Krieken, Aardbeien en Zon: Midzomergebakken in Vlaanderen

Midden in het jaar, wanneer de dagen hun langste punt bereiken en het licht nauwelijks lijkt te wijken, ontstaat er in heel Europa een culinaire traditie die nauw verweven is met het ritme van de natuur. Midzomer — of Sint‑Jan in christelijke termen — werd gevierd met vuur, gemeenschap en overvloed. In sommige streken kreeg die viering duidelijke vormen in specifieke gebakken; in andere, zoals in Vlaanderen, bleef ze subtieler aanwezig, verscholen in het alledaagse eten.

Toch delen al die midzomergebakken, van Scandinavië tot de Lage Landen, eenzelfde symboliek. Ze spreken van zon, rijping en levenskracht — en juist daarin ligt hun diepste betekenis.

In het noorden van Europa is de traditie nog het meest zichtbaar. Daar verschijnt rond midzomer steevast de luchtige aardbeientaart: een zachte bodem, romige vulling en een overvloed aan rood fruit. Ze oogt licht, bijna speels, maar draagt een oude symboliek in zich. De rode bessen verwijzen naar rijpheid en energie, terwijl de ronde vorm onmiskenbaar herinnert aan de zon op haar hoogtepunt. Wat daar expliciet bewaard bleef, leeft in Vlaanderen eerder impliciet voort.

Want ook hier, in het kleinschalige en nuchtere landschap, volgden de gebakken altijd het seizoen. Rond juni en juli verschijnen de eerste overvloedige vruchten: aardbeien, krieken, bessen. Ze vinden haast vanzelf hun weg naar de keuken, verwerkt in eenvoudige taarten en vlaaien. Er is geen vast “midzomergebak” met een naam of ritueel voorschrift, maar het principe is hetzelfde: men bakt wat de aarde op dat moment schenkt.

De kriekentaart is daarin een treffend voorbeeld. Ze is niet ontstaan als ceremonieel gerecht, maar sluit naadloos aan bij wat midzomer betekent. De kriek, dieprood en friszuur, lijkt de intensiteit van het seizoen te belichamen. Haar kleur roept associaties op met levenskracht en warmte; haar smaak balanceert tussen scherpte en zoetheid, zoals ook de natuur haar hoogtepunt bereikt en tegelijk het begin van haar terugkeer aankondigt. Wanneer ze in een ronde taart wordt gegoten, krijgt die eenvoud bijna vanzelf een symbolische lading: vrucht en zon, samengebracht in één vorm.

Hetzelfde geldt voor oudere, minder zichtbare tradities. In grote delen van Europa bakte men rond zonnewendes ronde broden, soms licht gezoet, soms verrijkt met honing of kruiden. Honing, verzameld uit bloemen die door het zonlicht tot leven kwamen, werd gezien als een geconcentreerde vorm van diezelfde zonne‑energie. Kruiden, geplukt rond midzomer, droegen volgens volksgeloof een bijzondere kracht. Wanneer ze in brood of koek werden verwerkt, ontstond er een voeding die niet alleen voedde, maar ook beschermde en verbond.

Ook in Vlaanderen zijn sporen daarvan terug te vinden, zij het fragmentarisch. Sint‑Jansvuren waren ooit wijdverspreid, en hoewel de bijbehorende gerechten zelden werden vastgelegd, weten we dat brood, koeken en eenvoudige zoetigheden gedeeld werden rond het vuur. Geen verfijnde patisserie, maar eerlijke, aardse bereidingen. Wat telde was niet de vorm, maar het samenkomen: het delen van voedsel op het moment dat het jaar zijn volle kracht bereikt.

Daarin onderscheidt Vlaanderen zich. Waar sommige culturen hun midzomertradities ritueel vastlegden, bleef de Vlaamse en bredere Lage Landen‑traditie pragmatisch. Het sacrale werd niet zozeer afgeschaft, maar opgenomen in het dagelijkse. Seizoensgebondenheid werd de drager van betekenis. Een kriekentaart op een warme junidag, een aardbeientaart op een dorpsfeest — ze zijn geen rituelen in strikte zin, maar ze dragen dezelfde kern in zich.

Wat deze gebakken uiteindelijk verbindt, is niet hun recept, maar hun plaats in de tijd. Ze verschijnen wanneer de zon op haar sterkst is, wanneer de velden vrucht dragen en wanneer mensen samenkomen. Hun ronde vormen weerspiegelen de zon, hun ingrediënten komen rechtstreeks uit de overvloed van het moment, en hun smaak — fris, rijp, soms licht wrang — herinnert eraan dat elk hoogtepunt ook vergankelijk is.

Zo blijven midzomergebakken, ook in Vlaanderen, stille getuigen van een oud besef: dat eten meer is dan voeding alleen. Het is een manier om deel te nemen aan het ritme van de wereld, om het licht te vieren terwijl het nog op zijn sterkst is, en om de overvloed van het land te erkennen — eenvoudig, gedeeld en tijdelijk.

Kriekentaart

Voor het deeg:

  • 250 g bloem
  • 125 g boter (koud)
  • 75 g suiker
  • 1 ei
  • een snuifje zout

Voor de vulling:

  • 600 à 800 g krieken (ontpit, vers of uit bokaal)
  • 80 tot 120 g suiker (naar smaak)
  • 2 eetlepels maïzena
  • eventueel een snuifje kaneel

Optioneel:

  • 250 ml melk
  • 1 zakje vanillepuddingpoeder

Bereiding

Voor een klassieke kriekentaart begin je met het deeg. Meng de bloem met de suiker en een snuifje zout, en werk er de koude boter door tot een kruimelig geheel ontstaat. Voeg daarna het ei toe en kneed kort tot een samenhangend deeg. Laat dit vervolgens een half uur rusten in de koelkast, zodat het steviger wordt en zich makkelijker laat verwerken.

Intussen bereid je de krieken. Ontpit ze indien nodig en meng ze met de suiker. Hoeveel suiker je gebruikt, hangt af van hoe zuur de krieken zijn en van je eigen smaak, maar traditioneel blijft de taart eerder fris dan zoet. Strooi de maïzena erover en meng goed, zodat het vrijkomende sap straks wat indikt tijdens het bakken. Een snuifje kaneel kan, maar is niet noodzakelijk.

Verwarm de oven voor op 180 graden. Rol het deeg uit en bekleed er een ingevette taartvorm mee. Prik met een vork kleine gaatjes in de bodem. Wie het wat voller wil, kan nu een dun laagje vanillepudding maken van melk en puddingpoeder en dat over de bodem gieten — een typisch Vlaamse toets — maar de taart kan evengoed puur blijven.

Verdeel vervolgens de krieken over de bodem en zet de taart in de oven. Laat ze bakken gedurende ongeveer vijfendertig tot veertig minuten, tot de rand mooi goudbruin is en het fruit zacht en glanzend oogt.

Laat de kriekentaart na het bakken even afkoelen, zodat de vulling kan opstijven. Je serveert ze eenvoudig, eventueel met een lepel room, maar traditioneel gewoon zoals ze is: een eerlijke taart, licht zuur en vol zomerse smaak — precies zoals ze hoort te zijn.

De Midzomergordel: Een Traditie van Bescherming en Bloei

Lang vóór de komst van het christendom droegen mensen in grote delen van Europa reeds koorden, banden en gordels die niet louter praktisch waren, maar doordrongen van symboliek en rituele kracht. Rond de tijd van de zonnewende, wanneer de dagen hun grootste lengte bereikten en de zon op haar hoogste punt stond, kwam deze betekenis het sterkst tot uiting. Midzomer werd ervaren als een moment waarop de zichtbare en onzichtbare wereld dichter bij elkaar kwamen te liggen, een kantelpunt waarop krachten van groei, vruchtbaarheid en bescherming versterkt waren, maar evenzeer kwetsbaarheid en gevaar zich konden laten voelen. In die geladen sfeer kreeg het dragen van een gordel of koord een specifieke betekenis: het was een manier om het eigen lichaam af te bakenen, te beschermen en te verbinden met de levenskracht van de natuur die op dat ogenblik haar hoogtepunt bereikte.

Zo’n gordel werd vaak vervaardigd uit natuurlijke materialen die zelf als krachtig werden beschouwd. Men gebruikte vlas, wol of bastvezels, soms gecombineerd met vers geplukte kruiden en bloemen zoals bijvoet, Sint-Janskruid, kamille of duizendblad, planten die rond de zonnewende verzameld werden omdat men geloofde dat zij op dat moment hun grootste genezende en beschermende werking bezaten. Ook bloemen speelden hierin een uitgesproken symbolische rol. Bloeiende planten vormden het zichtbare bewijs van de overvloed van de natuur en werden daarom gezien als dragers van vruchtbaarheid, levenskracht en schoonheid. Door bloemen in een gordel te vlechten of eraan te bevestigen, omgaf men zich letterlijk met de energie van bloei en groei. Sint-Janskruid werd geassocieerd met bescherming tegen duistere krachten, kamille met rust en herstel, en korenbloemen of margrieten met zuiverheid en verbondenheid met veld en zon. De gordel werd zo een levend geheel, waarin geur, kleur en textuur samenwerkten met symboliek.

Het verzamelen van deze planten was op zichzelf al een ritueel. Vaak deed men dit bij zonsopgang of in de avondschemering, momenten waarop de overgang tussen dag en nacht voelbaar was. Men plukte met aandacht, soms in stilte of volgens vaste gebruiken, omdat men ervan uitging dat de houding van de verzamelaar invloed had op de kracht van het materiaal. De bloemen en kruiden werden daarna niet willekeurig gebruikt, maar bewust gerangschikt of gevlochten, waarbij elke keuze een betekenis kon dragen. De gordel die uit die handelingen voortkwam, droeg dus niet alleen de fysieke eigenschappen van de gebruikte stoffen, maar ook de intentie en de aandacht van degene die hem maakte.

Naast deze botanische symboliek speelde ook de structuur van de gordel zelf een belangrijke rol, vooral in de vorm van knopen. In veel Europese tradities werd het knopen van een koord gezien als een daad van wilskracht, waarbij elke knoop een specifieke betekenis kon krijgen. Dit wordt soms omschreven als een vorm van knopenmagie, waarbij men door het leggen van knopen als het ware krachten vastzette of richtte. Een gordel kon bijvoorbeeld negen knopen bevatten, een getal dat in verschillende culturen verbonden was met voltooiing en bescherming. Elke knoop kon staan voor een wens, een intentie of een vorm van bescherming: gezondheid, vruchtbaarheid, kracht, bescherming tegen ziekte of het afwenden van kwaad. Door het dragen van zo’n gordel droeg men die opeenvolging van intenties letterlijk met zich mee, als een ritmische en tastbare omsluiting van het lichaam.

Tijdens midzomerfeesten, waarbij grote vuren werden ontstoken op heuvels en open velden, kreeg de gordel een extra dimensie. Mensen dansten rond het vuur, sprongen eroverheen of bewogen in kringvormige patronen die de cyclus van het jaar weerspiegelden. De gordel werd daarbij soms gedragen als bescherming tijdens deze rituelen, maar kon ook actief worden gebruikt in handelingen van zuivering en overgang. In sommige overleveringen werd de gordel na het feest in het vuur geworpen, zodat alles wat men achter zich wilde laten – ziekte, ongeluk, negatieve invloeden – symbolisch verteerd werd door het vuur. In andere gevallen bleef de gordel behouden en werd hij gedurende het jaar gedragen als een blijvende bescherming, versterkt door de kracht van het midzomermoment en de nabijheid van het vuur. De bloemen die erin verwerkt waren, droogden dan langzaam uit, maar behielden volgens de traditie hun kracht, alsof de essentie van het zomerse hoogtepunt in de gordel werd vastgehouden.

Daarnaast bestond er een nauwe band tussen zulke gordels en vruchtbaarheid. Midzomer was een feest van overvloed: gewassen stonden hoog, dieren waren actief, en de cyclus van leven bereikte een zichtbaar hoogtepunt. Het dragen van een gordel waarin bloemen en kruiden verwerkt waren, kon gezien worden als een manier om zich fysiek en symbolisch in die stroom van groei te plaatsen. Vooral voor jonge mensen kon het dragen van een dergelijke gordel een subtiele markering zijn van overgang, volwassenwording of verbondenheid met de levenscyclus. De cirkelvorm van de gordel zelf versterkte dit idee: zonder begin of einde, een voortdurende kring van leven, dood en hernieuwing.

Wat opvalt, is hoe de gordel tegelijk bescherming en verbinding uitdrukte. Enerzijds vormde hij een grens, een omheining van het lichaam tegen onzichtbare invloeden die men als bedreigend ervoer. Anderzijds was hij een middel om zich juist af te stemmen op de krachten van de natuur, om de energie van zon, aarde en bloei in zich op te nemen. De bloemen brachten de kracht van de groeiende wereld mee, de knopen de gerichte wil van de drager, en samen vormden zij een object dat zowel persoonlijk als kosmisch geladen was.

Toen later het christendom deze gebruiken begon te integreren, werd deze oude gordeltraditie niet vernietigd, maar hervertaald. De bloemen en kruiden bleven, maar kregen nieuwe namen en associaties; de knopen bleven, maar werden eerder gezien als tekens van devotie dan van magische intentie. Toch bleef onder deze nieuwe betekenislaag de oudere structuur zichtbaar: een cirkel rond het lichaam, geweven uit natuur en bedoeling, gedragen op een moment waarop de wereld zelf in haar grootste kracht stond. De heidense midzomergordel leeft zo voort, niet alleen als historisch fenomeen, maar als een echo van een tijd waarin mens en natuur als één doorlopend geheel werden ervaren, zichtbaar en tastbaar gemaakt in iets eenvoudigs als een band van vezels, bloemen en knopen rond het lichaam.

ZWART-ROOD-WIT, spirituele driekleur?

Sommige heidenen in de Lage Landen, van Vlaanderen tot Friesland, hebben de gewoonte om drie gekleurde kaarsen te ontsteken in de volgorde van Zwart, Rood en Wit bij rituelen of bij wijze van dagdagelijkse verering en geluksbrenger. Ze gebruiken ook deze kleuren in versiering of bekleding van een ritueel of sacrale plaats. 

Elke kleur vertolkt iets en de volgorde van het ontsteken zou heilzaam zijn en dient bewust en weloverwogen te gebeuren als in een ritueel. Ook het doven doen we niet door het uit te blazen omdat dit onheil brengt, men gaat eerder de zuurstof ontnemen met een kaarsendover.

Waar komt dit nu vandaan?

Er zijn eigenlijk heel wat elementen aan te halen die het belang van deze kleuren onderlijnen en we kunnen ze ook met wat creativiteit zelf makkelijk plaatsen.

De oudste bronnen die gebonden zijn aan onze Indo Europese cultuur en latere Germaanse cultuur, zijn de Vedische teksten. Die gaan naar schatting terug tot minstens 1000 voor onze jaartelling. Er zijn ook andere bronnen zoals de Sagen, de Edda, volksverhalen, volksgeneeskunde en zelfs de Bijbel.

De Franse professor Jean Haudry merkte in de Vedische teksten de driekleur op en wees deze toe aan de kleuren van de hemel tijdens het verloop van de dag: Zwart bij nacht, rood bij zonsopgang of ondergang en wit voor overdag. In de Veda’s beschrijft men drie koeien die , de eerste zwart, de tweede rood en de derde is wit en staan voor de kleuren van de hemel. Hij ziet dit hemelconcept in heel wat andere elementen opduiken zoals het hemelgewelf dat rond een grote zuil draait en door een etmaal zwart-rood-wit-rood-zwart kleurt. Haudry gaat nog verder en linkt de Germaanse goden aan het driedelig hemel gewelf: Tiwaz is de daghemelgod, Wodanaz is de god van de nachthemel en het schemerrood wijdt hij toe aan Ostara, godin van het ochtendgloren. Ostara is trouwens ook genoemd als lentegodin en gebonden met vernieuwing of groei, Wodanaz is ook een godheid die zich specifiek in de winter manifesteert en gebonden is met de dood.

Plato schreef dat er in Atlantis steengroeven waren waar één soort steen wit was, een andere zwart en nog een andere rood. 

In de Saga van de Jomsvikingen heeft Koning Gorm drie voorspellende dromen:

Tijdens de eerste nachtelijke droom staat hij buiten zijn hal vanwaar hij de zee ziet terug trekken tot hij geen water meer kan zien. Uit de horizon waar het water heen was doken drie witte ossen op, ze stormden het land op en beten al het gras uit de grond waarna ze weer naar de teruggetrokken zee liepen en verdwenen.

De volgende nacht droomde hij ongeveer hetzelfde, maar nu waren de drie ossen rood en hadden grotere hoorns.

De derde droom was ook een herhaling, maar nu waren de ossen zwart en zijn ze nog groter met nog grotere hoorns. Als afsluiter hoort hij een luide knal op het moment dat de zee terug naar het strand keerde. De droom werd vervolgens verklaard als voorbode van negen jaar slechte oogst.

Men komt aan negen omdat er drie maal drie ossen verschenen. Heilige getallen in het Heidendom. Hoe groter de hoorns en ossen, hoe groter het onheil. Op welke basis interpreteert men nu het onheil? Misschien wel de volgorde van de kleuren? Wit-rood-zwart, want we zien dat de natuurlijke wederkerende volgorde altijd zwart-rood-wit is.

Professor Jan de Vries ziet in de Vedische mystiek de drie voorwaarden voor leven: vuur, water en aarde. Deze zijn voorgesteld met de kleur rood, wit en zwart. De professor gaat ook verder vind in de gehele Europese voorchristelijke tradities deze kleurencombinatie terug, onder andere in volksmagie, legenden en andere overleveringen. 

Er zijn verschillende sprookjes in Europa waarin we ook de driekleur terugvinden als belangrijke indicatoren. Neem nu Sneeuwwitje: “Had ik nu een kindje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als dit ebbenhout”

Uit deze sprookjes lijkt de driekleur te zijn overgeleverd als een schoonheidsideaal.

We hebben ook voorbeelden uit de magie zoals deze toverformule opgetekend in de 19e eeuw in Thüringen tegen wormen:

“Ik stap hier op een grenssteen. De wormen vreten mijn been. Ze mogen zijn zwart, wit of rood, in een dag zijn ze allemaal dood.”

Of een sprookje uit IJsland: Sigurd moet opeenvolgend een zwarte, witte en rode doek om zijn hoofd binden om zich te beschermen tegen het brullen van een stier uit de onderwereld. Ook slaat hij op een zwart-rood-witte steen om een magische storm te ontketenen die de reuzen dood. 

In Finland was het gebruikelijk dat een boer zijn land afbakende met rood-zwart-wit touw, wetende dat een landsgrens bezield werd met een schutgeest om deze te bewaken maakt dit ook een waardevol gegeven.

Uit Rigsthula kunnen we drie sociale klassen onderscheiden.

  • “Thrael” de knecht (“zijn lokken waren zwart”)
  • “Karl” de kerel (“hij was rozig en rood”)
  • “Jarl” de prins (“blond was zijn haar”)

De knecht is een lijfeigene en geeft men prominent zwart als kleur. 

De kerel is de vrijman, de boer, de krijger, de visser, de jager, die blaakt van geluk en gezondheid in het vrije buitenleven en is rood van kleur.

De prins, edel en nobel krijgt een pure en schitterende kleur: blond, ofwel wit. 

Dit betekent dat we ook de kleuren bij een karaktertype kunnen plaatsen.

Zwart is lomp en bruut

Rood is sterk, gezond en ijverig

Wit is edel, puur, begaafd en strijdvaardig

Professor Georges Dumézil maakte 100 jaar geleden de theorie dat de Indo-Europese cultuur uit drie functies bestond en dat elke functie door een kleur werd gerepresenteerd

Cultische: wit

Militaire: rood

Economische: donker

In India zien we dat de oorspronkelijke kaste systeem verdeeld was in kleuren:

  • de Brahmaan (wijze priester): wit
  • De Kshattriya (krijger, leider): rood
  • De Vaishya (werker, handelaar): zwart

De naam voor kaste is Varna en betekent “kleur”

Als we dan kijken naar de Indo-Europese kosmos dan zien we dat deze ook in drie gedeeld is en deze duikt ook op in de Germaanse cultuur. De levensboom of zuil draagt de hemel, eronder zit de wereld en daaronder de onderwereld of Hel. In de wereld vinden we respectievelijk Middengaard, Asengaard, Uitgaard en Jotunheim. 

In de Völuspá leren we hoe Ragnarök wordt aangekondigd door drie verschillende gekleurde hanen: Gullinkambi, de hemelhaan is wit. Fjallarr de wereldhaan is rood en de Helhaan is zwart. 

Gullinkambi wordt ook wel als goud omschreven omdat zijn naam ‘Goudkam’ betekend, maar Professor de Vries merkt op dat de god Heimdall de bijnaam Goudtand heeft ondanks dat hij ook als helderwit omschreven staat. In het blinken van goud zien we trouwens helder wit en lijkt blond ook niet op goud?

Maar ook in het Christendom, die niet vies zijn om heidense elementen te adopteren, vinden we dezelfde kleuren en betekenissen terug. 

In de liturgie staat wit voor puurheid, martelaren, onschuld, glorie. Wit kan vervangen worden door goud meld men nog… Het is ook de kleur van de paus (spirituele wijze leider).

Rood staat dan weer voor passie, bloed en vuur, het is de kleur van de kardinaal

Zwart staat voor de doden en de rouw.

In het Nieuwe Testament vinden we deze beschrijving van de ruiters van de Apocalyps:

Het eerste paard is wit, het tweede rood en het derde zwart en vierde vaal of grijs. De eerste is een edele figuur, de tweede een krijger en het derde een handelaar. De vierde is de dood. De drie eerste ruiters zijn de levenden en hun kleurencode komt overeen met Cultisch-Militaire-Economische functies van Dumézil. 

En dan hebben we nog deze afbeelding van de drie wijzen of drie koningen uit de 3e eeuw in de Priscilla grot. Daar zijn de drie wijzen afgebeeld die zeer iconisch geschenken brengen naar de pasgeboren Jezus. Hun volledige gedaante is afgebeeld in onze cultische kleurencode, de eerste zwart, de tweede rood, en de laatste die aankomst is wit. 

Een paar eeuwen later in de 5e eeuw in Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna, zien we deze figuren terug afgebeeld, nu met eigentijdse kleding, maar opvallend ook met namen en aan hun uiterlijk zien we ook hun leeftijd: Melchior is de jongste met kort haar en zonder gezichtsbeharing, Balthasar heeft een bruine baard en is duidelijk volwassen en Gaspar heeft een grijze baard. We zien hierin ook weer een parallel met kracht, leeftijd, wijsheid, vruchtbaarheid. Ook het brengen van geschenken is natuurlijk een parallel die we herkennen. 

Maar er zijn ook sporen gevonden op altaarstenen van Matronen, of de drie Moeders, van deze kleurencombinatie. De Matronen zijn een oude cultus die mogelijk uit de Indo-Europese cultuur werd overgeleverd. We zien deze ook opduiken als de Nornen of Schikgodinnen. Normaliter gaat het dan over een dochter-moeder-grootmoeder combo. 

Er zijn dus tal van elementen die we met onze driekleur kunnen verbinden. 

Zo staat de dood bijna altijd gelijk gebonden aan vruchtbaarheid en kan je dus zwart gelijkstellen met zowel de dood als met iets dat net tot ontwikkeling komt uit deze vruchtbare schoot van de dood. Net zoals het heden voorkomt uit het verleden. Wat onder de aarde zit is de onderwereld en daar ontkiemd het nieuwe leven ook. De dodengoden hebben ook altijd een functie gebonden met vruchtbaarheid. Waar Wodan zijn Wilde Heir komt, zal een goede oogst volgroeien. Goden van de onderwereld zoals Holda, Wodan komen in gedachten. Laten we ook niet vergeten dat in heel Europa de midwinter tradities vaak inhouden dat cultische figuren met zwarte gezichten rondtrekken en de aanschouwers besmeuren met zwarte kleur in het gezicht om hen geluk te brengen of vruchtbaarheid. 

Rood is kracht van het groeien, de sterkte van wat jong is, de kleur van verandering, van initiatie (bloedoffer?) van voortvarendheid, wat nu is en wat zal worden. Het is ook een kleur geassocieerd met de dondergod en met Ostara. 

Wit is wat bereikt moet worden, het is wijsheid, volgroeid zijn, één zijn met het voorgaande, volmaaktheid, toonaangevend. Het is ook de kleur van Tiwaz, die het Ding overziet, en ook van Ing de heilbrengende, god der Alven, of van de Witten.

We kunnen volgende elementen verbinden:

ZWART ROOD WIT

Aarde Vuur Water

Nacht Schemer Dag

Winter Lente Zomer

Kiem Ontkiemen Volgroeid

Verleden Heden Schuld (toekomst)

Knecht Kerel Edel

Werker Krijger Leider

Dood Jong Oud

Dochter Moeder Grootmoeder

Geluk Voorspoed Heil

Onderwereld Wereld Hemel

As Vlam Rook

Wodanaz Ostara Tiwaz

Wodan Thuner Ing

We weten natuurlijk allemaal, dat in het verleden een regime gebruikmaakte van deze kleuren wat jammerlijk een smet bracht op het heidendom. Maar laat ons dit los zien van onze spirituele praktijk.

Bronnen:

Boppo Grimmsma, De Heidense Kleurendrieheid Zwart Rood Wit

Jan de Vries, Rood Wit Zwart in Volkkunde

Georges Dumézil, Gods of the ancient Northmen

Georges Dumézil, La courtisane et les seigneurs colorés

Georges Dumézil, The Rigstula and Indo European Social Structures

Rudolf Simek, Lexicon der Germaanse Mythologie

In Linten en Bloemen Geschreven: Het Verhaal van de Liefdesmei

In de Lage Landen behoort het “planten van de mei” tot de oudste en meest tot de verbeelding sprekende volksgebruiken. Het ritueel vindt traditioneel plaats in de nacht van 30 april op 1 mei, wanneer de lente haar volle kracht begint te tonen. Terwijl de natuur ontwaakt en het landschap opnieuw groen kleurt, planten mensen een jonge boom of tak — vaak een berk, spar of soms een meidoorn — voor een huis, op een dorpsplein of bij een herberg. Deze “mei” is geen eenvoudig stuk natuur, maar een drager van betekenissen, waarin liefde, vruchtbaarheid, gemeenschap en symboliek samenkomen.

Binnen dit gebruik neemt de liefdesmei een bijzondere plaats in. Daarbij plaatst een jongen een mei bij het huis van een meisje als teken van genegenheid. Dit gebeurt meestal ’s nachts, zodat de verrassing des te groter is bij het ochtendlicht. Het is een woordeloze, maar duidelijke liefdesverklaring. De keuze van de tak, de manier waarop deze wordt opgesteld en de zorg van de versiering vertellen hoe ernstig en oprecht de gevoelens zijn. Een rechte, frisse en groene boom wijst op eerlijke bedoelingen en bewondering, terwijl een kromme, kale of minderwaardige tak ook een minder flatterende boodschap kon dragen.

De soort boom of tak droeg op zichzelf al betekenis. Een berk werd vaak gekozen omwille van haar lichte, frisse uitstraling en stond symbool voor jeugd, zuiverheid en nieuwe liefde. De meidoorn, die in dezelfde periode bloeit, verwees naar vruchtbaarheid en hartstocht, maar ook naar bescherming. Sparrentakken of andere altijdgroene soorten onderstreepten dan weer standvastigheid en blijvend gevoel, omdat ze het hele jaar door groen blijven.

Rond deze mei werd een rijk spel van linten, kleuren en bloemen aangebracht, die samen een subtiele maar duidelijke boodschap vormden. De kleuren fungeerden als een visuele taal. Het groen van de boom zelf verbeeldde leven, groei en hoop — een liefde die zich nog moet ontvouwen. Wit stond voor zuiverheid, eerlijkheid en respectvolle bedoelingen. Rood maakte de boodschap vuriger en wees op passie en verlangen. Blauw gaf uitdrukking aan trouw en betrouwbaarheid, alsof de gever zijn standvastigheid wilde benadrukken. Roze verzachtte het geheel en stond voor tederheid en ontluikende verliefdheid. Geel had een dubbelzinnige betekenis: het kon vreugde en zonlicht symboliseren, maar ook jaloezie of zelfs spot, afhankelijk van de context.

Naast de linten speelden ook bloemen een belangrijke rol in de liefdesmei. Zij verfijnden de boodschap en gaven extra nuance aan het geheel. Madeliefjes stonden voor onschuld en oprechte genegenheid, vaak passend bij jonge of eerste liefde. Klaprozen of andere rode bloemen benadrukten passie en verlangen. Lelies konden zuiverheid en eer symboliseren, terwijl viooltjes eerder bescheidenheid en trouwe liefde uitdrukten. Bloeiende takken, zoals die van de meidoorn, versterkten bovendien de symboliek van lente en vruchtbaarheid. De keuze en combinatie van bloemen maakten de mei tot een zorgvuldig samengesteld geheel, waarin elk element iets vertelde over de gevoelens van de gever.

Toch was de liefdesmei niet altijd louter romantisch. Het gebruik kende ook een speelse, soms scherpe kant. Een slordig versierde boom, een bewust minder fraaie tak of een ongelukkige combinatie van kleuren en bloemen kon een teken zijn van spot, afkeuring of plagerij binnen de dorpsgemeenschap. Zo werd de mei een middel van sociale communicatie: niet alleen liefde werd zichtbaar gemaakt, maar ook meningen en verhoudingen tussen mensen.

In bredere zin bleef het planten van de mei verbonden met oude betekenissen die verder reikten dan de liefde alleen. Het was een symbool van vruchtbaarheid en levenskracht, een viering van de natuur die opnieuw tot leven komt. Tegelijk bracht het mensen samen en versterkte het het gemeenschapsgevoel, terwijl het in oudere tradities ook een vorm van bescherming en zegen kon vertegenwoordigen.

Hoewel het gebruik vandaag minder algemeen voorkomt, leeft het op sommige plaatsen nog voort, vaak in folkloristische vorm. Toch blijft de kern herkenbaar. In de liefdesmei komt een eeuwenoude menselijke behoefte tot uiting: om gevoelens zichtbaar te maken, om liefde en hoop tastbaar te verankeren in de wereld. Met een boom, zorgvuldig gekozen takken, kleurrijke linten en betekenisvolle bloemen werd een verhaal verteld — stil, maar rijk aan betekenis, en voor wie het begreep, onmiskenbaar duidelijk.

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram