De Midzomergordel: Een Traditie van Bescherming en Bloei

Lang vóór de komst van het christendom droegen mensen in grote delen van Europa reeds koorden, banden en gordels die niet louter praktisch waren, maar doordrongen van symboliek en rituele kracht. Rond de tijd van de zonnewende, wanneer de dagen hun grootste lengte bereikten en de zon op haar hoogste punt stond, kwam deze betekenis het sterkst tot uiting. Midzomer werd ervaren als een moment waarop de zichtbare en onzichtbare wereld dichter bij elkaar kwamen te liggen, een kantelpunt waarop krachten van groei, vruchtbaarheid en bescherming versterkt waren, maar evenzeer kwetsbaarheid en gevaar zich konden laten voelen. In die geladen sfeer kreeg het dragen van een gordel of koord een specifieke betekenis: het was een manier om het eigen lichaam af te bakenen, te beschermen en te verbinden met de levenskracht van de natuur die op dat ogenblik haar hoogtepunt bereikte.

Zo’n gordel werd vaak vervaardigd uit natuurlijke materialen die zelf als krachtig werden beschouwd. Men gebruikte vlas, wol of bastvezels, soms gecombineerd met vers geplukte kruiden en bloemen zoals bijvoet, Sint-Janskruid, kamille of duizendblad, planten die rond de zonnewende verzameld werden omdat men geloofde dat zij op dat moment hun grootste genezende en beschermende werking bezaten. Ook bloemen speelden hierin een uitgesproken symbolische rol. Bloeiende planten vormden het zichtbare bewijs van de overvloed van de natuur en werden daarom gezien als dragers van vruchtbaarheid, levenskracht en schoonheid. Door bloemen in een gordel te vlechten of eraan te bevestigen, omgaf men zich letterlijk met de energie van bloei en groei. Sint-Janskruid werd geassocieerd met bescherming tegen duistere krachten, kamille met rust en herstel, en korenbloemen of margrieten met zuiverheid en verbondenheid met veld en zon. De gordel werd zo een levend geheel, waarin geur, kleur en textuur samenwerkten met symboliek.

Het verzamelen van deze planten was op zichzelf al een ritueel. Vaak deed men dit bij zonsopgang of in de avondschemering, momenten waarop de overgang tussen dag en nacht voelbaar was. Men plukte met aandacht, soms in stilte of volgens vaste gebruiken, omdat men ervan uitging dat de houding van de verzamelaar invloed had op de kracht van het materiaal. De bloemen en kruiden werden daarna niet willekeurig gebruikt, maar bewust gerangschikt of gevlochten, waarbij elke keuze een betekenis kon dragen. De gordel die uit die handelingen voortkwam, droeg dus niet alleen de fysieke eigenschappen van de gebruikte stoffen, maar ook de intentie en de aandacht van degene die hem maakte.

Naast deze botanische symboliek speelde ook de structuur van de gordel zelf een belangrijke rol, vooral in de vorm van knopen. In veel Europese tradities werd het knopen van een koord gezien als een daad van wilskracht, waarbij elke knoop een specifieke betekenis kon krijgen. Dit wordt soms omschreven als een vorm van knopenmagie, waarbij men door het leggen van knopen als het ware krachten vastzette of richtte. Een gordel kon bijvoorbeeld negen knopen bevatten, een getal dat in verschillende culturen verbonden was met voltooiing en bescherming. Elke knoop kon staan voor een wens, een intentie of een vorm van bescherming: gezondheid, vruchtbaarheid, kracht, bescherming tegen ziekte of het afwenden van kwaad. Door het dragen van zo’n gordel droeg men die opeenvolging van intenties letterlijk met zich mee, als een ritmische en tastbare omsluiting van het lichaam.

Tijdens midzomerfeesten, waarbij grote vuren werden ontstoken op heuvels en open velden, kreeg de gordel een extra dimensie. Mensen dansten rond het vuur, sprongen eroverheen of bewogen in kringvormige patronen die de cyclus van het jaar weerspiegelden. De gordel werd daarbij soms gedragen als bescherming tijdens deze rituelen, maar kon ook actief worden gebruikt in handelingen van zuivering en overgang. In sommige overleveringen werd de gordel na het feest in het vuur geworpen, zodat alles wat men achter zich wilde laten – ziekte, ongeluk, negatieve invloeden – symbolisch verteerd werd door het vuur. In andere gevallen bleef de gordel behouden en werd hij gedurende het jaar gedragen als een blijvende bescherming, versterkt door de kracht van het midzomermoment en de nabijheid van het vuur. De bloemen die erin verwerkt waren, droogden dan langzaam uit, maar behielden volgens de traditie hun kracht, alsof de essentie van het zomerse hoogtepunt in de gordel werd vastgehouden.

Daarnaast bestond er een nauwe band tussen zulke gordels en vruchtbaarheid. Midzomer was een feest van overvloed: gewassen stonden hoog, dieren waren actief, en de cyclus van leven bereikte een zichtbaar hoogtepunt. Het dragen van een gordel waarin bloemen en kruiden verwerkt waren, kon gezien worden als een manier om zich fysiek en symbolisch in die stroom van groei te plaatsen. Vooral voor jonge mensen kon het dragen van een dergelijke gordel een subtiele markering zijn van overgang, volwassenwording of verbondenheid met de levenscyclus. De cirkelvorm van de gordel zelf versterkte dit idee: zonder begin of einde, een voortdurende kring van leven, dood en hernieuwing.

Wat opvalt, is hoe de gordel tegelijk bescherming en verbinding uitdrukte. Enerzijds vormde hij een grens, een omheining van het lichaam tegen onzichtbare invloeden die men als bedreigend ervoer. Anderzijds was hij een middel om zich juist af te stemmen op de krachten van de natuur, om de energie van zon, aarde en bloei in zich op te nemen. De bloemen brachten de kracht van de groeiende wereld mee, de knopen de gerichte wil van de drager, en samen vormden zij een object dat zowel persoonlijk als kosmisch geladen was.

Toen later het christendom deze gebruiken begon te integreren, werd deze oude gordeltraditie niet vernietigd, maar hervertaald. De bloemen en kruiden bleven, maar kregen nieuwe namen en associaties; de knopen bleven, maar werden eerder gezien als tekens van devotie dan van magische intentie. Toch bleef onder deze nieuwe betekenislaag de oudere structuur zichtbaar: een cirkel rond het lichaam, geweven uit natuur en bedoeling, gedragen op een moment waarop de wereld zelf in haar grootste kracht stond. De heidense midzomergordel leeft zo voort, niet alleen als historisch fenomeen, maar als een echo van een tijd waarin mens en natuur als één doorlopend geheel werden ervaren, zichtbaar en tastbaar gemaakt in iets eenvoudigs als een band van vezels, bloemen en knopen rond het lichaam.

Vuur, Zon en Aarde: De Heidense Ziel van Sint-Jan en Zijn Gezellen

In de zomermaand – wanneer het licht op zijn hoogtepunt staat en de aarde haar volle adem uitblaast – vloeien oude heidense ritmes en latere heiligennamen in elkaar over tot één levend geheel. Wat wij vandaag kennen als de feesten van Sint-Cunera, Sint-Vitus, Sint-Jan en Sint-Petrus en Paulus, draagt duidelijk de sporen van een ouder, dieper wereldbeeld waarin zon, aarde, water en vuur als heilige krachten werden vereerd. In deze tijd van overvloed en rijping wordt de mens als het ware opgenomen in de kringloop van groei, kracht en langzaam afnemend licht.

De cyclus opent rond 12 juni met Sint-Cunera, een figuur die bijzonder sterk de echo draagt van voorchristelijke vrouwengestalten. In haar herkennen we trekken van oude moedergodinnen en beschermgeesten van het land: hoedsters van akker, huis en gemeenschap. Haar verering, vaak met processies en beschermende rituelen, kan gezien worden als een voortzetting van oeroude tradities waarin men de aarde zelf eerde als voedende moeder. Symbolisch draagt Cunera het weefwerk van het leven: zij verbindt mensen met elkaar en met de vruchtbaarheid van het land. Het weven, beschermen en verzorgen zijn hier geen toevallige beelden, maar verwijzen naar de cyclische orde van de natuur zelf, waarin alles met elkaar verstrengeld is.

Kort daarna volgt Sint-Vitus op 15 juni, een feest waarin de wilde levenskracht van de vroege zomer tot uiting komt. Vitus wordt traditioneel verbonden met dans, zenuwkracht en extase – verschijnselen die in heidense rituelen essentieel waren. In extatische dansen zochten mensen verbinding met de levenskracht die door alles stroomt. Dit was geen chaos, maar een heilige roes: een manier om disharmonie uit het lichaam te verdrijven en opnieuw af te stemmen op de ritmes van de natuur. De zogenaamde “Sint-Vitusdans” weerspiegelt oude trancepraktijken waarin lichaam en geest één werden met de pulserende energie van de aarde. In deze periode van groeiende gewassen en lange dagen is beweging een eerbetoon aan het leven zelf.

Het stralende middelpunt van deze cyclus ligt bij Sint-Jan op 24 juni, het feest dat bijna samenvalt met de zomerzonnewende. Hier bereikt de zon haar hoogste kracht, en dat werd al ver vóór het christendom gevierd met grootse rituelen. De Sint-Jansvuren zijn wellicht het meest zichtbare overblijfsel daarvan: vuren die de zon op aarde weerspiegelen, haar kracht versterken en beschermen tegen het naderende afnemen van het licht. Het springen over het vuur staat symbool voor zuivering, moed en hernieuwing. Rook en as golden als krachtig tegen ziekte en onheil.

Daarnaast is deze nacht doordrongen van kruidenmagie. Planten zoals sint-janskruid, bijvoet en duizendblad worden op dit moment geplukt omdat men gelooft dat zij dan hun hoogste levenskracht dragen. Deze kruiden werden gebruikt voor genezing, bescherming en zelfs waarzeggerij. Ook water kreeg een bijzondere betekenis: dauw, bronnen en rivieren werden als bezield beschouwd, en baden in het eerste ochtendlicht stond symbool voor wedergeboorte. Het is een moment waarop vuur en water – ogenschijnlijk tegengestelde elementen – samenkomen als bronnen van leven en zuivering.

Aan het einde van deze zomerse spanningsboog vinden we Sint-Petrus en Sint-Paulus op 29 juni, een tweevoudig feest dat in heidense zin een overgang markeert. De zon heeft haar keerpunt gepasseerd; de dagen blijven warm, maar het licht begint langzaam af te nemen. Dit is het begin van een subtiele verschuiving van uitbundige groei naar bewaring en ordening.

Petrus, met zijn sleutels, draagt het archetype van de poortwachter. In oude tradities vinden we vergelijkbare figuren die de doorgang tussen werelden bewaken: tussen licht en duister, leven en dood, zomer en herfst. Zijn sleutels openen niet alleen hemelse poorten, maar symboliseren ook de kennis van cycli en grenzen – wanneer iets moet groeien en wanneer het beschermd moet worden.

Paulus daarentegen belichaamt de reiziger en verkondiger, een figuur die verwant is aan de oude “grenswandelaar” of listige bemiddelaar: degene die tussen werelden beweegt, kennis draagt en veranderingen teweegbrengt. Hij staat symbool voor het verspreiden van inzicht, voor het vuur van inspiratie dat zich uitbreidt zoals zaad dat wordt uitgezaaid. Samen vormen Petrus en Paulus een tweeluik van afsluiten en openen, bewaren en verspreiden.

Ook in de gebruiken rond dit feest vinden we oudere lagen terug: vis als symbool van leven uit het water, en water zelf als bron van vruchtbaarheid en oorsprong. In sommige streken werden rivieren gezegend of bezocht, wat herinnert aan prechristelijke waterculten waarin bronnen en meren als heilig werden beschouwd.

Wanneer men deze hele periode in haar geheel bekijkt, ontvouwt zich een rijk en samenhangend heidens perspectief op de zomermaand:

  • Aarde (Cunera) – vruchtbaarheid, bescherming, het weven van leven
  • Lichaam en beweging (Vitus) – extase, dans, levenskracht
  • Vuur en zon (Jan) – hoogtepunt, zuivering, magie en genezing
  • Overgang en balans (Petrus en Paulus) – grenzen, kennis, verspreiding

De symboliek is diep verweven:
Kransen van bloemen weerspiegelen de cyclus van groei en vergankelijkheid.
Vuren op heuvels verbinden hemel en aarde.
Water en dauw brengen genezing en vruchtbaarheid.
Dans en zang roepen de levenskracht op.
Sleutels en poorten herinneren aan overgangen tussen werelden.

Zo blijkt dat de zomermaand geen reeks losse feestdagen is, maar een heilige tijd waarin de mens zich afstemt op de adem van de natuur. De heiligen zijn als maskers die oude krachten blijven dragen: de zon die brandt, de aarde die voedt, het water dat heelt en de geest die beweegt tussen werelden. In dat licht is de zomer niet enkel een seizoen, maar een ritueel op zich – een jaarlijkse herbevestiging van het leven in al zijn overvloed en vergankelijkheid.

Onder Trollen en Wouden: Het Heidense Wereldbeeld van John Bauer

De Zweedse illustrator John Bauer (1882–1918) neemt een bijzondere plaats in binnen de Europese kunstgeschiedenis dankzij zijn betoverende voorstellingen van sprookjes, volkssagen en mythische landschappen. Zijn werk, vooral bekend uit de illustraties voor de jaarlijkse bundel Bland tomtar och troll (“Onder kabouters en trollen”), ademt een diepgewortelde verbondenheid met een heidens wereldbeeld waarin natuur, magie en het bovennatuurlijke onlosmakelijk met elkaar verweven zijn.

Bauers verbeeldingswereld is sterk geworteld in de Noordse en Germaanse tradities, waarin bossen, meren en bergen niet slechts decor vormen, maar bezielde krachten dragen. In zijn illustraties worden deze landschappen bevolkt door trollen, bosgeesten, prinsessen en mysterieuze wezens die rechtstreeks lijken voort te komen uit oude volksverhalen. Deze figuren zijn geen vrijblijvende fantasie, maar echo’s van een prechristelijk geloof waarin de natuur als levend en heilig werd beschouwd. Het woud bij Bauer is een plaats van ontmoeting met het onbekende, een domein waarin het menselijke en het bovennatuurlijke elkaar raken.

Zijn trollen behoren tot de meest iconische elementen van zijn oeuvre. Ze worden vaak afgebeeld als logge, archaïsche wezens die één lijken te zijn met de aarde zelf – hun lichamen lijken soms uit rots en wortels te bestaan. Deze voorstelling sluit nauw aan bij het heidense idee dat natuurwezens intrinsiek verbonden zijn met het landschap waaruit zij voortkomen. Tegelijkertijd dragen deze trollen een ambivalente betekenis: ze zijn zowel dreigend als intrigerend, wat herinnert aan de dubbelzinnige aard van natuurkrachten in het heidendom, die zowel beschermend als vernietigend kunnen zijn.

Naast deze oerkrachten schildert Bauer vaak jonge, kwetsbare menselijke figuren, zoals prinsessen of kinderen, die zich in deze mythische wereld bewegen. Hun confrontatie met het bovennatuurlijke weerspiegelt een overgangservaring: het betreden van een andere werkelijkheid waarin oude wetten gelden. Dit kan worden gelezen als een symbolische terugkeer naar een heidense beleving van de wereld, waarin de grenzen tussen mens en natuur, tussen het zichtbare en het onzichtbare, nog poreus waren.

Stilistisch onderscheidt Bauer zich door zijn subtiele kleurgebruik, vaak gedomineerd door gedempte groenen, bruinen en grijzen, die de mysterieuze sfeer van het Scandinavische landschap versterken. Zijn lijnen zijn zacht en vloeiend, en zijn composities ademen een stille, bijna sacrale rust. Het licht in zijn werken lijkt vaak gefilterd, alsof het door een sluier van mist of takken dringt, wat bijdraagt aan de indruk dat men kijkt naar een wereld die zich deels aan het oog onttrekt. Deze visuele sfeer sluit nauw aan bij de heidense voorstelling van de natuur als een plaats vol verborgen krachten en geesten.

In de culturele context van het vroege 20e-eeuwse Scandinavië past Bauers werk binnen een bredere herwaardering van het nationale en mythische erfgoed. Zijn illustraties geven vorm aan een collectieve herinnering aan het heidense verleden, niet als een exact historisch beeld, maar als een levendige, symbolische werkelijkheid die nog steeds doorwerkt in de verbeelding. Hij slaagt erin het alledaagse landschap te transformeren tot een bezielde ruimte waarin oude mythen opnieuw tot leven komen.

Samenvattend kan worden gesteld dat John Bauers werk een poëtische en visueel krachtige uitdrukking vormt van een heidense gevoeligheid. Door zijn bezielde natuur, zijn ambivalente natuurwezens en zijn dromerige sfeer creëert hij een wereld waarin de oude verbondenheid tussen mens en natuur opnieuw voelbaar wordt. Zijn illustraties nodigen de beschouwer uit om voorbij de zichtbare werkelijkheid te kijken en zich open te stellen voor een dieper, mythisch besef van het bestaan.

De Zomermaand: Licht, Groei en Heilige Verbondenheid in de Germaanse Jaarbeleving

Onze voorouders ervoeren de Zomermaand, het huidige juni, als het moment waarop het leven zich werkelijk toonde in zijn volle kracht. De dagen waren lang en helder, de zon stond hoog aan de hemel en bepaalde het ritme van arbeid, rust en samenkomst. Wat in de lente onzeker was gezaaid, stond nu stevig in de grond. Op de akkers golfde het graan, het vee kon volop grazen en het landschap liet zien dat de wereld in balans was. Die zichtbare groei gaf vertrouwen, maar vroeg tegelijkertijd om waakzaamheid en eerbied.

De zon werd in deze periode niet louter gezien als een hemellichaam, maar als een levende macht waarvan alles afhankelijk was. Haar warmte bracht groei en gezondheid, maar kon ook verdrogen of verbranden wanneer zij ongunstig werd. Daarom leefden mensen in de Zomermaand met een diep besef van afhankelijkheid. Door dagelijkse handelingen, kleine offers en eenvoudige rituelen toonden zij hun dankbaarheid voor het licht dat het leven mogelijk maakte. Men wist bovendien dat dit toenemende licht zijn grens naderde; de keer van de zon lag al besloten in haar stijgende kracht.

De Zomermaand was ook een tijd van verbondenheid met de aarde zelf. De akkers, weilanden en bossen waren geen bezit in moderne zin, maar levende dragers van leven die verzorging en respect vroegen. Onze voorouders bewogen zich door het land met aandacht, zegenden velden en stallen en probeerden zo de groeikracht vast te houden. Vruchtbaarheid werd niet alleen in het gewas gezien, maar ook in mensen en gemeenschap. Liefde, samenleven en voortplanting hoorden vanzelfsprekend bij deze tijd van overvloed.

Daarnaast was juni een sociale maand. Het betere weer maakte ontmoetingen mogelijk en noodzakelijk. Mensen kwamen samen om recht te spreken, afspraken te maken en het leven te vieren. Feesten, drank en gezamenlijke arbeid hoorden bij elkaar en versterkten de onderlinge band. In die samenkomsten werd het leven bevestigd zoals het nu was: open, krachtig en zichtbaar, maar ook tijdelijk. Men voelde intuïtief dat deze volheid niet blijvend was en dat zorgvuldigheid nodig was om later te kunnen oogsten.

Zo ervoeren onze voorouders de Zomermaand als een heilige balans tussen vreugde en verantwoordelijkheid. Het was een tijd om het leven te vieren zoals het zich toonde, om dankbaarheid te tonen voor licht en groei, en om zich bewust te zijn van de grotere kringloop waarin ook verval en terugkeer onvermijdelijk waren. Juni was geen losse maand, maar een levend moment in het voortdurende gesprek tussen mens, natuur en het heilige.

Hamingja & het Weefgetouw van het leven

Hamingja, zoals ik het begrijp, is een van de meest fundamentele begrippen binnen de Oudnoorse en Germaanse wereldbeschouwing. Het laat zich moeilijk letterlijk vertalen, omdat het tegelijkertijd verwijst naar geluk, lotskracht, eer, spirituele kracht en erfelijke voorspoed. Het is niet simpelweg “geluk” zoals wij dat vandaag begrijpen, maar eerder een levende kracht die verbonden is aan familie, afkomst, reputatie en handelen.

Wanneer een mens geboren wordt, ontvangt hij een naam. In de voorchristelijke Noord-Europese tradities werd een naam niet gezien als slechts een praktisch kenmerk, maar als iets met spirituele betekenis. Men geloofde dat via de naam een ziel verbonden werd aan het lichaam. Die ziel stond niet los van het verleden, maar was verweven met de lijn van voorouders die eraan voorafging. Sommige geleerden wijzen erop dat in saga’s en eddische teksten de gedachte voorkomt dat eigenschappen, kracht of zelfs delen van een voorouderlijke ziel opnieuw konden verschijnen binnen een familielijn.

Met die geboorte ontvangt men ook de hamingja. Deze kracht vormt als het ware het fundament van het innerlijke huis van een mens. Op dat fundament bouwt men gedurende het leven verder. De hamingja van een familie groeit of verzwakt afhankelijk van het gedrag van haar leden. Zij kan branden als een fel vuur of verschrompelen tot smeulende as. Alles hangt af van eer, moed, trouw en reputatie.

Binnen de ruimere germaanse samenleving waren eer en geluk bijna onafscheidelijk. Een man met grote eer moest wel gezegend zijn met sterke hamingja; iemand die voortdurend succes kende in strijd, handel of leiderschap werd gezien als iemand wiens lotskracht bijzonder sterk was. Omgekeerd wees voortdurend ongeluk vaak op een beschadigde reputatie of een verzwakte spirituele staat.

Dat idee vinden we terug in oude uitdrukkingen zoals: “Ga met het geluk van de koning.” Dit werd letterlijk genomen. Een koning kon zijn gunst, bescherming en hamingja delen met zijn vazallen of krijgers. Wanneer een man reisde onder de naam en bescherming van zijn heer, droeg hij symbolisch diens kracht met zich mee. Mensen zouden hem anders behandelen, deuren zouden zich openen, kansen zouden ontstaan. Het was alsof hij een deel van de macht van de koning zelf met zich meedroeg. In een maatschappij waar reputatie alles betekende, had dat enorme invloed.

Sommige onderzoekers verbinden het begrip hamingja met de fylgja. De fylgja wordt in de bronnen beschreven als een “volgende geest”, soms zichtbaar als een dierlijke verschijning die verbonden is aan een persoon of familie. In verschillende saga’s verschijnen fylgjur in dromen of visioenen, vooral voorafgaand aan conflicten of sterfgevallen. Daarom vermoeden sommige geleerden dat fylgja en hamingja nauw verwante concepten zijn: beide drukken een innerlijke spirituele kracht uit die zich buiten de mens kan manifesteren.

Wanneer twee mensen tegenover elkaar staan in conflict, botsen volgens deze gedachte niet alleen hun lichamen of wilskracht, maar ook hun hamingja. Stel je een gerespecteerde krijger voor: een man die veldslagen heeft gewonnen, zijn gemeenschap heeft beschermd en bekendstaat om wijsheid en zelfbeheersing. Tegenover hem staat een dronkaard met een slechte reputatie die beledigingen heeft geuit tegen diens familie. Nog voor de eerste slag gevallen is, voelen omstanders vaak al wie zal winnen. De ene straalt zekerheid, eer en innerlijke kracht uit; de andere twijfel en chaos. In zekere zin heeft de strijd tussen hun hamingja dan al plaatsgevonden.

Binnen de Germaanse wereld was eer geen individueel bezit maar familiebezit. Wanneer de eer van één familielid beschadigd werd, had dat gevolgen voor de hele familie. Daarom bestonden er uitgebreide systemen van wraak, boetebetalingen en eerherstel. In veel Germaanse rechtsstelsels — zowel Scandinavisch als Angelsaksisch — bleef eer eeuwenlang een juridisch en sociaal kernbegrip, zelfs nadat het christendom zich verspreid had. Tot diep in de vroegmoderne tijd bleven begrippen als bloedwraak, eercompensatie en familieverantwoordelijkheid voortleven in wetten en gebruiken.

Over hamingja spreken betekent onvermijdelijk ook spreken over wyrd, het weefgetouw van het leven.

Het Oudengelse woord wyrd is verwant aan het moderne Engelse woord “weird”. Vandaag betekent “weird” iets vreemds of afwijkends, maar oorspronkelijk verwees wyrd naar het lot, het wordingsproces van de werkelijkheid en de onzichtbare krachten die het leven vormgeven. In Angelsaksische teksten zoals *Beowulf* wordt wyrd beschreven als een onafwendbare lotsmacht: “Wyrd bið ful aræd” — het lot staat vast.

In de Noordse traditie wordt dit vaak verbonden met het beeld van het Web van Wyrd. Bij de geboorte beginnen de Nornen — Urðr, Verðandi en Skuld — de levensdraad van een mens te spinnen. Zij bepalen het lot dat uiteindelijk niet ontweken kan worden. Maar hoewel het eindpunt vastligt, bepaalt de mens zelf hoe hij het pad bewandelt.

Elke handeling, elk woord en elke ontmoeting weeft nieuwe draden in het grote tapijt van het bestaan. Mensen beïnvloeden elkaar voortdurend. Vriendschappen ontstaan, eden worden gezworen, families groeien, oorlogen breken uit, levens eindigen. Zoals stenen die in een vijver vallen en kringen veroorzaken die elkaar raken en versterken, zo beïnvloedt iedere daad het grotere patroon van wyrd.

Binnen dat weefsel probeert men een leven van eer op te bouwen. Want de voorouders zijn nog steeds verbonden met de levende familie. Zij ondersteunen hun nakomelingen met hamingja zolang de familie eerbaar blijft handelen. En wanneer iemand sterft, laat hij zijn eigen kracht en reputatie achter aan de generaties die volgen.

Daarom waren verbonden tussen mensen heilig. Wanneer iemand een ander “broeder” noemde, was dat niet zomaar een vriendelijke term. Het was een eed van wederzijdse verantwoordelijkheid. De eer van de één werd de verantwoordelijkheid van de ander. Wanneer een broeder vernederd werd of onrecht leed, werd van jou verwacht dat je hem hielp zijn eer te herstellen — ongeacht persoonlijke kosten.

In verschillende saga’s zien we hoe sterk men geloofde in de kracht van woorden, eden en stervende vervloekingen. In een bekend motief vraagt een stervende krijger aan zijn doder om zijn naam te noemen. Vaak weigert de overwinnaar dit. Waarom? Omdat men geloofde dat de vloek van een stervende uitzonderlijk krachtig was. Als de naam bekend werd, kon de stervende zijn vloek richten tegen de dader en diens toekomst beschadigen. Zulke verhalen tonen hoe tastbaar en werkelijk deze spirituele ideeën voor mensen waren.

Hamingja kan misschien het best vergeleken worden met een huis.

Wanneer je een huis bouwt, kies je eerst de grond. Daarna leg je een fundament. Dat fundament moet sterk zijn, want alles wat later gebouwd wordt, rust erop. Een slecht fundament zal uiteindelijk het hele huis doen instorten.

Zo werkt ook hamingja. Je afkomst, naam en voorouders vormen de basis. Daarna bouw je verder met je daden. Iedere keuze voegt iets toe aan de structuur: eer, reputatie, wijsheid, moed, trouw. Maar schade ontstaat eveneens. Een lekkend dak dat niet hersteld wordt, veroorzaakt langzaam rot in het hout. Een gebroken deur laat vuil en chaos binnen. Wanneer je jezelf bedriegt — wanneer je zwakte vermomt als kracht of leugens verkoopt als waarheid — bouw je een schoorsteen van hout terwijl je beweert dat het steen is. Uiteindelijk zal het huis afbranden.

Zo moet men ook omgaan met de hamingja: onderhouden, beschermen en versterken. Niet alleen voor zichzelf, maar voor de familie die eraan voorafging en voor de generaties die nog zullen komen.

Het weefgetouw van het leven is als een levensboom. De draden van lotgenoten groeien als vezels uit de bron van het leven en streven naar een mooie vrucht in de kruin. Onderweg kronkelen ze, duwen ze, vertakken ze of vergroeien ze. Ontmoetingen, gebeurtenissen, beloftes, ze beïnvloeden het pad van de levensdraad. 

Die kan uitkomen op een dode tak, of een blad of een rijpe vrucht.

Uiteindelijk zal de vrucht, of het bland afsterven, naar de wereld onderaan neerdalen en daar deel uitmaken van de voedingsbodem voor de toekomstige lotgenoten. Een vruchtbare grond is belangrijk voor een goede oogst. 

De cirkel van bescherming: de verborgen betekenis van de Fiertel

De Fiertelommegang van Ronse wordt vandaag beleefd als een uitgesproken christelijke reliekprocessie ter ere van Sint-Hermes, maar in haar vorm en beleving zijn nog duidelijk sporen zichtbaar van veel oudere, heidense rituelen. De ommegang zelf vormt daarvan het meest opvallende voorbeeld: een tocht van ongeveer 32 kilometer die in een grote cirkel rond het grondgebied van Ronse wordt afgelegd. Dit ritueel afbakenen van ruimte door middel van een kringbeweging sluit nauw aan bij voorchristelijke gebruiken waarbij men het eigen territorium symbolisch beschermde tegen ziekte, onheil en kwade invloeden. Door het landschap volledig te omcirkelen wordt als het ware een onzichtbare grens opnieuw bevestigd, een idee dat diep geworteld zit in oude opvattingen over binnen en buiten, veilig en onveilig.

Die beschermingsfunctie weerspiegelt zich ook in de betekenis die aan de tocht wordt gegeven. Waar men vandaag spreekt over de bescherming van Sint-Hermes tegen ziekten, vooral geestesziekten, sluit dit naadloos aan bij oudere denkbeelden waarin ziekte werd gezien als een verstoring van evenwicht of als een invloed van onzichtbare krachten. Rituelen zoals de Fiertel dienden in dat wereldbeeld om die verstoring te herstellen en het land en de gemeenschap opnieuw in harmonie te brengen. De verbondenheid met het landschap speelt daarin een belangrijke rol. De tocht loopt niet alleen door de stad, maar door de omliggende velden, heuvels en wegen, waardoor de relatie tussen mens en omgeving telkens opnieuw wordt bevestigd. In voorchristelijke tradities waren dergelijke plekken vaak geladen met betekenis, zeker wanneer het ging om kruispunten, grenzen of hoger gelegen zones.

Ook kleinere handelingen, zoals het driemaal rondgaan rond kapelletjes, dragen duidelijk kenmerken van oudere rituele logica. Het getal drie werd in vele heidense tradities gezien als een krachtig en volledig getal, en het herhalen van een handeling drie keer moest de werking ervan versterken. Daarbij komt de cirkelbeweging zelf, die als beschermend en afbakenend werd beschouwd. Het rondgaan rond een bepaalde plaats kon die plek symbolisch afsluiten, heiligen of beschermen. Dat deze handeling vandaag gebeurt rond christelijke kapelletjes, neemt niet weg dat de vorm waarschijnlijk ouder is en later werd ingekleed met een nieuwe religieuze betekenis.

Verder valt ook het vroege startmoment van de Fiertel op. De tocht begint traditioneel bij het aanbreken van de dag, een moment dat in oudere culturen als bijzonder krachtig werd gezien. Overgangen zoals die van nacht naar dag golden als magische tijdstippen waarop rituelen extra effect konden hebben. Het uitvoeren van een beschermingsritueel op zo’n moment versterkte de symboliek van vernieuwing en hernieuwde orde. Tijdens de tocht zelf zijn er vaste haltes, plaatsen waar even wordt gestopt. Zulke rustpunten kunnen teruggaan op oudere knooppunten in het landschap die ooit een bijzondere betekenis hadden, zoals kruispunten of natuurlijke oriëntatiepunten die als sacraal werden ervaren.

De Fiertel is bovendien een uitgesproken collectief gebeuren. Het samen afleggen van de tocht benadrukt de gemeenschap als geheel, een aspect dat ook in heidense rituelen centraal stond. Door samen te bewegen, samen te lijden en vol te houden, wordt niet alleen een religieuze handeling gesteld, maar ook de onderlinge band bevestigd. Het belang dat gehecht wordt aan het volledig uitlopen van de tocht past eveneens binnen dit oudere patroon: een ritueel moest volledig worden uitgevoerd om zijn werking te hebben. De cirkel moet gesloten worden, anders blijft het beschermende effect onvolledig.

Zelfs de ritmiek van de tocht, met gebeden, herhalingen en het monotone stappen, sluit aan bij oudere vormen van ritueel gedrag. Herhaling en ritme werden gebruikt om concentratie en collectieve focus te versterken en om een handeling symbolisch meer gewicht te geven. De aanwezigheid van de relieken van Sint-Hermes vormt daarbij het centrale punt van de processie. Hoewel reliekverering typisch christelijk is, weerspiegelt het ook een oudere menselijke neiging om kracht toe te kennen aan tastbare objecten, zoals heilige stenen of talismannen die bescherming en zegen brachten.

Zo toont de Fiertelommegang zich als een gelaagd ritueel waarin verschillende tijdslagen samenkomen. Onder de christelijke betekenis van devotie en heiligenverering blijft een ouder patroon zichtbaar van het afbakenen van ruimte, het beschermen van gemeenschap en landschap, het ritueel omgaan met ziekte en het versterken van sociale samenhang. De jaarlijkse herhaling van de tocht onderstreept daarbij het cyclische denken dat eigen is aan landbouwsamenlevingen, waarin rituelen steeds opnieuw werden uitgevoerd om orde, vruchtbaarheid en bescherming te verzekeren. Op die manier leeft in de Fiertel niet alleen een religieuze traditie voort, maar ook een veel ouder wereldbeeld waarin mens, natuur en gemeenschap onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Fiertel

Tussen Lente en Geest: Germaanse Invloeden op het Pinksterfeest

Pinksteren wordt vandaag beschouwd als een belangrijk christelijk feest dat de neerdaling van de Heilige Geest viert, maar wanneer men dieper kijkt naar de symboliek en de timing ervan, wordt duidelijk dat het feest ook sporen draagt van oudere, Germaanse heidense tradities die nauw verbonden waren met de natuur en haar cycli. In de Germaanse wereld was de periode rond het late voorjaar, ongeveer wat nu samenvalt met Pinksteren, een tijd van overgang waarin de natuur haar volle levenskracht bereikte. Het was een moment waarop de groei zichtbaar explodeerde, dieren vruchtbaar waren en het land klaarstond voor een nieuwe cyclus van overvloed. Deze fase werd niet alleen praktisch beleefd, maar ook spiritueel geïnterpreteerd als een manifestatie van onzichtbare levenskracht die door alles heen stroomde.

Een belangrijk element in deze beleving was het gebruik van groen en bomen. Binnen de Germaanse symboliek golden bomen als heilige dragers van leven en verbinding tussen verschillende werelden. Het binnenbrengen van takken, het versieren van woonplaatsen met bladeren en het centraal stellen van groen tijdens rituelen waren manieren om die levenskracht letterlijk binnen te halen. In latere Pinkstertradities zien we dit duidelijk terug in het gebruik van berkentakken, bloemenkransen en groene versiering van huizen en kerken, wat nauwelijks los kan worden gezien van die oudere natuurverering. Wat oorspronkelijk een eerbetoon was aan de hernieuwde levenskracht van de aarde, werd binnen een christelijk kader hervertaald als een symbool van geestelijke vernieuwing.

Daarnaast speelde vruchtbaarheid een centrale rol, vaak verpersoonlijkt in vrouwelijke figuren die de lente of de aarde zelf belichaamden. In verschillende regio’s kende men figuren zoals de lentebruid of meivrouw, een symbolische representatie van groei en vruchtbaarheid. Het gebruik om tijdens Pinksteren een “Pinksterbruid” rond te dragen – een met bloemen versierd meisje dat deelneemt aan processies – lijkt rechtstreeks uit deze traditie voort te komen. De originele betekenis, namelijk de viering van de vruchtbare aarde en de cyclus van leven, werd in latere tijden folkloristisch en enigszins onschuldig gemaakt, maar de symbolische kern bleef herkenbaar aanwezig.

Ook de elementen vuur en lucht spelen een opvallende rol in de overgang van heidense naar christelijke betekenisgeving. Binnen Germaanse rituelen stond vuur symbool voor reiniging, bescherming en de kracht van de zon, terwijl wind en adem werden gezien als dragers van geest en leven zelf. De idee dat leven ontstaat door een bezielende adem of onzichtbare kracht was diep verankerd in de spiritualiteit. In het Pinksterverhaal wordt de Heilige Geest beschreven als een krachtige wind en verschijnen er vlamachtige tongen boven de hoofden van de gelovigen. Dit sluit opvallend goed aan bij die oudere symboliek, waarbij lucht en vuur niet zomaar fysieke elementen waren, maar uitdrukkingen van een hogere, doordringende kracht die mensen en natuur bezielde.

Verder moet men ook het sociale aspect niet onderschatten. Voor de Germaanse gemeenschappen waren dit soort momenten belangrijke collectieve gebeurtenissen waarin rituelen, feesten, dans en initiaties samenkwamen. Ze markeerden niet alleen een natuurlijke overgang, maar versterkten ook de onderlinge band en de identiteit van de gemeenschap. Pinksteren nam later een gelijkaardige rol op zich als moment van samenkomst en verbondenheid, en werd bovendien een traditionele periode voor doop en religieuze vernieuwing. Die nadruk op gemeenschap en een symbolische nieuwe start weerspiegelt duidelijk een oudere laag van betekenis die niet volledig verdween, maar werd opgenomen in een nieuw religieus kader.

Wat uiteindelijk zichtbaar wordt, is geen eenvoudige vervanging van heidense praktijken door christelijke rituelen, maar eerder een geleidelijke verschuiving in betekenis. De uiterlijke vormen bleven vaak bestaan – groenversiering, optochten, symbolisch gebruik van vuur en wind – maar hun interpretatie werd aangepast aan de christelijke leer. Waar men vroeger sprak over levenskracht van de natuur, sprak men nu over de werking van de Heilige Geest; waar bomen en groen de kracht van de aarde vertegenwoordigden, werden ze symbolen van geestelijk leven; en waar vruchtbaarheid centraal stond, werd dat herleid tot culturele traditie zonder expliciete religieuze inhoud.

Pinksteren kan dus begrepen worden als een gelaagd feest waarin oude Germaanse natuurbeleving en christelijke spiritualiteit in elkaar zijn verweven. Die onderliggende continuïteit maakt het niet alleen historisch interessant, maar toont ook hoe diep bepaalde symbolen geworteld zijn in de menselijke ervaring van natuur, gemeenschap en bezieling.

Koning Radboud en de strijd tegen de kerstening van Frisia

De weerstand tegen de komst van het christendom in de tijd van koning Radboud was diepgeworteld en veelzijdig, en kan alleen goed begrepen worden wanneer men ziet hoe ingrijpend de nieuwe religie botste met de bestaande sociale, religieuze en politieke structuren. Voor de Friezen en andere Germaanse volkeren was religie geen afzonderlijk domein, maar een integraal onderdeel van het dagelijks leven, verweven met rechtspraak, leiderschap, landbouw, oorlog en familiebanden. Het christendom bracht daarentegen een totaal andere manier van denken met zich mee, die deze verwevenheid gedeeltelijk brak en verving door een meer gecentraliseerd en universeel systeem.

Een belangrijk element van de weerstand was de rol van de heerser zelf als drager van religieuze orde. In de traditionele samenleving was een koning zoals Radboud niet alleen een machtig leider, maar ook een hoeder van de balans tussen mensen, goden en voorouders. Zijn legitimiteit kwam deels voort uit zijn vermogen om deze orde te bewaren. Wanneer missionarissen het christendom introduceerden, ondermijnden zij impliciet deze rol: zij brachten een religie die niet lokaal geworteld was en geen plaats gaf aan de traditionele goden of rituelen. Voor Radboud betekende bekering dus niet enkel een persoonlijke geloofskeuze, maar een ondermijning van zijn positie en van de fundamenten van zijn gezag.

Daarnaast speelde de sterke nadruk op voorouderverering in het heidendom een cruciale rol in de weerstand. De gemeenschap definieerde zichzelf via een continuüm van generaties, waarbij de doden een blijvende aanwezigheid vormden in het leven van de levenden. Rituelen, offers en herinneringen hielden deze band levend. Het christendom doorbrak deze continuïteit door te stellen dat alle heidenen, dus ook de voorouders, buiten de ware verlossing vielen. Dit creëerde een existentiële spanning: aanvaarden van het christendom betekende impliciet afstand nemen van de eigen oorsprong. De bekende legende waarin Radboud weigert zich te laten dopen nadat hij verneemt dat zijn voorouders in de hel zouden zijn, weerspiegelt precies deze spanning. Of het historisch precies zo gebeurde is minder van belang dan het feit dat dit verhaal vastlegt hoe onaanvaardbaar deze breuk voor velen moet zijn geweest.

Een andere bron van verzet lag in de manier waarop het christendom werd verspreid. Missionarissen zoals Willibrord en Bonifatius opereerden vaak met steun van Frankische machthebbers. Dit maakte de nieuwe religie verdacht als instrument van buitenlandse overheersing. Voor de Friezen betekende bekering vaak ook onderwerping aan Frankische politieke structuren, inclusief belastingen en verlies van autonomie. De strijd tegen het christendom was dus tegelijk een strijd tegen politieke annexatie. Wanneer Radboud militaire campagnes voerde tegen de Franken en hun bondgenoten, verdedigde hij niet alleen territorium, maar ook een manier van leven.

De praktijken van missionarissen zelf konden eveneens aanleiding geven tot conflict. Zij probeerden soms bewust heidense heiligdommen te vernietigen of te ontwijden om de superioriteit van het christendom te demonstreren. Heilige bomen werden gekapt, cultusplaatsen ontheiligd en rituelen verboden. Dit waren geen neutrale handelingen, maar directe aanvallen op het symbolische hart van de gemeenschap. Zulke acties veroorzaakten niet alleen religieuze verontwaardiging, maar ook sociale ontwrichting, omdat zij de plekken aantastten waar gemeenschappen samenkwamen en hun identiteit bevestigden.

Daarbij kwam dat het christendom een andere moraal introduceerde, die niet altijd aansloot bij de bestaande waarden. In de Germaanse wereld stonden eer, moed, loyaliteit aan de clan en wraakrecht centraal. Conflicten werden vaak opgelost via vergelding of compensatie binnen een eercultuur. Het christendom legde daarentegen de nadruk op vergeving, nederigheid en onderwerping aan een goddelijke orde die boven de gemeenschap stond. Voor krijgsaristocratieën kon dit worden ervaren als een verzwakking van hun traditionele ethiek en hun sociale rol.

Ook op het niveau van ritme en beleving van de wereld ontstond spanning. Het heidendom was sterk verbonden met de cycli van de natuur: seizoenswisselingen, oogsten, zonnewendes en andere natuurlijke overgangen bepaalden het religieuze leven. Het christendom bracht een meer lineaire tijdsopvatting, gericht op schepping, zondeval en uiteindelijke verlossing. Hoewel veel heidense feesten later werden opgenomen in christelijke kalenderstructuren, was dit in de tijd van Radboud nog een bron van frictie, omdat het bestaande ritme van het leven werd uitgedaagd.

De weerstand tegen het christendom moet dus niet gezien worden als louter conservatisme of onwil om te veranderen, maar als een rationele en diepe reactie op een ingrijpende transformatie. Voor Radboud en zijn omgeving stond er veel meer op het spel dan religieuze overtuiging alleen: het ging om identiteit, sociale orde, politieke onafhankelijkheid en de relatie met het verleden. De uiteindelijke overwinning van het christendom betekende daarom niet dat deze weerstand ongegrond was, maar dat de machtsverhoudingen zodanig verschoven dat het oude systeem zich niet meer kon handhaven.

In die zin wordt Radboud vaak gezien als de belichaming van deze weerstand, niet omdat hij het christendom definitief kon tegenhouden, maar omdat hij de spanning en de inzet van deze historische overgang in zijn persoon samenbracht. Zijn verzet laat zien dat de kerstening van Europa geen geleidelijk en vreedzaam proces was, maar een complexe en vaak conflictueuze herordening van de wereld, waarin oude zekerheden plaats moesten maken voor nieuwe structuren die door velen in eerste instantie als bedreigend werden ervaren.

Mijmeringen in de vallei van Wiederik

Hoewel het ochtend was, had het winterse daglicht veel moeite om door het ongure weer te dringen. Het woud lag er grijs en duister bij, met een erg laag en donker wolkendek, striemende regen en windvlagen. Wodan’s Heir scheerde over daken en boomtoppen, razend wild met een hevig geraas. Wie enigszins kon bleef wijselijk binnenskamers. Maar niet ik. Ik had een missie. Een smal pad, dat meer leek op een kloof die werd uitgehold door water dat van de helling liep, bezaaid met keien, modder en dennennaalden was de laatste 100 meter mijn pad. Onvermoeid bleef ik stijgen, met modder tot over de enkels. Ik wist dat Arduinna toekeek. Het was haar woud, haar heiligdom. En ik zou haar niet teleurstellen. Mijn wollen muts, broek en de legerparka deden hardnekkig hun best het vocht buiten te houden. Ik trok mijn buff wat hoger en stelde mijn rugzak bij. Later vandaag zou ik bij een warme haard zitten met een mok hete thee of misschien een frisse Wérisienne. Maar nu zou ik het stellen met koude wind en regen. 

Ik heb altijd al van de natuur gehouden, maar toen ik nog mocht genieten van de geneugten van het logement bij Defensie als landsknecht, heb ik menig dag en nacht in een nat bos doorgebracht, verkleumd en vloekend. Wat toen een vervelende ervaring was, zoek ik nu net op. Zoals velen ben ik begonnen met een altaar. Daar is niets mee natuurlijk, maar al snel voelde ik een verlangen naar meer. Door het lezen van de juiste boeken en ontmoetingen met de juiste mensen, openbaarde zich voor mij een nieuwe wereld in het heidendom. Heilige wouden, mistige heuvels, natte stenen ouder dan de jaartelling, daar kan je terugkeren naar de mysteries die ooit onze voorouders begeesterden. Daar kan je nog de bosgeesten ontdekken, de nekkers, de alven en misschien wel de Asen. Extreem weer, lijkt mijn ervaring alleen maar te versterken.

Links van mij weken de bomen en over een wei kon ik in de vallei van Wedericia (ook “Wederik”- “Wiederik”) ontwaren. Het is moeilijk te bevatten, maar het Waals dialect dat ooit gesproken werd in deze streken, lag eigenlijk dichter bij onze Germaanse talen dan bij de Romaanse. Het Waals is is ontstaan uit een mix van Keltisch, Gallo Romaans en Frankisch. De verfransing trad pas veel later echt op in 1795 onder Franse heerschappij. 

Velden en bomen, met een snel bewegend laaghangend wolkendek, barre takken wezen de richting aan waarin Meneer de Wind reisde. Ik stelde scherp op de wolken. Figuren leken zich te vormen en weer te verdwijnen, in een constante molen van wind, alsof de onderkant van de wolkendeken tentakels kreeg die de malende bewegingen van ledematen van  paarden en mannen imiteerden. In de massieve muur van de wolk staken donkere en grijze kleurenpallets zich tegen elkaar af. Een donkerblauwe wolken flard rees langs de flank van een grijze regenwolk omhoog als een tweeledig gevorkte tak. De ene rechtop de andere schuin en gebogen als een kromme wijzende vinger. Het leek wel een man te paard. Door het voortdrijven van de wolk boog de ruiter zijn hoofd en strekte het paard de nek, zoals je zou verwachten wanneer een paard van lichte draf naar galop schakelt. Ik knikte. Vandaag reisde ik niet alleen, maar mijn gezelschap was niet van Middengaard afkomstig. 

Zelfverzekerd klom ik verder langsheen hoge sparren en dennen. Het woud slokte me opnieuw op en het daglicht werd nog zwakker achter de donkere basten. De geur van het bos was verkwikkend. De wereld werd buitengesloten, alles kromp naar mijn huidig bestaan. Ik bereikte de top van de heuvel liep over een breder pad. In de schaduwen van de bomen aan weerszijden van de weg zag ik vage schaduwen met mij meebewegen in de periferie van mijn zicht. Het was nutteloos er recht naar te staren want dan zag je ze niet. Ik maakte mij geen zorgen, want ik wist wie ze waren.

Eerder in de nacht, nadat ik mijn wagen op een modderig pad had geparkeerd, had ik het Duivelsbed opgezocht. 

De megaliet bestaat uit twee delen, een kleinere steen rechtop vormt het hoofdeinde en een rechthoekige liggende steen vormt het bed, dat lijkt zelfs beslapen omdat het kuipvormig is en het anders ongelijke oppervlak van de puddingsteen is hier mooi effen en glad alsof het over lange tijd werd afgesleten door de bezoekers die het hadden beslapen. Het Duivelsbed maakt deel uit van de zogenaamde “Legendestenen” uit de vallei. Hoewel hun connectie met de megalieten en dolmens enigszins een grijze zone betreft, kunnen we niet ontkennen dat de aard van deze steen een heidens verleden moet hebben. Volgens de legende gebruikt de duivel de megaliet als zijn bed om te rusten voor hij terug keert naar de onderwereld. De kerk waarschuwde de bewoners om niet op de steen te zitten, anders kwam de duivel je halen. Nogal herkenbare elementen die je kan verwachten bij een demonisatie van een heidens sacrale plaats door toedoen van de kerk. 

Mijn zaklamp scheen op het duivelsbed. De volle maan gloeide ergens tussen de bomen, belemmerd door een mistig waas. Ik was erg vroeg opgestaan, wat ik van plan was moest bij nacht gebeuren. Het weer was nog niet zo onstuimig, maar alles was wel nat. Ik drapeerde een militaire poncho over de steen en haalde een schaal en fles uit mijn rugzak. In de schaal goot ik  de inhoud van een klein zakje koffie. Een zelfgemaakte tondel, een kluwen van houtschilfers die werden gedoopt in kaarsvet en gekneed tot een bal, stak ik aan met een lucifer en deponeerde in de schaal. De koffie begon te smeulen. Ik had liever graan of wierook gebruikt maar door omstandigheden had ik enkel koffie bij de hand en ik vertrouwde erop dat het net zo goed was. De fles goot ik in een kroes die ik bij de voet van het bed naast de schaal zette waarna ik een flinke teug uit de fles dronk. Met een leder touw bond ik de wolventand om mijn pols en knoopte hem drie maal in een bijzonder patroon. Ik ging liggen op de poncho, stopte mijn zaklamp weg en trok de poncho over mij heen als een deken om mijn lichaamswarmte te behouden. Ik luisterde naar het bos en rook de geur van brandende koffie. De wind roerde wat takken maar het was nog niets vergeleken met wat de ochtend zou brengen. Ik begon met een meditatie om mijn bewustzijn te vertragen en in de juiste gemoedstoestand te verkeren. Mijn focus verplaatste van mijn lichaam naar de steen. De temperatuur flirtte met het vriespunt maar ik had geen handschoenen aan zodat ik ze onder me kon stoppen om de steen te voelen. Ik aanriep Arduinna, nodigde haar uit deze steen te bezoeken en om mijn offer van wijn te aanvaarden en mij te verwelkomen onder deze maan in de aanloop naar Joel.  Ik vroeg mijn voorouders het offer van koffie te aanvaarden en mij te vergezellen op deze ommegang. Ik aanriep de wolf in mij, ontboden door Wodan en als geïnitieerde van het verbond de Wolfhetan. Hierna herhaalde ik drie maal het woord Ansuz, vervolgens nog eens drie maal en dan weer drie maal. Een cyclus van negen invocaties sloot ik af met een neuriënde “hmmmmm” als een korte pauze en toen begon ik opnieuw. Het werd een schijnbaar eindeloze aaneenschakeling. De tijd leek stil te staan en mijn herhaling leek wel een gezang dat automatisch werd geproduceerd. Met mijn geestesoog ontwaarde ik mijzelf vanuit de lucht, rond het Duivelsbed maakte ik een perfecte ronde cirkel als van een blauwkleurig aura, een bel die mij afsloot van wat er om mij heen gebeurde. Het was een mentale oefening om de juiste toestand te bereiken. Na een tijdje leek mijn geest weg te drijven, of liever weg te zakken, in het bed van steen.  Ontspannen spieren begonnen gevoelloos te worden en steen en lichaam leken over te lopen in elkaar, alsof mijn geest niet langer gebonden was aan het fysieke. Het gevoel buiten te zijn, op een hard oppervlakte te liggen, was verdwenen. Ik ervoer een zalige warmte en een gevoel dat je kan omschrijven als een soort gewichtloosheid. De desoriëntatie was totaal, alsof ik in een vorig leven ooit op de steen was gaan liggen en ik nu van alles los gekoppeld was, vanuit een superieur perspectief mijn daden als mens bekeek. Dat gevoel, die wetenschap, was op dat moment een onweerlegbare realiteit en niet omdat het voor mij bewezen werd maar omdat ik voelde alsof ik thuis kwam in de echte wereld. Mijn geest leek te drijven in een tijdloos alleswetend universum. Hoewel herinneringen altijd wazig zijn, weet ik zeker dat ik hier verwanten ontmoet uit lang vervlogen tijden.

Nu werd ik weggetrokken met groot geweld uit een cocon van comfort. Alsof je uit een heerlijk warm bed de kou van de nacht moet instappen. Het gevoel dat ik in een afgrond viel was overweldigend. De diepte was enorm, de grijze massa was geen steen meer, maar mistige wolken die mijn gezicht nat maakten, iets trok aan mijn poncho die heen en weer flapperde. En dan abrupt en onverwacht de harde impact wanneer je uit een hoogte valt. Maar in plaats van de verwachte pijn en dood voelde ik alleen maar de schok van het tot stilstand komen in mijn eigen lichaam, de hardheid van de steen onder mijn rug en de regen in mijn gezicht. Mijn hart ging tekeer in mijn borst. Ik keek op mijn vertrouwde Traser Commando op mijn pols. Het was reeds 7u30 en ik had het plots ijskoud. Mijn gezicht was nat, er viel regen.  De koffie was al lang opgebrand en verwaaid, net als de mist. Ik sprong recht met stramme spieren, graaide de poncho weg en goot de kroes uit over de steen. Nadat ik had opgeruimd sprong ik wat op en neer om wat leven in mijn ledematen te brengen. Daarna at ik een klein ontbijt en dronk koffie uit een thermos, ik ging brandstof nodig hebben voor wat ik van plan was. Het duister van het bos staarde mij aan en ik voelde hen, ze waren aangekomen. Nu kon ik ze trots maken.

Mijn ommegang volgde de richting van de zon, zoals het hoorde en bracht me nu over de heuvelrug in de richting van het dorp. Het was de bedoeling een cirkel omheen de offerplek te maken alvorens mijn offer te brengen. De ommegang is een traditie die werd overgenomen in Christelijke gebruiken. Vanuit de oudheid hebben ons indicaties bereikt dat heidenen dit al deden om een plaats te eren of te reinigen, vaak met vuur. Maar ook om een heilig woud te betreden werden rituelen gevolgd. De ommegang toont ons dat de mens zich fysiek inzet om zijn betrokkenheid en motivatie te tonen aan de goden. Het is ook een vorm van respect, van eerbied, aan de geesten wiens huis we betreden. Daarom breng je ook een geschenk mee, een goede gast komt niet met lege handen. En dat het best moeilijk mag zijn, maakt de hele inzet nog mooier en oprechter. Als je ten val komt, dan kruip je. 

De weg ging de helling af, langsheen meer megalieten die schijnbaar achteloos in het landschap waren gedropt. Bij de oude steengroeve hield ik even halt. Pakweg 5000 jaar geleden werden grote blokken puddingsteen hier uit de heuvel ontgonnen. Door de wol geverfde overlevers hadden hun oogst vervoerd naar de vallei, waarschijnlijk langs hetzelfde uitgesleten pad dat ik nu gebruikte. Ik staarde naar het gezicht in de wand van de uitgehakte stenen. Was het een gril van de natuur of had ooit iemand hier een eenogige gebaard hoofd uitgebouwd? Misschien had de godheid zelf wel besloten de locatie te eren door zich te tonen? Ik voelde mij nietig maar sterk in diens aanzicht. De sites in de vallei werden uitgelijnd naar het noorden. De hele omgeving leek bezaaid met verdwaalde megalieten. Ofwel daar achtergelaten door de bouwers, ofwel later verplaatst door andere bewoners van de vallei. Ofwel om praktische redenen ofwel om religieuze redenen, van Belgiekse stammen tot Franken of dienaren van de kerk, van boeren tot gemeentearbeiders, allemaal zullen ze ooit een rol gespeeld hebben in de verstoring van het oorspronkelijke plan. Er zijn mensen die zich hieraan storen. Nu zou ik hen geen ongelijk geven als het gaat om kwaadaardige intenties, bijvoorbeeld om de sacrale aard te verdonkeremanen. Maar wat mij wel belangrijk lijkt, is de continuïteit en evolutie van een heiligdom gelijk in welke vorm. Alles wat deze vallei doorstond heeft ze gemaakt tot wat ze is, haar lot voltrekt zich elke dag. Op dezelfde wijze dat een katholieke ommegang mogelijk zijn oorsprong vind in een heidens ritueel, op dezelfde wijze als een kerk een grafheuvel bekroond en zo ook het sacraal karakter van de heuvel kan bewaren. Zo geloof ik dat wij in onze eigen tijd verder kunnen bouwen op dergelijke plekken. Of, waarom niet, onze eigen nieuwe plekken wijden aan de alven en Asen zoals de stenen kring in Beselare of de godenpaal in Wijnendale of de plaatsen waar jaarlijks Joel en midzomervuren worden aangestoken… 

Er valt wel iets te zeggen over het opeisen van onze oude heiligdommen. Ons lokaal heidens geloof is niet erkend in ons eigen land. Bijgevolg hebben wij als heidenen ook niet echt een stem of een platform dat ons verenigd. Ook erg moeilijk omdat iedereen zijn eigen invulling en label geeft aan zijn spiritualiteit en velen zich niet onder dezelfde noemer willen identificeren. Zo denken we maar aan Keltisch versus Germaans, Asatru versus Saksisch, Noordzee Germanen en Belgae, Druïden en heksen en wat je nog allemaal kan bedenken. De ene is reconstructionist, de andere is traditionalist, er zijn animisten die hun eigen idee hebben omtrent godheden enzovoorts. 

Er zijn te veel verschillende concepten en te veel mensen die liever niet met andere concepten geassocieerd worden, er zal dus waarschijnlijk nooit een overtuigende meerderheid bestaan die groot genoeg is om door de overheid gehoord te worden. Is dit nodig kan men zich afvragen? Misschien niet. Mijn sibbe, mijn grond en de wereld kan me gestolen worden zullen veel mensen denken. Maar hoe kunnen onze tradities en onze heiligdommen die nu al vaak op de helling staan, overleven als ons bestaan onder de radar blijft? Heel wat mensen werken heden actief aan de bewaring van dit erfgoed en ook aan de ontwikkeling van nieuwe tradities. Gezien de beperkingen die we hebben over historische praktijken, zijn we genoodzaakt om wat poëtische vrijheden toe te laten. En ik kan mij perfect inbeelden dat ook in de voor Christelijke tijd, elke stam, elke sibbe, hun eigen tradities en gewoonten hadden ontwikkeld wanneer het op hun spirituele beleving aankwam.  Concepten die niet alleen van streek tot streek kon verschillen maar ook van de ene tijd tot de andere. Er is niets mis mee om de oude gekende concepten bij te sturen zodat ze zijn uitgelijnd met onze hedendaagse leefwereld. Maar het zou toch wel geweldig zijn, als onze huidige uitgebouwde praktijken ook in een verre toekomst nog kunnen getraceerd worden en hun sporen achterlaten in het landschap, net zo goed als 2000 jaar geleden. Ik droom van een erkend inheems heidendom in onze contreien, dat naadloos aansluit bij onze Keltische-Germaanse grondlaag. Twee termen die we misschien wel kunnen vervangen. Want beiden worden eigenlijk erg losjes gebruikt nietwaar? 

Over wat Keltisch is of Germaans kan men uren debatteren. Menig geschiedkundigen zijn het oneens. Wie waren de Kelten? Bestaan er nog Kelten vandaag? En de Germanen? Het concept om beide labels te gebruiken is ons eigenlijk opgedrongen door de Romeinse bronnen en die waren op hun beurt mogelijk ingezet als een politiek wapen dat veroveringen, tegenslagen en territorium moesten verantwoorden aan de senaat. Zo heeft Julius Ceasar de naam Gallica in gebruik genomen om een gebied te benoemen dat in zijn visie een geheel vormde. Een visie die niet noodzakelijk gevormd werd door de lokale stammen en hun relaties of taal, maar misschien wel door de ambities en noden die de Romeinen voorzagen. Desondanks werd de term sinds dan gebruikt, ook nog door moderne wetenschappers, om de bewoners in Gallica als één volk te benoemen met de moderne term Galliërs. De stammen van destijds, net als de Germanen of Kelten, hadden waarschijnlijk nooit hun verschillende federaties als één volk aanschouwd. In tegendeel, we weten dat ze bijna permanent in oorlog waren met andere stammen ondanks gedeelde cultuur. In onze typische Belgische stijl, waren ook de Belgae al niet echt een eenheid. Sommige stammen waren overwegend Germaans in cultuur en andere overwegend Keltisch. Invloeden uit de grensgebieden speelden een grote rol op taal en kunst en traditie. Identitair gingen echter geen van hen zich ooit voorstellen als zijnde een “Kelt” of een “Germaan” maar wel als zijnde lid van een stam. De Bolg, de Belgae, de Oude Belgen, hadden hun eigen inheemse manieren, geloofssysteem en traditie. En ook vandaag hoeven wij niet te parreren met Germaanse of Keltische culturen. Er is niets mis mee om onze bestaande cultuur verder te zetten met de elementen die het overleefd hebben tot op heden. 

Langsheen de Sint-Niklaassteen, een grote rots kwam ik bij het einde van het bos. Ook deze steen was gehuld in mysterie. Genaamd naar een heilige die gebonden is aan de midwintertradities en ons herkenbaar als een spiegelbeeld van Wodan. 

De bomen werden schaarser en het pad bracht mij tussen weilanden. Voor mij uit lag Oppagne. Het pad leidde langs de Kapel van Pas Bayard. Hoewel niet ouder dan 200 jaar, zou de kapel wel op een site van megalieten zijn gebouwd. Een late kerstening van een heidense sacrale plaats? Was er voorheen misschien al een andere kapel of houten kruis om het heidens karakter te bedwingen? Het hoeft niet te verbazen dat de kapel tevens aan de rand van de bewoning werd gebouwd. Alsof ze de mensen aan de rand van het bos moest geruststellen en de kwade geesten uit de oude stenen weghouden. 

In de straat verderop kwam ik langs de Pas Bayard, een megaliet met een opvallend kunstmatig letsel: een lange rechte groef. Volgens de legende heeft het Ros Beijaard met de heemskinderen op de rug, zich hier afgezet om een sprong van 10 kilometer te maken richting Durbuy. Een paard met dergelijke magische kwaliteiten, we denken aan Sleipnir, we denken ook weer aan Sinterklaas, dat kan wel eens een afdruk laten in een rots nietwaar? 

Regen en wind teisterden vooral mijn gezicht nu ik minder beschut werd door hoge bomen. Maar ik verwelkomde elke druppel. 

De menhirs van Oppagne zijn drie rechtopstaande megalieten in een veld. De boom wiens wortels rond de steen zijn verweven hangt her en der getooid met stukjes stof. Om mijn pols zat een bandje met kralen uit een zuiders land die ik lang meedroeg. Het was tijd dat het mijn essentie die het al die tijd had geabsorbeerd, overleverde aan de Ondergaard. Ik vroeg de boom mijn offer over te brengen en vervolgde mijn pad met snelle tred. De ommegang was niet enkel een spirituele kracht, maar ook een fysieke. Gezond voor de geest, gezond voor het lichaam. 

De dolmen van Oppagne begroette mij, gelegen tussen vier bewakers, enorme bomen, lag hij zelfvoldaan en trots, halfverzonken. De achter hoede bewaakt door vier staande menhirs. Een liggende megaliet had een opvallende uitsparing, als een mooi passend stoeltje, al even glad gesleten als het Duivelsbed. 

Bij opgravingen heeft men in de twee dolmens van de vallei allerlei spullen gevonden: een stenen bijl, een ossetand, Romeinse munten, aardewerk, resten van wilde zwijnen, pijlpunten, vuurstenen, menselijke botten van wel meer dan 10 personen en meer. Verschillende culturen zoals de Trechterbekercultuur en Klokbekercultuur hebben hier hun sporen nagelaten maar ook hun latere nakomers waren hier duidelijk actief. Begraafplaats, offerplaats, feestplaats, verzamelplaats, en waarschijnlijk werd hier ook veelvuldig de nacht uitgezeten om raad van de voorouders te ontvangen. 5000 jaar van regelmatig sacrale handelingen, en ik zweer het als je de hand op deze stenen legt, bij het Seelenloch van de dolmen, dan trilt als het ware je bloed met de macht van de geest die hier huist. Ik vulde mijn kroes en goot deze uit over de stenen van de dolmen en nam zelf ook een slok met een gedachte voor al wie mij hier voorging.

De Schaar van Wodan raasde onvermoeid over mij heen, ik groette de stenen en trok verder diep gehuld onder mijn kap, naar de Menhir Denthine en de verderop recent opgegraven megalieten die ook weer in in hun staande positie zijn opgezet.

Het moet een bijzonder soort mens geweest zijn, die voor de tijden van ons gekende comfort en technologie, het land bewoonde. Gehard door ontberingen en strijd, gedreven door gebondenheid en geloof in principes die wij tegenwoordig niet zo vanzelfsprekend vinden. Het sluiten van een verbond, het bieden van loyaliteit, het erkennen van de magie in de dagdagelijkse dingen. En het verwezenlijken van projecten die op het eerste zicht een onmogelijke opdracht lijken zoals het uithouwen, transporteren en plaatsen van gigantische stenen die ook nog eens duizenden jaren stand kunnen houden. Deze mensen leefden met ontzag voor de wereld om hen heen. Kennen wij dit ontzag nog wel? In het bijzonder mensen die gewoon zijn aan stedelijke omgeving, verharde wegen, gegarandeerde dienstverlening van energie, voedsel en communicatie. Daar waar de natuur nog zeggenschap heeft en de mens zich plooit naar diens grillen, daar is de mens nog ondergeschikt. Hoewel wij hier ook nog tegenwoordig worden herinnerd aan wie echt baas is. Overstromingen, windhozen, zelfs klimaatverandering. Is het daarom dat we tegenwoordig uit de wereld van het comfort heidenen treffen die de goden gelijkstellen met zichzelf? Die geen ontzag meer hebben voor natuur of alven? Monster-aanbidders, geweld-verheerlijkers en zelfverklaarde spirituele guru’s … Wat mag van ons worden wanneer wij niet langer ontzag hebben voor natuur, voor alven, voor Asen?

De Dolmen van Wéris is omringd door verschillende megalieten waarvan een aantal een mooie rij vormen ruwweg wijzend naar het noorden. Heel wat geschiedkundigen denken nu dat rijen van megalieten niet persé gelinkt waren aan sterrenbeelden, maar wel met richtingen, of zelfs paden, die mensen dienden te bewandelen om zich in de juiste richting naar de heilige plaats te begeven. Hierbij zou een sterrenbeeld wel kunnen gebruikt worden als referentiepunt maar zou verder geen betekenis hebben. Net als we ook zien in de ommegang, zou het best kunnen dat ook ten tijde van Carnac en Stonehenge, mensen een processie vormden, misschien wel zoals beschreven in Tacitus, met een wagen met daarop een godheid?

Eén opmerkelijke staande steen had op zithoogte een tweede lagere steen ernaast en vormde als het ware een troon. Toeval? In recenter geschiedenis aangepast? Ik mag graag geloven dat deze troon werd gebruikt om te komen “uitzitten”. Net als ik eerder deed op het Duivelsbed. Ik groette het graf en trok verder naar het noorden. De Menhir de Morville en Menhir de Heydt waren mijn twee bakens voor ik aan de laatste etappe begon om de ommegang tot een cirkel te brengen.

De laatste kilometers wogen door, het was niet zozeer de afstand, maar de niet afhoudende wind en regen die mij begon parten te spelen. Mijn gedachten gingen naar het nut van een offer. En niet-gelovigen zullen zich over dit aspect ook grote vragen stellen. Hoe consumeren de goden je offer? Waarom maakt een offer enig verschil? Is het niet achterhaald en dwaas om een offerschaal  ’s avonds te vullen en vervolgens de dag erna te legen of de inhoud te verbranden? Of te begraven? 

Eerst en vooral moeten we aanvaarden dat bepaalde handelingen, bewegingen, rituelen, een verbinding maken met de cosmos om ons heen. En met cosmos bedoel ik niet de planeten, maar het geheel wat ons leven uitmaakt en meer, de niet zichtbare dimensies en krachten die ons leven en wereld doorweven. Als we van het concept van de levensboom uitgaan, de Ermenzuil of Yggdrassil, noem het wat je wil. Dan zien we gewoonlijk dat de spinners van het lot, de schikgodinnen zich bij de wortels bevinden, bij een bron. Zij voeden als het ware de Ermenzuil met wat moet komen. De pilaar van het leven. Het is niet een fysieke zuil op een bereikbare plaats, neen het is hier en nu aanwezig in ons allen om ons heen als het web van wyrd, het stroomt door ons heen alles wat ook wij doen bouwt nieuwe vezels die verder groeien. Wij allen samen zijn de zuil. Wanneer je hout splijt zal je merken dat het uit vezels bestaat, een kluwen van draadjes, als spieren en aders, net als in de kleinste en zachtste planten, is elke vezel een onderdeel dat een weg heeft afgelegd om het groter geheel te vormen. En sommigen vormden takken, andere vruchten, of een stam. En in dit gesplitte stuk hout kan je ook een geschiedenis lezen, tijdringen, ziekten, beschadigingen, als littekens zitten ze overal. Zelfs wormen en ander ongedierte dat zich een weg erdoorheen knaagt. Als dit het leven voorstelt dan herkennen we het concept van Wyrd. Het krachtige energieveld van de cosmos, dat alles verbind. Elke daad heeft een gevolg, elke stap een voetafdruk, zo ook elk woord een impact. Een vloek, een gelukswens, een lief woord, een ontmoeting, een naamgeving, het zijn maar woorden maar toch kunnen ze een diepe indruk nalaten in het leven. We dragen in woorden energie mee die verbonden is met Wyrd. Dus waarom ook niet in onze woorden en handelingen die we stellen voor de goden? Een belofte of een eed werd niet licht opgenomen. Ook vandaag nog maakt een eedaflegging een belangrijk deel uit in onze maatschappij. Een militair, een inspecteur van politie, een bekleder van een officieel ambt, beëdigde ambtenaars, allen leggen zij een eed af waarbij zij hun eer in de schaal leggen. Net als in een huwelijk.  Dit eeuwenoud concept grijp terug naar het belang van de eer. Want zelfs als je niets hebt, kan je nog een groot mens zijn wanneer je eervol bent. En je gedachtengoed kan herinnerd worden, je naam kan voortleven als je een eervol leven leidde. Volgens mij is het stellen van eervolle daden in het leven, een manier om geluk te verzamelen. Het sibbe geluk is essentieel, als een geest die heil of onheil brengt. Voedt de geest met eer en hij zal gedijen.

De ordening der dingen, het lot, de cyclus van de natuur, het wiel van de tijd, ze vormen allen een beweging in de zuil. In de Joeltijd valt alles stil en draaien wij aan het rad om de cyclus weer op gang te brengen. Een magische handeling die zijn effect teweegbrengt in wyrd. Je zou kunnen stellen dat ongeacht ons draaien van het rad of offeren, de ordening nog steeds zijn gang gaat. Maar misschien is dat niet het punt van de handeling, als wel het creëren van een band, een betrokkenheid. Het creëren van eer voor de sibbe, voor de naam, want door de heidense handelingen ben je verbonden met de heidense ordening, erkend als heiden. Ik las eens ergens, ik geloof dat het in een boek van Aat van Gilst was, de term “Germanenkunde”. Het is niet voldoende om te geloven, om heiden te zijn moet je ook handelen en praten. Je moet een wereldaanschouwing bezitten die overeenkomt met de heidense concepten van eer, wyrd, geluk, de aanwezigheid van krachten en eigenheid in alles om je heen en vrede of frithu. Vrede heeft in de heidense aanschouwing een net iets andere invulling. Vrede is de orde die heerst binnen een kring van mensen en in stand wordt gehouden door bepaalde relaties. Zoals het uitwisselen van geschenken of diensten. Uitlenen van een kruiwagen aan je buur, uitwisselen van geschenken met Joel, en ja zelfs nieuwjaarsbrieven en goede voornemens, passen in het afleggen van eed of gelofte die word gehouden om zo vrede te bewaren, orde te bewaren. Zoals wij onze relaties onderhouden met geloftes, geschenken en diensten aan elkaar, zo onderhouden wij ook onze vrede met de alven en Asen. 

De weg begon te klimmen en al gauw bevond ik mij terug tussen de bomen. Vlakbij het Duivelsbed vond ik het pad dat recht omhoog liep tussen rotsen heen. Een groep vrouwen stond om het Duivelsbed in een cirkel, erop lag een dame met de ogen gesloten. Net als ik eerder deze dag. Een dame prevelde woorden, het leek of ze instructies gaf. Het was heerlijk om vast te stellen dat ondanks het slechte weer, verschillende heidenen hier toch actief waren.  

Het pad was steil en ingesleten in de rotsen. Ik beeldde me graag in hoe 1500 jaar geleden, mensen over deze zelfde stenen liepen om de piek van Haina te bereiken. 

De steen lijkt wel op een Thurisaz rune. Volgens sommige onderzoekers was het zelfs de bedoeling hem als dusdanig te vormen. Archeologen zijn het er in elk geval over eens dat de steen bewerkt geweest is, maar hier niet werd neergezet. Hij maakt dus deel uit van de natuurlijke omgeving. 

De steen is uitgelijnd met de andere megalieten en zou mogelijk een referentiepunt geweest zijn bij de bouw van de site zo’n 5000 jaar geleden. Op midzomernacht wordt hij wit gekalkt door de bewoners in een oude traditie. Tot 1900 werd die jaarlijks uitgevoerd, gepaard met een groot feest. Rond de eerste wereldoorlog werd deze stop gezet zoals vele andere gebruiken, maar in 1975 terug ingevoerd. Volgens de legende zou de traditie zijn ontstaan omdat de rots de toegang naar de onderwereld zou afdekken. De duivel zou langs deze weg kunnen worden geroepen en dan de rots omduwen om het land te betreden. Door hem wit te kalken zou deze kleur de duivel afschrikken. 

Uiteraard werden oude heidense cult plekken steeds gedemoniseerd. En vertoeven onze voorouders en alven niet steeds in heuvels? Is wit niet de kleur van de alven? Opmerkelijk ook, dat de zomerzonnewende het moment is dat men kiest om de steen te kalken. Het einde van de winter wordt trouwens ook ingeluid met grote vuren die de kwade geesten terug naar de onderwereld sturen. Het wit kalken lijkt wel zo iets als het sluiten van de deur. En was wit niet ook een belangrijke kleur in de Germaanse spiritualiteit naast rood en zwart? Opmerkelijk ook, is dat door de witte kalk, de steen zeer zichtbaar is vanaf de menhirs in de valei. 

De naam zou mogelijk uit het Keltisch komen en verwijzen naar de ‘voorouder steen’. Nu werd in onze schoolboeken, onder invloed van de kerk en na oorlogse politiek, heel wat Germaanse concepten diplomatisch omgedoopt naar ‘Keltisch’. Echter is er ook een Germaanse godin genaamd Haina en aangezien Wéris oorspronkelijk genoemd is naar Wederik, een Germaanse naam, zou het wel is kunnen dat de naam hier zijn intrede deed. Verschillende Duitse plaatsnamen herinneren ons aan de cultus rond Haina en ook is er een mythologie overgeleverd. In het bijzonder die van het dorpje Hain, waar de bewoners een beeld van de godin aanbaden nabij een grote eik in een heilig bos. De offers die gebracht werden stonden voornamelijk in het teken van agricultuur. (Toevallig was ook agricultuur prominent op de vlakte van Wéris) De kerk was radeloos toen na vele pogingen de heidenen hun godin nog steeds vereerden. Ze veldden de eik en lieten het beeld zinken in een moeras en bouwden een kapel om de heidense plaats te kerstenen. Maar desondanks bleven de heidenen het heilige bos intrekken om daar te offeren. De kerk ging een stapje verder en begroef dode dieren op allerlei plaatsen in het bos op geringe diepte. De ondiepe grave werden al gauw weer opengehaald door wilde dieren waardoor de rottende kadavers een vreselijk geur verspreidden. Dit weerde wel veel heidenen waardoor de cultplaats uitdoofde.

Of men in Wéris ooit zo ver is moeten gaan om de heidenen te weren van de Haina steen, weten we niet. Maar in elk geval zijn de heidenen nu terug. 

Het plateau achter de Haina steen is geschikt om te kamperen, je kan er sporen vinden van herhaaldelijk gebruik van een vuurput en slijtage op heel wat rotsen toont dat ze vaak gebruikt werden om op te zitten. Wat hogerop een ander plateau met meer rotsen en een mooi zicht op de Haina steen. Ik bleef even staan om alles in mij op te nemen. Als het weer beter was, dan had een kampvuur een mooie afsluiter geweest. Ik plaatste de rugzak bij een rots en begon de rode winterharde vruchten te verzamelen die in de omgeving groeide. Ik bracht ze naar de uitgeholde ruimte in de rots aan de voet van de steen, zonder twijfel de plek waar traditioneel offers gebracht worden. Ik vulde mijn schaal met het laatste van de wijn en plaatste deze naast de offerput in de rots. Een vuur maken zou nu niet lukken in dit weer, dan had ik op zijn minst droog hout moeten voorzien. Maar een kaars in een glas was geen probleem. Ik draaide de vlam drie maal over mijn offers in de richting dat de zon over de hemel gaat en vroeg Arduinna om mijn offer te wijden. Ik aanriep Haina en nodigde haar uit mijn offer te ontvangen. Ik nam even de tijd om mijn hoofd leeg te maken. De wind blies mij recht in het gezicht. Ik raakte de steen aan en voelde de kracht die daar al eeuwenlang huisde. De bomen prevelden in hun taal. 

“Haina, hier sta ik ter uwer ere, een offer voor uw nalatenschap en wijsheid, een offer voor uw daden en bijstand.”

Ik nam de schaal en goot deze uit over de offerholte met de vruchten. Ik sprenkelde wat van het vocht op de steen. 

Voldaan ging ik zitten op een rots. Mijn lichaam vermoeid van de korte nacht en woelige tocht. Maar mijn geest opgeladen, bijna extatisch. Mijn oog viel op een wegwijzer, een houten paalt met bordje die het pad aanwijst. Met mijn zakmes markeerde ik de paal met een teken dat elk ander heiden zou begrijpen. Een rune die het sacraal karakter van de plek benadrukt.

Het bewaren van onze sacrale plekken zou een missie moeten zijn voor elk heiden. Niet enkel uit het standpunt van erfgoed, maar uit het standpunt van praktiseren, van spirituele traditie. De goden waren niet enkel belichaamde wezens uit de hemel zoals velen ze nog steeds zien maar nog veel meer. 

Rivieren, bergen, wouden, waren naar hen genoemd niet omdat ze daar vereerd werden, maar omdat ze dit hun eigenheid was als het ware. Arduinna is niet enkel de godin van het woud, ze is het woud. 

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram