van de natuur als bezielde werkelijkheid weerspiegelt een wereldbeeld dat kenmerkend is voor het heidendom, waarin elk element van de natuur een eigen geest of kracht bezit.

Zijn illustraties voor werken zoals de sprookjes van de gebroeders Grimm, Peter Pan in Kensington Gardens en A Midsummer Night’s Dream brengen een universum tot leven waarin feeën, geesten en andere natuurwezens een vanzelfsprekende plaats innemen. Deze figuren zijn geen loutere fantasie, maar echo’s van oude volksgeloven die hun wortels hebben in Germaanse en Keltische heidense tradities. De feeën bij Rackham zijn vaak ambivalent: niet enkel lieflijk, maar soms ook grillig, duister of zelfs dreigend. Daarmee sluiten ze aan bij de oorspronkelijke opvatting van natuurgeesten als krachten die zowel beschermend als gevaarlijk kunnen zijn.

Ook in zijn interpretaties van mythologische verhalen, zoals zijn illustraties bij Wagners Ring des Nibelungen, komt het heidense karakter sterk naar voren. Hier beeldt Rackham goden, reuzen en helden af binnen een wereld die wordt beheerst door oerkrachten, magie en noodlot. De Germaanse mythologie, met haar nadruk op strijd, eer en de onvermijdelijke ondergang (zoals in het verhaal van de Ragnarök), krijgt bij Rackham een visuele vorm die tegelijk verfijnd en archaïsch aandoet. Zijn figuren lijken uit de aarde zelf voort te komen en zijn nauw verbonden met het landschap waarin zij verschijnen.

Stilistisch kenmerkt Rackham zich door het gebruik van fijne, nerveuze lijnen en een ingetogen kleurenpalet, vaak gedomineerd door aardetinten en zachte wassingen. Deze techniek versterkt de mysterieuze en dromerige sfeer van zijn werk. De wereld die hij oproept is geen heldere, rationele werkelijkheid, maar een schemerzone waarin het zichtbare en het onzichtbare in elkaar overlopen – een ruimte die nauw aansluit bij de overgangswereld van het heidense geloof, waar goden, geesten en mensen elkaar konden ontmoeten.

Wat Rackham bijzonder maakt, is dat hij het heidense niet als iets exotisch of historisch presenteert, maar als een latent aanwezige dimensie van de werkelijkheid. Zijn illustraties suggereren dat achter het alledaagse landschap een oudere, verborgen wereld schuilgaat, waarin oude krachten nog steeds werkzaam zijn. Het bos wordt zo een plaats van transformatie en mysterie, een heilig domein dat zowel aantrekt als afschrikt.

In de context van zijn tijd kan Rackhams werk worden gezien als een reactie op de rationalisering en industrialisering van de moderne samenleving. Door terug te grijpen op sprookjes, mythes en heidense symboliek, opent hij een venster naar een wereld waarin de mens opnieuw verbonden is met de natuur en het onverklaarbare. Zijn kunst vormt daarmee een subtiele, maar krachtige herwaardering van een premoderne, heidense gevoeligheid.

Samenvattend kan worden gesteld dat Arthur Rackham, via zijn unieke illustratiestijl en thematische keuzes, een visuele brug slaat naar het heidense verleden. Zijn bezielde natuur, zijn ambivalente feeën en zijn mythische verbeelding brengen een wereld tot leven waarin het oude geloof in de levenskracht van natuur en mythe nog steeds voelbaar is.

Heidense Symboliek en Culturele Identiteit in het Werk van Konstantin Vasilyev

Konstantin Aleksejevitsj Vasilyev (1942–1976) behoort tot de meest intrigerende en tegelijk controversiële kunstenaars uit de late Sovjetperiode. Zijn werk bevindt zich op het snijvlak van mythologie, geschiedenis en spirituele verbeelding, en wordt vaak in verband gebracht met een heropleving van heidense (pre-christelijke) symboliek en wereldbeelden. Hoewel hij gedurende zijn leven geen brede erkenning genoot binnen de officiële kunstwereld van de Sovjet-Unie, heeft zijn oeuvre na zijn dood een bijna cultische status verworven, vooral onder bewonderaars van slavische mythologie, national-romantiek en esoterische tradities.

Vasilyev werd geboren in Maikop, maar bracht het grootste deel van zijn leven door in Kazan. Zijn vroege werk stond nog onder invloed van het socialistisch realisme en experimenten met abstractie, maar al snel ontwikkelde hij een geheel eigen stijl die gekenmerkt werd door een bijna mystieke helderheid, een precieze, haast glaciale detaillering en een sterk symbolisch geladen beeldtaal. In tegenstelling tot de materialistische en ideologisch gestuurde kunst die in de Sovjettijd werd gepromoot, keerde Vasilyev zich naar het verleden – niet uit nostalgie alleen, maar vanuit een diep verlangen om de spirituele wortels van zijn cultuur te herontdekken.

Het heidense karakter van Vasilyevs werk komt vooral tot uiting in zijn fascinatie voor oude Slavische mythen, heldenverhalen en natuurkrachten. In schilderijen zoals “De Noordelijke Krijger”, “Ilya Moeromets”, of “Wachten bij de Toren” zien we een wereld die doordrongen is van archetypische symboliek: krijgers die niet enkel strijders zijn, maar hoeders van een kosmische orde; bossen en landschappen die niet louter decor vormen, maar levende entiteiten met een eigen geestelijkheid; en figuren die staan op de grens tussen mens en mythisch wezen.

Een belangrijk element in zijn heidens geïnspireerde werk is de verheerlijking van de natuur als een bezielde kracht. In tegenstelling tot een christelijk wereldbeeld waarin de natuur vaak ondergeschikt is aan de mens en God, toont Vasilyev een wereld waarin de mens deel uitmaakt van een groter, organisch geheel. Bossen, sneeuwlandschappen en nachtelijke luchten worden door hem weergegeven als bijna sacrale ruimtes. Het licht – vaak kil, zilverachtig of maanachtig – geeft zijn schilderijen een bovenaardse sfeer, alsof de afgebeelde momenten zich afspelen buiten de lineaire tijd, in een mythisch “altijd”.

Ook de heldenfiguur speelt een cruciale rol. Vasilyevs krijgers zijn geen gewone soldaten, maar eerder manifestaties van een oeroude krijger-ethiek, waarin eer, plicht en verbondenheid met het land centraal staan. Deze figuren hebben vaak een verstilde, bijna meditatieve uitstraling. Ze kijken niet alleen naar een externe vijand, maar lijken naar binnen te keren, alsof ze waken over een innerlijk vuur of een vergeten waarheid. In dat opzicht zijn ze niet enkel historische personages, maar symbolen van een spirituele continuïteit die teruggrijpt naar voorchristelijke tijden.

Het is precies deze nadruk op een “oorspronkelijke” identiteit die maakt dat zijn werk door sommigen wordt geïnterpreteerd als onderdeel van een bredere heidense of neopaganistische heropleving. Vasilyev zelf heeft echter nooit expliciet een ideologisch manifest nagelaten waarin hij zichzelf als heiden definieert. Zijn werken spreken eerder via beelden dan via woorden, en laten ruimte voor interpretatie. Wat wel duidelijk is, is dat hij een diepe affiniteit had met de noordelijke mythologie, zowel Slavisch als Scandinavisch. Motieven die doen denken aan Odinachtige figuren, runenachtige structuren en mythologische helden keren regelmatig terug.

Zijn stijl draagt sterk bij aan de impact van deze thematiek. In tegenstelling tot de chaotische of expressieve benadering van sommige moderne kunstenaars, kiest Vasilyev voor een bijna fotografische precisie gecombineerd met een droomachtige compositie. Deze paradox – helderheid gepaard met mysterie – versterkt het gevoel dat men kijkt naar iets dat zowel werkelijk als transcendent is. Zijn kleurgebruik, vaak gedempt en koel, versterkt de sfeer van een noordelijke, archaïsche wereld waarin tijd lijkt stil te staan.

Na zijn vroege dood in 1976 – onder omstandigheden die tot op vandaag aanleiding geven tot speculatie – groeide zijn reputatie gestaag. In de jaren na de val van de Sovjet-Unie werd zijn werk opnieuw ontdekt en kreeg het een nieuwe betekenis in een tijd waarin veel mensen op zoek gingen naar culturele en spirituele wortels buiten de officiële ideologie. Binnen bepaalde kringen werd hij zelfs verheven tot een soort “ziener” of visionair die een verloren wereld opnieuw zichtbaar had gemaakt.

Samenvattend kan men stellen dat het heidense karakter van Konstantin Vasilyevs werk niet louter een thematische keuze is, maar een diepgewortelde visie op mens, natuur en geschiedenis. Zijn schilderijen vormen een brug tussen het zichtbare en het onzichtbare, tussen verleden en heden, en roepen een wereld op waarin de oude goden, helden en natuurkrachten nog steeds aanwezig zijn – niet als relikwieën van een vergeten tijd, maar als levende archetypen die resoneren in het collectieve bewustzijn.

Yggdrasil en Wereldbouw: August Heytings Visie op Kosmos, Natuur en Heidendom

August Heyting kan begrepen worden als een figuur die zich bewoog op het snijvlak van studie, verbeelding en spirituele heroriëntatie, in een tijd waarin vele denkers en kunstenaars teruggrepen naar het voorchristelijke verleden om nieuwe betekenis te vinden in een snel veranderende wereld. Zijn naam is nauw verbonden met de Kelto-Germaanse Studiekring Yggdrasil, een omgeving waarin mythologie, natuurbeleving en culturele identiteit samenkwamen. Binnen die context ontstond ook zijn belangrijkste werk, Yggdrasil, of: Wereldbouw uit 1936, dat in twee delen verscheen en waarin hij een samenhangende visie probeerde te ontwikkelen op wat hij zelf aanduidde als “Germaansche cosmogenie”.

Dit werk moet niet gelezen worden als een louter beschrijvende studie van oude mythen, maar eerder als een poging tot het opbouwen van een volledig wereldbeeld. Heyting wilde geen losse verhalen verzamelen, maar de onderliggende structuren ervan blootleggen en ordenen tot een kosmisch systeem. Het centrale beeld dat hij daarvoor gebruikt, de wereldboom Yggdrasil uit de Noordse mythologie, fungeert niet simpelweg als illustratie, maar als dragend principe van zijn denken. De werkelijkheid wordt door hem voorgesteld als een levend, organisch geheel, opgebouwd volgens een verticale structuur waarin verschillende bestaansniveaus met elkaar verbonden zijn. De wortels reiken naar de oersfeer en de wereld van de voorouders, de stam vertegenwoordigt de menselijke werkelijkheid waarin het concrete leven zich afspeelt, en de kruin opent zich naar het geestelijke of goddelijke domein. Deze driedeling is bij Heyting echter geen statisch schema: het is een dynamisch geheel waarin voortdurende wisselwerking bestaat. De mens staat niet buiten dit systeem, maar middenin, als een knooppunt waarin verleden, heden en het hogere samenkomen.

In zijn benadering van cosmogenie wijkt Heyting bovendien af van lineaire scheppingsopvattingen. De wereld ontstaat bij hem niet éénmalig, maar bevindt zich in een voortdurende staat van wording. Groei, verval en hernieuwing volgen elkaar cyclisch op, zoals in de natuur en de seizoenen. Die nadruk op cyclische tijd en herhaling sluit nauw aan bij seizoensfeesten en rituelen, zoals de zonnewendes en het Joelfeest, die in zijn denken een centrale plaats innemen. Het heidendom verschijnt bij hem dan ook niet als een systeem van dogma’s, maar als een levenshouding waarin de mens zich opnieuw afstemt op de ritmes van natuur en kosmos.

Wat Wereldbouw bijzonder maakt, is dat het niet beperkt blijft tot een intellectuele onderneming. De tekst heeft een uitgesproken ervaringsgericht karakter. Heyting schrijft niet enkel om te verklaren, maar ook om te evoceren en te activeren. Zijn taalgebruik is plechtig, symbolisch geladen en vaak ritmisch, waardoor het werk soms de indruk wekt van een liturgische of bezwerende tekst. Dit maakt het boek enerzijds moeilijk toegankelijk, maar anderzijds ook intens van toon: het wil de lezer niet alleen laten begrijpen, maar ook iets laten ervaren van de samenhang die het beschrijft.

Diezelfde sfeer en thematiek keren terug in zijn poëzie. Zijn gedichten, zoals die in literaire verzamelingen bewaard zijn gebleven, vormen geen losstaand onderdeel van zijn oeuvre, maar een directe verlenging ervan. Waar Wereldbouw de structuur en het denkraam biedt, geven de gedichten vorm aan de beleving. Ze zijn doordrenkt van natuurbeelden, seizoenswisselingen en archaïsche symboliek, en dragen vaak een ritmische, bijna bezwerende klank. In die poëzie wordt de kosmologie als het ware voelbaar gemaakt: de cyclische tijd, de verbondenheid met het landschap en de aanwezigheid van een diepere, onderliggende orde worden er niet uitgelegd, maar opgeroepen.

Toch moet Heytings werk ook kritisch benaderd worden. Het mist de afstandelijke, historische nauwkeurigheid van moderne wetenschap en vermengt bronnen, interpretaties en eigen inzichten op een vrije manier. Zijn gebruik van het begrip “Germaansch” is eerder ideëel dan strikt historisch, en zijn werk weerspiegelt duidelijk de geest van een tijd waarin men actief op zoek ging naar culturele wortels en identiteit. In die zin is Yggdrasil, of: Wereldbouw niet zozeer een exacte reconstructie van een oude religie, maar een creatieve herinterpretatie ervan.

Desondanks ligt juist daarin de kracht van zijn werk. Het is geen meesterwerk vanwege brede invloed of academische erkenning, maar door de ambitie en samenhang ervan. Heyting probeert een volledig wereldbeeld te formuleren waarin mens, natuur en mythologie opnieuw met elkaar verbonden worden, en doet dat op een manier die zowel intellectueel als intuïtief aanspreekt. Zijn werk vormt een voorbeeld van hoe mythologische symbolen kunnen worden ingezet om een moderne zoektocht naar betekenis vorm te geven.

Dat maakt Yggdrasil, of: Wereldbouw tot een bijzonder document: niet enkel een boek over een kosmologie, maar een poging om die kosmologie opnieuw tot leven te brengen. In combinatie met zijn poëzie vormt het een geheel waarin denken en voelen, structuur en ervaring, studie en beleving samenvallen. Het is precies die synthese die Heytings werk zijn blijvende, zij het beperkte, betekenis geeft binnen de bredere ontwikkeling van moderne heidense en natuurreligieuze stromingen.

Rien Poortvliet en zijn bijdrage aan het heidendom

Wanneer men spreekt over de culturele wortels van het moderne heidendom in de Lage Landen, worden vaak namen genoemd van schrijvers, mythologen en onderzoekers van volkscultuur. Minder vaak wordt gedacht aan de kunstenaar Rien Poortvliet. Toch heeft deze Nederlandse illustrator een opmerkelijke invloed gehad op de manier waarop duizenden mensen opnieuw naar natuur, folklore en de oude Europese verbeeldingswereld zijn gaan kijken. Hoewel Poortvliet zelf geen heidense leermeester was en zich nooit heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger van een bepaalde spirituele stroming, heeft zijn werk een diepgaande invloed gehad op de heropleving van natuurspiritualiteit en het herontdekken van het voorchristelijke erfgoed van Europa.

Rien Poortvliet beschouwde zichzelf niet als kunstenaar maar als een “tekenend verteller”. Zijn werk werd gekenmerkt door een uitzonderlijk oog voor detail, een grote liefde voor dieren en een diep respect voor het plattelandsleven. Hij bracht talloze uren door in bossen, velden en natuurgebieden, waar hij dieren observeerde en schetste. Die intense verbondenheid met de levende natuur vormt de kern van vrijwel zijn gehele oeuvre. Zijn tekeningen tonen geen natuur als decor voor menselijke activiteiten, maar als een zelfstandige wereld met een eigen waarde en waardigheid.

Juist deze visie sluit nauw aan bij een van de fundamentele uitgangspunten van het heidendom: de overtuiging dat de mens onderdeel is van de natuur en niet erboven staat. In veel heidense tradities wordt de natuur beschouwd als bezield en heilig. De seizoenen, de plantenwereld, de dieren en de landschappen vormen niet slechts materiële verschijnselen, maar zijn dragers van betekenis en spirituele waarde. Hoewel Poortvliet hierover niet expliciet religieuze uitspraken deed, ademt zijn werk dezelfde eerbied voor het natuurlijke leven. Zijn illustraties nodigen uit tot verwondering, aandacht en respect voor de wereld om ons heen.

De grootste invloed van Poortvliet op het moderne heidendom kwam echter voort uit zijn samenwerking met schrijver Wil Huygen. In 1976 verscheen Leven en werken van de Kabouter, een boek dat wereldwijd miljoenen lezers bereikte en in meer dan twintig talen werd vertaald. Het boek werd geschreven als een quasi-wetenschappelijke studie van kabouters, compleet met beschrijvingen van hun geschiedenis, anatomie, gewoonten en levenswijze. De gedetailleerde illustraties van Poortvliet maakten deze wereld buitengewoon geloofwaardig.

Wat dit boek zo bijzonder maakte, was niet alleen de fantasie, maar vooral de manier waarop kabouters werden voorgesteld als beschermers van de natuur. Zij leefden verborgen tussen bomen en wortels, hielpen dieren in nood, respecteerden het evenwicht van de natuur en namen nooit meer dan zij werkelijk nodig hadden. In deze voorstelling herkennen veel hedendaagse heidenen onmiddellijk elementen van hun eigen wereldbeeld. De kabouter werd niet neergezet als een sprookjesfiguur, maar als een vertegenwoordiger van een oudere, natuurlijke wijsheid die door de moderne mens grotendeels vergeten was.

Daarmee sloot Poortvliet onbewust aan bij een lange Europese traditie van natuurwezens en landgeesten. In Germaanse, Keltische en Scandinavische volksverhalen komen immers talloze figuren voor die nauw verwant zijn aan zijn kabouters: alfen, elfen, dwergen, woudgeesten en huisgeesten. Deze wezens vormden eeuwenlang een vanzelfsprekend onderdeel van het volksgeloof. Met de opkomst van rationalisme en industrialisatie verdwenen zij geleidelijk naar de achtergrond. Poortvliet gaf deze oude beelden echter opnieuw een gezicht en bracht ze terug in het collectieve bewustzijn van een moderne generatie.

Nog duidelijker wordt zijn betekenis voor natuurspiritualiteit in het vervolgboek De oproep der Kabouters uit 1981. In dit verhaal worden Poortvliet en Huygen door de kabouters naar het hoge noorden geroepen. Daar vernemen zij de zorgen van de natuurwezens over de toestand van de aarde. De centrale boodschap van het boek is dat de mens door zijn gedrag het natuurlijke evenwicht verstoort en daardoor niet alleen de natuur, maar uiteindelijk ook zichzelf beschadigt.

Deze ecologische boodschap was opvallend vooruitstrevend voor haar tijd. Lang voordat duurzaamheid een breed maatschappelijk thema werd, wezen de kabouters van Poortvliet al op ontbossing, vervuiling en de vervreemding van de mens van de natuur. Moderne heidense stromingen hebben vaak een sterke ecologische component en beschouwen natuurbescherming zelfs als een spirituele verantwoordelijkheid. Daardoor werd De oproep der Kabouters door velen ervaren als meer dan een fantasieverhaal; het werd een pleidooi voor een andere houding tegenover de aarde.

Ook zijn afbeeldingen van het oude plattelandsleven spreken veel mensen aan die zich aangetrokken voelen tot heidense tradities. In boeken zoals Langs het tuinpad van mijn vaderen schilderde Poortvliet een wereld waarin het leven nog sterk verbonden was met de seizoenen, het land, de gemeenschap en traditionele gebruiken. Dit verlangen naar wortels, verbondenheid en eenvoud is eveneens herkenbaar binnen veel moderne heidense bewegingen. Het gaat daarbij niet om nostalgie alleen, maar om het besef dat oude levenswijzen vaak uitgingen van een diepere relatie tussen mens en omgeving.

Het bijzondere aan Poortvliet is dat zijn invloed vooral emotioneel en verbeeldend was. Hij schreef geen religieuze verhandelingen en ontwikkelde geen spiritueel systeem. Wat hij deed, was wellicht nog krachtiger: hij gaf mensen beelden die hun gevoel voor verwondering wakker maakten. Zijn bossen, dieren en kabouters riepen het gevoel op dat er achter de zichtbare werkelijkheid nog iets anders aanwezig is; een oude, mysterieuze laag waarin mens en natuur nog met elkaar verbonden zijn. Voor velen vormde juist dat gevoel een eerste stap naar interesse in folklore, mythologie en uiteindelijk ook heidense spiritualiteit.

Daarom kan worden gesteld dat Rien Poortvliet geen heiden was in de betekenis van een religieus leider of ideoloog. Zijn bijdrage ligt elders. Hij gaf een gezicht aan de geest van het woud, aan de wijsheid van oude volksverhalen en aan de heiligheid van de natuur. Door zijn kunst herinnerde hij duizenden mensen eraan dat de wereld meer kan zijn dan wat met het blote oog zichtbaar is. In die zin heeft hij een blijvende plaats verworven binnen de culturele voedingsbodem van het moderne Europese heidendom. Zijn werk blijft tot op vandaag een bron van inspiratie voor iedereen die in bossen, dieren en oude verhalen iets van het heilige weet te herkennen.

Arduinna, heerseres van het woud

De naam van de Ardennen is nauw verbonden met de Keltische godin Arduinna, een lokale, maar betekenisvolle godheid uit de Gallisch-Romeinse wereld die rechtstreeks gelinkt was aan het landschap zelf. Haar naam gaat terug op het Gallische woord ardu- of arduo-, dat “hoog”, “verheven” of “bergachtig” betekent, een duidelijke verwijzing naar het reliëf van het Ardense plateau. De Romeinen namen deze benaming over in de vorm Arduenna silva, waarmee zij het uitgestrekte bosmassief aanduidden dat zich uitstrekte over delen van het huidige België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland. Uit deze term ontwikkelde zich geleidelijk de moderne naam “Ardennen”, zodat het landschap zelf als het ware de naam van de godin is blijven dragen.

Arduinna moet niet louter als een godin van het woud worden begrepen, maar eerder als een personificatie van het woud zelf. In de Keltische wereld bestond immers een sterke tendens om natuur en godheid niet te scheiden: bergen, rivieren en bossen waren manifestaties van het goddelijke. In dat opzicht was Arduinna niet alleen beschermster van de natuur, maar ídentiek aan de Ardennen als levende, bezielde werkelijkheid. Zij belichaamde de dichtbeboste hoogten, de schaduwrijke valleien en de ruige, moeilijk toegankelijke natuur die deze streek al in de oudheid kenmerkte.

De verering van Arduinna concentreerde zich in de regio van de Ardennen en de aangrenzende gebieden van Gallia Belgica. Zij werd vooral aanbeden in het oosten van het huidige België, Luxemburg, het westelijke Rijnland en het noorden van Frankrijk. Archeologische aanwijzingen voor haar cultus zijn schaars maar betekenisvol: enkele Romeinse inscripties, waaronder een votiefaltaar uit de omgeving van het huidige Düren (Duitsland), vermelden haar naam expliciet als “Deae Ardbinnae”. Zulke inscripties wijzen erop dat zij daadwerkelijk werd aangeroepen en geëerd door lokale gemeenschappen, mogelijk door jagers, reizigers of bewoners die bescherming zochten in het uitgestrekte woud.

Naast inscripties zijn er ook beeldhouwwerken die met haar in verband worden gebracht, al is de identificatie daarvan niet altijd zeker. Een bekend voorbeeld is een Gallo-Romeins bronzen beeldje van een vrouw in een korte tuniek, gezeten op een everzwijn en gewapend met een jachtmes. Hoewel de naam Arduinna niet op het beeld staat, wordt het traditioneel met haar geassocieerd, mede omdat het everzwijn een krachtig symbool was in de Keltische cultuur en sterk verbonden is met de Ardennen. Dit dier stond voor moed, strijdlust en overlevingskracht en werd beschouwd als een soort totemdier van het woud. In die zin weerspiegelt de iconografie van Arduinna een diepere symboliek: zij beheerst de wilde natuur niet door haar te domineren, maar door er één mee te zijn.

Tijdens de Romeinse overheersing werd Arduinna gedeeltelijk geïntegreerd in de Romeinse religie. Zij werd vaak gelijkgesteld met Diana, de Romeinse godin van de jacht, wat wijst op een proces van religieuze vermenging of interpretatio romana. Toch bleef haar lokale karakter behouden, en haar cultus was duidelijk geworteld in de specifieke geografie van de Ardennen. De Romeinen erkenden dus niet alleen haar bestaan, maar namen haar zelfs op in hun religieuze systeem zonder haar volledig te vervangen.

Dat haar verering diep verankerd was, blijkt ook uit latere bronnen. In de 6e eeuw beschreef Gregorius van Tours hoe een christelijke prediker, Walfroy, in de Ardennen probeerde de bevolking af te brengen van hun heidense gebruiken. Op een heuvel bij Margut stond volgens hem een groot beeld van Diana waar mensen samenkwamen om te offeren, te zingen en te feesten. Hoewel hier de naam Diana wordt gebruikt, nemen historici aan dat het in werkelijkheid om de voortzetting van de cultus van Arduinna ging onder een geromaniseerde naam. De vernietiging van dit beeld markeert symbolisch het einde van haar actieve verering en de overgang naar het christendom.

De betekenis van Arduinna reikt dus verder dan enkel religie. Zij vertegenwoordigt een oud wereldbeeld waarin natuur, landschap en spiritualiteit onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Haar naam leeft voort in de Ardennen, maar ook in andere plaatsnamen die teruggaan op Arduenna, en vormt zo een zeldzaam voorbeeld van een godheid die rechtstreeks in de geografie is verankerd. Zelfs vandaag dragen de Ardennen nog de kenmerken die men aan haar zou hebben toegeschreven: wild, mysterieus, moeilijk te temmen, maar tegelijk beschermend en voedend voor wie er leeft.

In die zin is Arduinna niet zomaar een vergeten godin uit een ver verleden, maar de verpersoonlijking van een landschap dat haar naam en haar geest heeft bewaard.

Sint‑Margriet: van oeroude vruchtbaarheidssymboliek tot zomerse beschermheilige

Sint‑Margriet is een heilige die in de christelijke traditie bekendstaat als martelares en beschermster van zwangere vrouwen, maar achter haar figuur schuilt waarschijnlijk een veel oudere symbolische laag die teruggaat op voorchristelijke, heidense denkbeelden. Haar verhaal en haar plaats op de kalender verraden namelijk dat zij niet enkel een historische of religieuze figuur is, maar ook een drager van archetypische betekenissen rond natuur, vruchtbaarheid en levenscycli.

Volgens de christelijke legende werd Margriet geconfronteerd met een draak — een demonisch wezen dat haar opslokte, waarna zij wonderbaarlijk levend weer tevoorschijn kwam. Deze symboliek sluit opvallend aan bij oudere mythologische motieven die in veel Europese, ook Germaanse, tradities voorkomen. De draak of slang werd daar niet enkel gezien als een kwaadaardig monster, maar eerder als een belichaming van oerkrachten: de aarde, de onderwereld, chaos en vruchtbaarheid. Het ingeslikt worden en opnieuw geboren worden kan dan gelezen worden als een ritueel van transformatie — een overgang van dood naar leven, van duister naar licht. Dit soort verhalen sluit nauw aan bij initiatie‑ en vruchtbaarheidsmythen, waarin een godheid of held symbolisch “sterft” en herboren wordt.

Binnen dat kader krijgt Sint‑Margriet trekken van een oudere vrouwelijke figuur: een beschermster van leven en geboorte. Het is dan ook geen toeval dat zij in de middeleeuwen werd aangeroepen bij bevallingen. In heidense culturen speelden godinnen die waakten over vruchtbaarheid, zwangerschap en het voortbrengen van nieuw leven een centrale rol. Vaak hadden zij ook een band met dieren, slangen of draakachtige wezens — symbolen van de levenskracht die uit de aarde zelf voortkomt. Margriet lijkt deze rol in gekerstende vorm verder te zetten.

Ook haar feestdag, op 20 juli, past in dit diepere patroon. Deze datum valt midden in de zomer, in een periode die in voorchristelijke tijden bijzonder geladen was met betekenis. De zon staat nog hoog, de velden staan vol met rijpende gewassen, en de natuur bevindt zich op een hoogtepunt van levenskracht. Tegelijk is het een kwetsbaar moment: wat gegroeid is, moet nu beschermd worden tegen mislukking, storm of bederf. Daarom was deze periode van oudsher verbonden met rituelen rond vruchtbaarheid, bescherming en overgang.

De verering van Sint‑Margriet in juli kan dus gezien worden als een voortzetting van oudere zomergebruiken. Haar rol als beschermster van barende vrouwen weerspiegelt de symboliek van de aarde die “zwanger” is van de oogst. Net zoals een geboorte gepaard gaat met risico en hoop, zo was ook de naderende oogst een moment van spanning en verwachting. In die zin vertegenwoordigt Margriet niet enkel individuele vruchtbaarheid, maar ook de vruchtbaarheid van de gemeenschap en het land.

Daarnaast past haar overwinning op de draak in de zomerse symboliek van orde die het haalt op chaos. In een tijd waarin natuurkrachten — hitte, stormen, groei — op hun sterkst zijn, wordt de nood gevoeld om deze krachten te temmen of te beheersen. Het beeld van de vrouw die het monster overwint, kan begrepen worden als een verbeelding van de mens die grip probeert te krijgen op de wilde, onvoorspelbare natuur.

Het feit dat haar feestdag zo dicht ligt bij die van Sint‑Jacobus (25 juli) en Sint‑Anna (26 juli) wijst bovendien op een bredere structuur. Samen vormen deze dagen een symbolische reeks: van vruchtbaarheid en geboorte (Margriet), over overgang en reis (Jacobus), naar oorsprong en moederschap (Anna). Dit weerspiegelt de cyclus van groei, rijping en voortzetting — precies wat zich in de natuur afspeelt in deze fase van het jaar.

Kort samengevat kan men zeggen dat Sint‑Margriet een voorbeeld is van hoe het christendom oudere, heidense betekenissen niet heeft uitgewist, maar hervertaald. Haar draak is meer dan een duivel: het is een oersymbool van de natuur. Haar rol als beschermster gaat terug op oeroude vruchtbaarheidscultussen. En haar plaats in juli is geen toeval, maar ingebed in een tijd van het jaar die al lang vóór haar verering in het teken stond van leven, gevaar en wedergeboorte.

De Midzomergordel: Een Traditie van Bescherming en Bloei

Lang vóór de komst van het christendom droegen mensen in grote delen van Europa reeds koorden, banden en gordels die niet louter praktisch waren, maar doordrongen van symboliek en rituele kracht. Rond de tijd van de zonnewende, wanneer de dagen hun grootste lengte bereikten en de zon op haar hoogste punt stond, kwam deze betekenis het sterkst tot uiting. Midzomer werd ervaren als een moment waarop de zichtbare en onzichtbare wereld dichter bij elkaar kwamen te liggen, een kantelpunt waarop krachten van groei, vruchtbaarheid en bescherming versterkt waren, maar evenzeer kwetsbaarheid en gevaar zich konden laten voelen. In die geladen sfeer kreeg het dragen van een gordel of koord een specifieke betekenis: het was een manier om het eigen lichaam af te bakenen, te beschermen en te verbinden met de levenskracht van de natuur die op dat ogenblik haar hoogtepunt bereikte.

Zo’n gordel werd vaak vervaardigd uit natuurlijke materialen die zelf als krachtig werden beschouwd. Men gebruikte vlas, wol of bastvezels, soms gecombineerd met vers geplukte kruiden en bloemen zoals bijvoet, Sint-Janskruid, kamille of duizendblad, planten die rond de zonnewende verzameld werden omdat men geloofde dat zij op dat moment hun grootste genezende en beschermende werking bezaten. Ook bloemen speelden hierin een uitgesproken symbolische rol. Bloeiende planten vormden het zichtbare bewijs van de overvloed van de natuur en werden daarom gezien als dragers van vruchtbaarheid, levenskracht en schoonheid. Door bloemen in een gordel te vlechten of eraan te bevestigen, omgaf men zich letterlijk met de energie van bloei en groei. Sint-Janskruid werd geassocieerd met bescherming tegen duistere krachten, kamille met rust en herstel, en korenbloemen of margrieten met zuiverheid en verbondenheid met veld en zon. De gordel werd zo een levend geheel, waarin geur, kleur en textuur samenwerkten met symboliek.

Het verzamelen van deze planten was op zichzelf al een ritueel. Vaak deed men dit bij zonsopgang of in de avondschemering, momenten waarop de overgang tussen dag en nacht voelbaar was. Men plukte met aandacht, soms in stilte of volgens vaste gebruiken, omdat men ervan uitging dat de houding van de verzamelaar invloed had op de kracht van het materiaal. De bloemen en kruiden werden daarna niet willekeurig gebruikt, maar bewust gerangschikt of gevlochten, waarbij elke keuze een betekenis kon dragen. De gordel die uit die handelingen voortkwam, droeg dus niet alleen de fysieke eigenschappen van de gebruikte stoffen, maar ook de intentie en de aandacht van degene die hem maakte.

Naast deze botanische symboliek speelde ook de structuur van de gordel zelf een belangrijke rol, vooral in de vorm van knopen. In veel Europese tradities werd het knopen van een koord gezien als een daad van wilskracht, waarbij elke knoop een specifieke betekenis kon krijgen. Dit wordt soms omschreven als een vorm van knopenmagie, waarbij men door het leggen van knopen als het ware krachten vastzette of richtte. Een gordel kon bijvoorbeeld negen knopen bevatten, een getal dat in verschillende culturen verbonden was met voltooiing en bescherming. Elke knoop kon staan voor een wens, een intentie of een vorm van bescherming: gezondheid, vruchtbaarheid, kracht, bescherming tegen ziekte of het afwenden van kwaad. Door het dragen van zo’n gordel droeg men die opeenvolging van intenties letterlijk met zich mee, als een ritmische en tastbare omsluiting van het lichaam.

Tijdens midzomerfeesten, waarbij grote vuren werden ontstoken op heuvels en open velden, kreeg de gordel een extra dimensie. Mensen dansten rond het vuur, sprongen eroverheen of bewogen in kringvormige patronen die de cyclus van het jaar weerspiegelden. De gordel werd daarbij soms gedragen als bescherming tijdens deze rituelen, maar kon ook actief worden gebruikt in handelingen van zuivering en overgang. In sommige overleveringen werd de gordel na het feest in het vuur geworpen, zodat alles wat men achter zich wilde laten – ziekte, ongeluk, negatieve invloeden – symbolisch verteerd werd door het vuur. In andere gevallen bleef de gordel behouden en werd hij gedurende het jaar gedragen als een blijvende bescherming, versterkt door de kracht van het midzomermoment en de nabijheid van het vuur. De bloemen die erin verwerkt waren, droogden dan langzaam uit, maar behielden volgens de traditie hun kracht, alsof de essentie van het zomerse hoogtepunt in de gordel werd vastgehouden.

Daarnaast bestond er een nauwe band tussen zulke gordels en vruchtbaarheid. Midzomer was een feest van overvloed: gewassen stonden hoog, dieren waren actief, en de cyclus van leven bereikte een zichtbaar hoogtepunt. Het dragen van een gordel waarin bloemen en kruiden verwerkt waren, kon gezien worden als een manier om zich fysiek en symbolisch in die stroom van groei te plaatsen. Vooral voor jonge mensen kon het dragen van een dergelijke gordel een subtiele markering zijn van overgang, volwassenwording of verbondenheid met de levenscyclus. De cirkelvorm van de gordel zelf versterkte dit idee: zonder begin of einde, een voortdurende kring van leven, dood en hernieuwing.

Wat opvalt, is hoe de gordel tegelijk bescherming en verbinding uitdrukte. Enerzijds vormde hij een grens, een omheining van het lichaam tegen onzichtbare invloeden die men als bedreigend ervoer. Anderzijds was hij een middel om zich juist af te stemmen op de krachten van de natuur, om de energie van zon, aarde en bloei in zich op te nemen. De bloemen brachten de kracht van de groeiende wereld mee, de knopen de gerichte wil van de drager, en samen vormden zij een object dat zowel persoonlijk als kosmisch geladen was.

Toen later het christendom deze gebruiken begon te integreren, werd deze oude gordeltraditie niet vernietigd, maar hervertaald. De bloemen en kruiden bleven, maar kregen nieuwe namen en associaties; de knopen bleven, maar werden eerder gezien als tekens van devotie dan van magische intentie. Toch bleef onder deze nieuwe betekenislaag de oudere structuur zichtbaar: een cirkel rond het lichaam, geweven uit natuur en bedoeling, gedragen op een moment waarop de wereld zelf in haar grootste kracht stond. De heidense midzomergordel leeft zo voort, niet alleen als historisch fenomeen, maar als een echo van een tijd waarin mens en natuur als één doorlopend geheel werden ervaren, zichtbaar en tastbaar gemaakt in iets eenvoudigs als een band van vezels, bloemen en knopen rond het lichaam.

Onder Trollen en Wouden: Het Heidense Wereldbeeld van John Bauer

De Zweedse illustrator John Bauer (1882–1918) neemt een bijzondere plaats in binnen de Europese kunstgeschiedenis dankzij zijn betoverende voorstellingen van sprookjes, volkssagen en mythische landschappen. Zijn werk, vooral bekend uit de illustraties voor de jaarlijkse bundel Bland tomtar och troll (“Onder kabouters en trollen”), ademt een diepgewortelde verbondenheid met een heidens wereldbeeld waarin natuur, magie en het bovennatuurlijke onlosmakelijk met elkaar verweven zijn.

Bauers verbeeldingswereld is sterk geworteld in de Noordse en Germaanse tradities, waarin bossen, meren en bergen niet slechts decor vormen, maar bezielde krachten dragen. In zijn illustraties worden deze landschappen bevolkt door trollen, bosgeesten, prinsessen en mysterieuze wezens die rechtstreeks lijken voort te komen uit oude volksverhalen. Deze figuren zijn geen vrijblijvende fantasie, maar echo’s van een prechristelijk geloof waarin de natuur als levend en heilig werd beschouwd. Het woud bij Bauer is een plaats van ontmoeting met het onbekende, een domein waarin het menselijke en het bovennatuurlijke elkaar raken.

Zijn trollen behoren tot de meest iconische elementen van zijn oeuvre. Ze worden vaak afgebeeld als logge, archaïsche wezens die één lijken te zijn met de aarde zelf – hun lichamen lijken soms uit rots en wortels te bestaan. Deze voorstelling sluit nauw aan bij het heidense idee dat natuurwezens intrinsiek verbonden zijn met het landschap waaruit zij voortkomen. Tegelijkertijd dragen deze trollen een ambivalente betekenis: ze zijn zowel dreigend als intrigerend, wat herinnert aan de dubbelzinnige aard van natuurkrachten in het heidendom, die zowel beschermend als vernietigend kunnen zijn.

Naast deze oerkrachten schildert Bauer vaak jonge, kwetsbare menselijke figuren, zoals prinsessen of kinderen, die zich in deze mythische wereld bewegen. Hun confrontatie met het bovennatuurlijke weerspiegelt een overgangservaring: het betreden van een andere werkelijkheid waarin oude wetten gelden. Dit kan worden gelezen als een symbolische terugkeer naar een heidense beleving van de wereld, waarin de grenzen tussen mens en natuur, tussen het zichtbare en het onzichtbare, nog poreus waren.

Stilistisch onderscheidt Bauer zich door zijn subtiele kleurgebruik, vaak gedomineerd door gedempte groenen, bruinen en grijzen, die de mysterieuze sfeer van het Scandinavische landschap versterken. Zijn lijnen zijn zacht en vloeiend, en zijn composities ademen een stille, bijna sacrale rust. Het licht in zijn werken lijkt vaak gefilterd, alsof het door een sluier van mist of takken dringt, wat bijdraagt aan de indruk dat men kijkt naar een wereld die zich deels aan het oog onttrekt. Deze visuele sfeer sluit nauw aan bij de heidense voorstelling van de natuur als een plaats vol verborgen krachten en geesten.

In de culturele context van het vroege 20e-eeuwse Scandinavië past Bauers werk binnen een bredere herwaardering van het nationale en mythische erfgoed. Zijn illustraties geven vorm aan een collectieve herinnering aan het heidense verleden, niet als een exact historisch beeld, maar als een levendige, symbolische werkelijkheid die nog steeds doorwerkt in de verbeelding. Hij slaagt erin het alledaagse landschap te transformeren tot een bezielde ruimte waarin oude mythen opnieuw tot leven komen.

Samenvattend kan worden gesteld dat John Bauers werk een poëtische en visueel krachtige uitdrukking vormt van een heidense gevoeligheid. Door zijn bezielde natuur, zijn ambivalente natuurwezens en zijn dromerige sfeer creëert hij een wereld waarin de oude verbondenheid tussen mens en natuur opnieuw voelbaar wordt. Zijn illustraties nodigen de beschouwer uit om voorbij de zichtbare werkelijkheid te kijken en zich open te stellen voor een dieper, mythisch besef van het bestaan.

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram