Yggdrasil en Wereldbouw: August Heytings Visie op Kosmos, Natuur en Heidendom

August Heyting kan begrepen worden als een figuur die zich bewoog op het snijvlak van studie, verbeelding en spirituele heroriëntatie, in een tijd waarin vele denkers en kunstenaars teruggrepen naar het voorchristelijke verleden om nieuwe betekenis te vinden in een snel veranderende wereld. Zijn naam is nauw verbonden met de Kelto-Germaanse Studiekring Yggdrasil, een omgeving waarin mythologie, natuurbeleving en culturele identiteit samenkwamen. Binnen die context ontstond ook zijn belangrijkste werk, Yggdrasil, of: Wereldbouw uit 1936, dat in twee delen verscheen en waarin hij een samenhangende visie probeerde te ontwikkelen op wat hij zelf aanduidde als “Germaansche cosmogenie”.

Dit werk moet niet gelezen worden als een louter beschrijvende studie van oude mythen, maar eerder als een poging tot het opbouwen van een volledig wereldbeeld. Heyting wilde geen losse verhalen verzamelen, maar de onderliggende structuren ervan blootleggen en ordenen tot een kosmisch systeem. Het centrale beeld dat hij daarvoor gebruikt, de wereldboom Yggdrasil uit de Noordse mythologie, fungeert niet simpelweg als illustratie, maar als dragend principe van zijn denken. De werkelijkheid wordt door hem voorgesteld als een levend, organisch geheel, opgebouwd volgens een verticale structuur waarin verschillende bestaansniveaus met elkaar verbonden zijn. De wortels reiken naar de oersfeer en de wereld van de voorouders, de stam vertegenwoordigt de menselijke werkelijkheid waarin het concrete leven zich afspeelt, en de kruin opent zich naar het geestelijke of goddelijke domein. Deze driedeling is bij Heyting echter geen statisch schema: het is een dynamisch geheel waarin voortdurende wisselwerking bestaat. De mens staat niet buiten dit systeem, maar middenin, als een knooppunt waarin verleden, heden en het hogere samenkomen.

In zijn benadering van cosmogenie wijkt Heyting bovendien af van lineaire scheppingsopvattingen. De wereld ontstaat bij hem niet éénmalig, maar bevindt zich in een voortdurende staat van wording. Groei, verval en hernieuwing volgen elkaar cyclisch op, zoals in de natuur en de seizoenen. Die nadruk op cyclische tijd en herhaling sluit nauw aan bij seizoensfeesten en rituelen, zoals de zonnewendes en het Joelfeest, die in zijn denken een centrale plaats innemen. Het heidendom verschijnt bij hem dan ook niet als een systeem van dogma’s, maar als een levenshouding waarin de mens zich opnieuw afstemt op de ritmes van natuur en kosmos.

Wat Wereldbouw bijzonder maakt, is dat het niet beperkt blijft tot een intellectuele onderneming. De tekst heeft een uitgesproken ervaringsgericht karakter. Heyting schrijft niet enkel om te verklaren, maar ook om te evoceren en te activeren. Zijn taalgebruik is plechtig, symbolisch geladen en vaak ritmisch, waardoor het werk soms de indruk wekt van een liturgische of bezwerende tekst. Dit maakt het boek enerzijds moeilijk toegankelijk, maar anderzijds ook intens van toon: het wil de lezer niet alleen laten begrijpen, maar ook iets laten ervaren van de samenhang die het beschrijft.

Diezelfde sfeer en thematiek keren terug in zijn poëzie. Zijn gedichten, zoals die in literaire verzamelingen bewaard zijn gebleven, vormen geen losstaand onderdeel van zijn oeuvre, maar een directe verlenging ervan. Waar Wereldbouw de structuur en het denkraam biedt, geven de gedichten vorm aan de beleving. Ze zijn doordrenkt van natuurbeelden, seizoenswisselingen en archaïsche symboliek, en dragen vaak een ritmische, bijna bezwerende klank. In die poëzie wordt de kosmologie als het ware voelbaar gemaakt: de cyclische tijd, de verbondenheid met het landschap en de aanwezigheid van een diepere, onderliggende orde worden er niet uitgelegd, maar opgeroepen.

Toch moet Heytings werk ook kritisch benaderd worden. Het mist de afstandelijke, historische nauwkeurigheid van moderne wetenschap en vermengt bronnen, interpretaties en eigen inzichten op een vrije manier. Zijn gebruik van het begrip “Germaansch” is eerder ideëel dan strikt historisch, en zijn werk weerspiegelt duidelijk de geest van een tijd waarin men actief op zoek ging naar culturele wortels en identiteit. In die zin is Yggdrasil, of: Wereldbouw niet zozeer een exacte reconstructie van een oude religie, maar een creatieve herinterpretatie ervan.

Desondanks ligt juist daarin de kracht van zijn werk. Het is geen meesterwerk vanwege brede invloed of academische erkenning, maar door de ambitie en samenhang ervan. Heyting probeert een volledig wereldbeeld te formuleren waarin mens, natuur en mythologie opnieuw met elkaar verbonden worden, en doet dat op een manier die zowel intellectueel als intuïtief aanspreekt. Zijn werk vormt een voorbeeld van hoe mythologische symbolen kunnen worden ingezet om een moderne zoektocht naar betekenis vorm te geven.

Dat maakt Yggdrasil, of: Wereldbouw tot een bijzonder document: niet enkel een boek over een kosmologie, maar een poging om die kosmologie opnieuw tot leven te brengen. In combinatie met zijn poëzie vormt het een geheel waarin denken en voelen, structuur en ervaring, studie en beleving samenvallen. Het is precies die synthese die Heytings werk zijn blijvende, zij het beperkte, betekenis geeft binnen de bredere ontwikkeling van moderne heidense en natuurreligieuze stromingen.

Sveinbjörn Beinteinsson

Sveinbjörn Beinteinsson (1924–1993) was een IJslandse religieuze leider, dichter en schapenboer die een sleutelrol speelde in de heropleving van het voorchristelijke Noorse geloof in IJsland. Hij werd geboren op 4 juli 1924 en leefde vrijwel zijn hele leven in West‑IJsland, in de streek Borgarfjörður. Naast zijn bestaan als boer was hij diep geworteld in de IJslandse poëtische traditie en stond hij bekend als een kvæðamaður, een voordrager van rímur, de klassieke IJslandse dichtvormen.

In de jaren zestig en zeventig groeide bij Sveinbjörn het verlangen om de oude inheemse geloofstradities van IJsland opnieuw een plaats te geven in het moderne leven. Dit leidde in 1972 tot de oprichting van Ásatrúarfélagið, de Ásatrú‑vereniging, samen met een kleine kring gelijkgestemden. Sveinbjörn werd aangesteld als eerste allsherjargoði, een soort hogepriester, en werd daarmee het publieke gezicht van het herleefde Ásatrú. Onder zijn leiding wist de vereniging in 1973 officiële erkenning van de IJslandse overheid te krijgen, een historisch moment dat de weg vrijmaakte voor legale huwelijken, rituelen en andere religieuze handelingen buiten de lutherse staatskerk.

Datzelfde jaar leidde Sveinbjörn ook het eerste openbare en wettelijk erkende blót in bijna duizend jaar. Hiermee werd een eeuwenoude breuk symbolisch geheeld en kreeg de voorchristelijke religieuze praktijk opnieuw een zichtbare plek in de IJslandse samenleving. Zijn benadering was doorgaans sober en traditioneel, sterk verbonden met natuur, taal en cultuur, en zonder dogmatische leerstellingen.

Naast zijn religieuze betekenis liet Sveinbjörn een belangrijk cultureel erfgoed na. Hij publiceerde meerdere dichtbundels, schreef over de vormleer van rímur en nam geluidsopnamen op waarin hij verzen uit de Poëtische Edda reciteerde, zoals de Hávamál en de Völuspá. Daarmee droeg hij niet alleen bij aan de religieuze, maar ook aan de literaire en muzikale traditie van IJsland. Zijn werk vond weerklank tot ver buiten de landsgrenzen en beïnvloedde kunstenaars en spirituele zoekers in Europa en Noord‑Amerika.

Sveinbjörn Beinteinsson overleed op 23 december 1993. Hij wordt tot op vandaag herinnerd als een bedachtzame en integere figuur, die met grote toewijding bruggen sloeg tussen het oude en het moderne IJsland. Zijn nalatenschap leeft voort in Ásatrúarfélagið en in de bredere herwaardering van de Noordse religieuze en culturele tradities.

Ik. Ben. Heiden!

Voorwaarts schrijdend, lijdend door de zee van grijs
Ogen, getogen, lonkend, fonkelend naar licht en zonne
Vreet het monster, de slang aan het hart des levens
Kwijnend en pijnigend aan de ziel van de betonnen heiden.

Doch de vonk gloeit en de vlam teert
Scheppend een voortvarend, voortschrijdend lichaam
Ongewis het lichaam, steeds worstelend, vechtend
Tegen tijdgeest, nu geestelijk verderf.

Zo zoekt, mint en beleeft de betonnen heiden
In kilte, koude en loze bezieling
De tijd, het leven, het wereldse
Bedroefd maar gesterkt lonkend naar het geheiligde.

Voorwaarts schrijdend, lijdend zonnewaarts
Barsten de voegen, spruiten de zaden
Van lichtende, niet beknelde geesten
De heiden is niet alleen.

De vonk, het vuur, de hemel
Wie lief heeft moet lijden, edoch strijden
Tegen beton en ijzer
Met hart, ziel en geest.

Ik. Ben. Heiden!

Wolf

Niet iedereen kan heiden zijn

Niet iedereen kan heiden zijn.
Daartoe hoort kracht en moed;
een vast geloof in zon en wijn,
en blijde lust in ’t bloed.

Niet iedereen voelt zijn verlangst
voldaan op aardes schoot,
schrijdt door het leven zonder angst,
en zonder klacht ten dood.

De aardeling heeft aarde schier
Te moederlijk verwend.
De heiden leef zijn leven hier
in schoonheid tot het end.

De leeuwerik zingt van ’s ochtends vroeg.
De hemel, waar hij vliegt,
is hoog genoeg, is schoon genoeg.
Elk’ and’re hemel liegt.

Elk’ and’re hemel is een waan.
Alleen het luchtgewelf,
de diepten, waar de sterren staan,
bloeit heerlijk in mijzelf.

René de Clercq

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram