Oktober, de oude wijnmaand, was in de Lage Landen veel meer dan zomaar een herfstmaand. Het was de tijd waarin het landbouwjaar zijn voltooiing bereikte en waarin mens en natuur zich voorbereidden op de komende winter. De laatste vruchten werden geoogst, de voorraden aangelegd en het land kwam langzaam tot rust. Waar de zomer in het teken had gestaan van groei en overvloed, bracht de wijnmaand een meer bedachtzame sfeer. De dagen werden korter, de nevels dikker en de nachten langer. Men voelde dat de wereld een andere gedaante aannam.
De naam wijnmaand verwijst oorspronkelijk naar de periode van de wijnoogst, maar in de volksbeleving kreeg zij een ruimere betekenis. Het was de maand waarin alles wat de aarde had voortgebracht werd verzameld, verwerkt en veilig opgeborgen. Appels, peren, hazelnoten, walnoten en late graangewassen vulden schuren en kelders. Bier werd gebrouwen, groenten werden ingelegd en men begon na te denken over het slachten van vee dat men niet door de winter wilde voederen. De hele gemeenschap stond in het teken van bewaren, beschermen en voorbereiden.
Lang voordat de nieuwe godsdiensten hun stempel op de kalender drukten, kenden de bewoners van de Lage Landen al een diepgeworteld ritme dat verbonden was met de seizoenen. Voor hen was het jaar geen verzameling maanden, maar een voortdurende cyclus van geboorte, groei, verval en hernieuwing. Oktober bevond zich precies op het kantelpunt tussen overvloed en schaarste. De natuur toonde nog haar laatste kleurenpracht, maar tegelijk werd zichtbaar dat haar krachten zich begonnen terug te trekken.
In deze periode geloofde men dat de grens tussen de wereld van de levenden en die van de voorouders dunner werd. De vallende bladeren, de stervende vegetatie en de toenemende duisternis herinnerden aan de vergankelijkheid van het leven. Daarom werden de overleden familieleden niet vergeten. Men vertelde verhalen over hen tijdens de lange avonden rond het vuur. Soms liet men voedsel achter op bijzondere plaatsen of sprak men hun namen uit bij het begin van een maaltijd. Niet uit angst, maar vanuit het besef dat de doden nog steeds deel uitmaakten van de gemeenschap.
Het vuur speelde daarbij een centrale rol. Wanneer de herfststormen opstaken en de avonden koud werden, verzamelde men zich rond het haardvuur. In sommige streken werden grotere gemeenschapsvuren ontstoken op heuvels, dorpspleinen of open velden. Het vuur bracht licht in de groeiende duisternis en werd gezien als een bescherming tegen ziekte, ongeluk en kwade invloeden. Het was tegelijk een symbool van de zon, waarvan de kracht zichtbaar afnam naarmate de winter naderde. Rond zulke vuren werden verhalen verteld, liederen gezongen en oude gebruiken doorgegeven van generatie op generatie.
Ook bomen namen een bijzondere plaats in. Vooral oude eiken, lindebomen en beuken genoten aanzien. Zij werden beschouwd als plaatsen waar de krachten van de natuur zich sterk manifesteerden. Zelfs eeuwen nadat officiële autoriteiten dergelijke gebruiken probeerden uit te bannen, bleven vele mensen linten, bloemen of kleine offers achterlaten bij opvallende bomen en bronnen. De overtuiging dat bepaalde plekken een bijzondere levenskracht bezaten bleef diep in het volksgeloof verankerd.
De oktobermaand was bovendien rijk aan voorspellingen en voortekens. Men keek naar het gedrag van vogels, naar de kleur van het bladerdek, naar de eerste nachtvorst of naar de vorm van de wolken. Uit zulke waarnemingen probeerde men af te leiden hoe streng de winter zou worden. Kraaien die zich massaal verzamelden, overvloedige notenoogsten of een vroeg vallend blad kregen allemaal een symbolische betekenis. De natuur werd gelezen als een boek waarvan de tekenen door ervaren boeren en ouderen konden worden ontcijferd.
De mist die in deze tijd over de velden hing, voedde de volksverbeelding. In moerassen, heidegebieden en bossen ontstonden verhalen over dwaallichten, geesten en andere bovennatuurlijke verschijningen. Vooral tijdens de donkere oktoberavonden waarschuwde men kinderen om niet alleen buiten te zwerven. De nevel leek bekende landschappen te veranderen in mysterieuze plaatsen waar de gewone regels tijdelijk niet golden. Zulke verhalen waren meer dan vermaak; zij waren een manier om betekenis te geven aan de onvoorspelbaarheid van de natuur.
De wijnmaand bracht ook een gevoel van gemeenschap. Wanneer de grote werkzaamheden op het land achter de rug waren, ontstond meer tijd voor samenkomst. Men bezocht familie, hielp elkaar bij het verwerken van de oogst en organiseerde herfstvaarten, markten en maaltijden. Het delen van voedsel had een bijna ritueel karakter. De overvloed van het voorbije seizoen werd gezamenlijk gevierd, terwijl men tegelijk wist dat men elkaar tijdens de winter nodig zou hebben.
In Vlaanderen leefden vele van deze gebruiken nog lang voort onder een ander uiterlijk. Oogstfeesten, herfstkermissen, vuurtradities, verhalen over geesten en volksgeloof rond bomen en bronnen dragen vaak sporen van een veel oudere wereldbeschouwing. Achter de latere gewoonten bleef de oude gedachte aanwezig dat mens, dier en landschap deel uitmaakten van dezelfde levende cyclus.
Zo was de wijnmaand niet alleen de maand van de druif of van de oogst. Zij vormde het moment waarop de gemeenschap afscheid nam van het lichte seizoen en zich richtte op de lange donkere maanden die voor haar lagen. In het rood en goud van de herfstbladeren, in het knetteren van de haard, in de verhalen over voorouders en natuurgeesten leefde een oeroud besef voort: alles wat groeit zal vergaan, maar uit het verval ontstaat uiteindelijk opnieuw leven. Dat maakte oktober tot een van de meest betekenisvolle maanden van het jaar in de oude Lage Landen.