Tussen Wortel en Hemel: De Levende Traditie van Boomverering

In de Lage Landen vormt de natuur nog steeds een levende bron van betekenis, en ook vandaag blijft boomverering een stille maar voelbare aanwezigheid. Binnen het heidendom — de verzamelnaam voor voorchristelijke en natuurgerichte tradities — beschouwen mensen bomen als bezielde wezens, dragers van kracht en wijsheid. Die visie leeft voort in verhalen, gebruiken en de manier waarop we nog altijd ontzag voelen voor oude, indrukwekkende bomen.

Bomen staan symbool voor de verbinding tussen hemel, aarde en onderwereld. Hun wortels reiken diep in de grond, hun stam staat stevig in het midden van het bestaan, en hun kruin strekt zich uit naar het licht. Die symboliek maakt dat ze vandaag nog worden ervaren als levende assen van de wereld. Vooral eiken blijven bijzonder: ze stralen kracht en duurzaamheid uit en worden nog steeds geassocieerd met bescherming en een hogere aanwezigheid, een echo van hun rol binnen het Germaanse heidendom.

In verschillende streken bestaan nog altijd plekken waar oude bomen centraal staan in het gemeenschapsleven. Onder zogenaamde gerechtsbomen of dingplaatsen komen mensen samen, al is het niet meer om recht te spreken zoals vroeger. Toch blijft de sfeer van verbondenheid en eerbied voelbaar, alsof de boom zelf waakt over wat er gebeurt. Deze traditie leeft voort in het bewust of onbewust opzoeken van zulke plekken voor rust, bezinning of samenkomst.

Een sprekend voorbeeld is de duizendjarige eik te Lummen. Deze boom staat er nog steeds als een imposante getuige van generaties die hem hebben gekend en geëerd. Of hij werkelijk duizend jaar oud is, doet er minder toe dan de betekenis die hij draagt. Hij belichaamt continuïteit en herinnert ons aan de diepe band tussen mens en natuur. Mensen voelen zich er nog steeds toe aangetrokken, niet alleen vanwege zijn leeftijd, maar ook door de bijna tastbare aanwezigheid van geschiedenis en mystiek.

Ook elders in de Lage Landen blijven sporen van boomverering zichtbaar. Linten die aan takken worden gehangen, kleine kapellen bij oude bomen, en volksverhalen die nog worden doorverteld — het zijn allemaal tekenen dat dit erfgoed niet verdwenen is. Zelfs binnen een overwegend christelijke context blijven deze praktijken bestaan, vaak vermengd met nieuwe betekenissen, maar nog steeds geworteld in dezelfde eerbied voor de natuur.

Boomverering is dus geen afgesloten hoofdstuk uit het verleden, maar een levende traditie. Het heidendom als natuurgerichte beleving blijft aanwezig in hoe mensen omgaan met oude bomen en heilige plekken. Wanneer we vandaag onder een eeuwenoude eik staan, zoals die in Lummen, voelen we nog altijd iets van die oude verbondenheid. De bomen zijn er nog, en met hen blijft ook het besef bestaan dat de natuur niet slechts omgeving is, maar een deel van onszelf.

Feeën, Wouden en Oerkrachten: De Heidense Wereld van Arthur Rackham

Arthur Rackham (1867–1939) behoort tot de meest invloedrijke illustratoren van de late 19e en vroege 20e eeuw. Zijn werk, vooral bekend uit geïllustreerde uitgaven van sprookjes, volksverhalen en mythologische verhalen, vormt een unieke visuele wereld waarin het heidense element voortdurend aanwezig is. Hoewel hij zelden expliciet religieuze stelling inneemt, ademt zijn oeuvre een diepe verbondenheid met voorchristelijke verbeeldingen van natuur, magie en het bovennatuurlijke.

Rackhams illustraties zijn doordrongen van een animistische visie op de wereld, die sterk aansluit bij heidense denkbeelden. Bomen, rotsen en landschappen worden bij hem bezield en krijgen vaak menselijke trekken. Kronkelende takken lijken gezichten te vormen, wortels nemen grillige, bijna dierlijke vormen aan, en het bos wordt een levend organisme. Deze voorstelling van de natuur als bezielde werkelijkheid weerspiegelt een wereldbeeld dat kenmerkend is voor het heidendom, waarin elk element van de natuur een eigen geest of kracht bezit.

Zijn illustraties voor werken zoals de sprookjes van de gebroeders Grimm, Peter Pan in Kensington Gardens en A Midsummer Night’s Dream brengen een universum tot leven waarin feeën, geesten en andere natuurwezens een vanzelfsprekende plaats innemen. Deze figuren zijn geen loutere fantasie, maar echo’s van oude volksgeloven die hun wortels hebben in Germaanse en Keltische heidense tradities. De feeën bij Rackham zijn vaak ambivalent: niet enkel lieflijk, maar soms ook grillig, duister of zelfs dreigend. Daarmee sluiten ze aan bij de oorspronkelijke opvatting van natuurgeesten als krachten die zowel beschermend als gevaarlijk kunnen zijn.

Ook in zijn interpretaties van mythologische verhalen, zoals zijn illustraties bij Wagners Ring des Nibelungen, komt het heidense karakter sterk naar voren. Hier beeldt Rackham goden, reuzen en helden af binnen een wereld die wordt beheerst door oerkrachten, magie en noodlot. De Germaanse mythologie, met haar nadruk op strijd, eer en de onvermijdelijke ondergang (zoals in het verhaal van de Ragnarök), krijgt bij Rackham een visuele vorm die tegelijk verfijnd en archaïsch aandoet. Zijn figuren lijken uit de aarde zelf voort te komen en zijn nauw verbonden met het landschap waarin zij verschijnen.

Stilistisch kenmerkt Rackham zich door het gebruik van fijne, nerveuze lijnen en een ingetogen kleurenpalet, vaak gedomineerd door aardetinten en zachte wassingen. Deze techniek versterkt de mysterieuze en dromerige sfeer van zijn werk. De wereld die hij oproept is geen heldere, rationele werkelijkheid, maar een schemerzone waarin het zichtbare en het onzichtbare in elkaar overlopen – een ruimte die nauw aansluit bij de overgangswereld van het heidense geloof, waar goden, geesten en mensen elkaar konden ontmoeten.

Wat Rackham bijzonder maakt, is dat hij het heidense niet als iets exotisch of historisch presenteert, maar als een latent aanwezige dimensie van de werkelijkheid. Zijn illustraties suggereren dat achter het alledaagse landschap een oudere, verborgen wereld schuilgaat, waarin oude krachten nog steeds werkzaam zijn. Het bos wordt zo een plaats van transformatie en mysterie, een heilig domein dat zowel aantrekt als afschrikt.

In de context van zijn tijd kan Rackhams werk worden gezien als een reactie op de rationalisering en industrialisering van de moderne samenleving. Door terug te grijpen op sprookjes, mythes en heidense symboliek, opent hij een venster naar een wereld waarin de mens opnieuw verbonden is met de natuur en het onverklaarbare. Zijn kunst vormt daarmee een subtiele, maar krachtige herwaardering van een premoderne, heidense gevoeligheid.

Samenvattend kan worden gesteld dat Arthur Rackham, via zijn unieke illustratiestijl en thematische keuzes, een visuele brug slaat naar het heidense verleden. Zijn bezielde natuur, zijn ambivalente feeën en zijn mythische verbeelding brengen een wereld tot leven waarin het oude geloof in de levenskracht van natuur en mythe nog steeds voelbaar is.

ZWART-ROOD-WIT, spirituele driekleur?

Sommige heidenen in de Lage Landen, van Vlaanderen tot Friesland, hebben de gewoonte om drie gekleurde kaarsen te ontsteken in de volgorde van Zwart, Rood en Wit bij rituelen of bij wijze van dagdagelijkse verering en geluksbrenger. Ze gebruiken ook deze kleuren in versiering of bekleding van een ritueel of sacrale plaats. 

Elke kleur vertolkt iets en de volgorde van het ontsteken zou heilzaam zijn en dient bewust en weloverwogen te gebeuren als in een ritueel. Ook het doven doen we niet door het uit te blazen omdat dit onheil brengt, men gaat eerder de zuurstof ontnemen met een kaarsendover.

Waar komt dit nu vandaan?

Er zijn eigenlijk heel wat elementen aan te halen die het belang van deze kleuren onderlijnen en we kunnen ze ook met wat creativiteit zelf makkelijk plaatsen.

De oudste bronnen die gebonden zijn aan onze Indo Europese cultuur en latere Germaanse cultuur, zijn de Vedische teksten. Die gaan naar schatting terug tot minstens 1000 voor onze jaartelling. Er zijn ook andere bronnen zoals de Sagen, de Edda, volksverhalen, volksgeneeskunde en zelfs de Bijbel.

De Franse professor Jean Haudry merkte in de Vedische teksten de driekleur op en wees deze toe aan de kleuren van de hemel tijdens het verloop van de dag: Zwart bij nacht, rood bij zonsopgang of ondergang en wit voor overdag. In de Veda’s beschrijft men drie koeien die , de eerste zwart, de tweede rood en de derde is wit en staan voor de kleuren van de hemel. Hij ziet dit hemelconcept in heel wat andere elementen opduiken zoals het hemelgewelf dat rond een grote zuil draait en door een etmaal zwart-rood-wit-rood-zwart kleurt. Haudry gaat nog verder en linkt de Germaanse goden aan het driedelig hemel gewelf: Tiwaz is de daghemelgod, Wodanaz is de god van de nachthemel en het schemerrood wijdt hij toe aan Ostara, godin van het ochtendgloren. Ostara is trouwens ook genoemd als lentegodin en gebonden met vernieuwing of groei, Wodanaz is ook een godheid die zich specifiek in de winter manifesteert en gebonden is met de dood.

Plato schreef dat er in Atlantis steengroeven waren waar één soort steen wit was, een andere zwart en nog een andere rood. 

In de Saga van de Jomsvikingen heeft Koning Gorm drie voorspellende dromen:

Tijdens de eerste nachtelijke droom staat hij buiten zijn hal vanwaar hij de zee ziet terug trekken tot hij geen water meer kan zien. Uit de horizon waar het water heen was doken drie witte ossen op, ze stormden het land op en beten al het gras uit de grond waarna ze weer naar de teruggetrokken zee liepen en verdwenen.

De volgende nacht droomde hij ongeveer hetzelfde, maar nu waren de drie ossen rood en hadden grotere hoorns.

De derde droom was ook een herhaling, maar nu waren de ossen zwart en zijn ze nog groter met nog grotere hoorns. Als afsluiter hoort hij een luide knal op het moment dat de zee terug naar het strand keerde. De droom werd vervolgens verklaard als voorbode van negen jaar slechte oogst.

Men komt aan negen omdat er drie maal drie ossen verschenen. Heilige getallen in het Heidendom. Hoe groter de hoorns en ossen, hoe groter het onheil. Op welke basis interpreteert men nu het onheil? Misschien wel de volgorde van de kleuren? Wit-rood-zwart, want we zien dat de natuurlijke wederkerende volgorde altijd zwart-rood-wit is.

Professor Jan de Vries ziet in de Vedische mystiek de drie voorwaarden voor leven: vuur, water en aarde. Deze zijn voorgesteld met de kleur rood, wit en zwart. De professor gaat ook verder vind in de gehele Europese voorchristelijke tradities deze kleurencombinatie terug, onder andere in volksmagie, legenden en andere overleveringen. 

Er zijn verschillende sprookjes in Europa waarin we ook de driekleur terugvinden als belangrijke indicatoren. Neem nu Sneeuwwitje: “Had ik nu een kindje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als dit ebbenhout”

Uit deze sprookjes lijkt de driekleur te zijn overgeleverd als een schoonheidsideaal.

We hebben ook voorbeelden uit de magie zoals deze toverformule opgetekend in de 19e eeuw in Thüringen tegen wormen:

“Ik stap hier op een grenssteen. De wormen vreten mijn been. Ze mogen zijn zwart, wit of rood, in een dag zijn ze allemaal dood.”

Of een sprookje uit IJsland: Sigurd moet opeenvolgend een zwarte, witte en rode doek om zijn hoofd binden om zich te beschermen tegen het brullen van een stier uit de onderwereld. Ook slaat hij op een zwart-rood-witte steen om een magische storm te ontketenen die de reuzen dood. 

In Finland was het gebruikelijk dat een boer zijn land afbakende met rood-zwart-wit touw, wetende dat een landsgrens bezield werd met een schutgeest om deze te bewaken maakt dit ook een waardevol gegeven.

Uit Rigsthula kunnen we drie sociale klassen onderscheiden.

  • “Thrael” de knecht (“zijn lokken waren zwart”)
  • “Karl” de kerel (“hij was rozig en rood”)
  • “Jarl” de prins (“blond was zijn haar”)

De knecht is een lijfeigene en geeft men prominent zwart als kleur. 

De kerel is de vrijman, de boer, de krijger, de visser, de jager, die blaakt van geluk en gezondheid in het vrije buitenleven en is rood van kleur.

De prins, edel en nobel krijgt een pure en schitterende kleur: blond, ofwel wit. 

Dit betekent dat we ook de kleuren bij een karaktertype kunnen plaatsen.

Zwart is lomp en bruut

Rood is sterk, gezond en ijverig

Wit is edel, puur, begaafd en strijdvaardig

Professor Georges Dumézil maakte 100 jaar geleden de theorie dat de Indo-Europese cultuur uit drie functies bestond en dat elke functie door een kleur werd gerepresenteerd

Cultische: wit

Militaire: rood

Economische: donker

In India zien we dat de oorspronkelijke kaste systeem verdeeld was in kleuren:

  • de Brahmaan (wijze priester): wit
  • De Kshattriya (krijger, leider): rood
  • De Vaishya (werker, handelaar): zwart

De naam voor kaste is Varna en betekent “kleur”

Als we dan kijken naar de Indo-Europese kosmos dan zien we dat deze ook in drie gedeeld is en deze duikt ook op in de Germaanse cultuur. De levensboom of zuil draagt de hemel, eronder zit de wereld en daaronder de onderwereld of Hel. In de wereld vinden we respectievelijk Middengaard, Asengaard, Uitgaard en Jotunheim. 

In de Völuspá leren we hoe Ragnarök wordt aangekondigd door drie verschillende gekleurde hanen: Gullinkambi, de hemelhaan is wit. Fjallarr de wereldhaan is rood en de Helhaan is zwart. 

Gullinkambi wordt ook wel als goud omschreven omdat zijn naam ‘Goudkam’ betekend, maar Professor de Vries merkt op dat de god Heimdall de bijnaam Goudtand heeft ondanks dat hij ook als helderwit omschreven staat. In het blinken van goud zien we trouwens helder wit en lijkt blond ook niet op goud?

Maar ook in het Christendom, die niet vies zijn om heidense elementen te adopteren, vinden we dezelfde kleuren en betekenissen terug. 

In de liturgie staat wit voor puurheid, martelaren, onschuld, glorie. Wit kan vervangen worden door goud meld men nog… Het is ook de kleur van de paus (spirituele wijze leider).

Rood staat dan weer voor passie, bloed en vuur, het is de kleur van de kardinaal

Zwart staat voor de doden en de rouw.

In het Nieuwe Testament vinden we deze beschrijving van de ruiters van de Apocalyps:

Het eerste paard is wit, het tweede rood en het derde zwart en vierde vaal of grijs. De eerste is een edele figuur, de tweede een krijger en het derde een handelaar. De vierde is de dood. De drie eerste ruiters zijn de levenden en hun kleurencode komt overeen met Cultisch-Militaire-Economische functies van Dumézil. 

En dan hebben we nog deze afbeelding van de drie wijzen of drie koningen uit de 3e eeuw in de Priscilla grot. Daar zijn de drie wijzen afgebeeld die zeer iconisch geschenken brengen naar de pasgeboren Jezus. Hun volledige gedaante is afgebeeld in onze cultische kleurencode, de eerste zwart, de tweede rood, en de laatste die aankomst is wit. 

Een paar eeuwen later in de 5e eeuw in Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna, zien we deze figuren terug afgebeeld, nu met eigentijdse kleding, maar opvallend ook met namen en aan hun uiterlijk zien we ook hun leeftijd: Melchior is de jongste met kort haar en zonder gezichtsbeharing, Balthasar heeft een bruine baard en is duidelijk volwassen en Gaspar heeft een grijze baard. We zien hierin ook weer een parallel met kracht, leeftijd, wijsheid, vruchtbaarheid. Ook het brengen van geschenken is natuurlijk een parallel die we herkennen. 

Maar er zijn ook sporen gevonden op altaarstenen van Matronen, of de drie Moeders, van deze kleurencombinatie. De Matronen zijn een oude cultus die mogelijk uit de Indo-Europese cultuur werd overgeleverd. We zien deze ook opduiken als de Nornen of Schikgodinnen. Normaliter gaat het dan over een dochter-moeder-grootmoeder combo. 

Er zijn dus tal van elementen die we met onze driekleur kunnen verbinden. 

Zo staat de dood bijna altijd gelijk gebonden aan vruchtbaarheid en kan je dus zwart gelijkstellen met zowel de dood als met iets dat net tot ontwikkeling komt uit deze vruchtbare schoot van de dood. Net zoals het heden voorkomt uit het verleden. Wat onder de aarde zit is de onderwereld en daar ontkiemd het nieuwe leven ook. De dodengoden hebben ook altijd een functie gebonden met vruchtbaarheid. Waar Wodan zijn Wilde Heir komt, zal een goede oogst volgroeien. Goden van de onderwereld zoals Holda, Wodan komen in gedachten. Laten we ook niet vergeten dat in heel Europa de midwinter tradities vaak inhouden dat cultische figuren met zwarte gezichten rondtrekken en de aanschouwers besmeuren met zwarte kleur in het gezicht om hen geluk te brengen of vruchtbaarheid. 

Rood is kracht van het groeien, de sterkte van wat jong is, de kleur van verandering, van initiatie (bloedoffer?) van voortvarendheid, wat nu is en wat zal worden. Het is ook een kleur geassocieerd met de dondergod en met Ostara. 

Wit is wat bereikt moet worden, het is wijsheid, volgroeid zijn, één zijn met het voorgaande, volmaaktheid, toonaangevend. Het is ook de kleur van Tiwaz, die het Ding overziet, en ook van Ing de heilbrengende, god der Alven, of van de Witten.

We kunnen volgende elementen verbinden:

ZWART ROOD WIT

Aarde Vuur Water

Nacht Schemer Dag

Winter Lente Zomer

Kiem Ontkiemen Volgroeid

Verleden Heden Schuld (toekomst)

Knecht Kerel Edel

Werker Krijger Leider

Dood Jong Oud

Dochter Moeder Grootmoeder

Geluk Voorspoed Heil

Onderwereld Wereld Hemel

As Vlam Rook

Wodanaz Ostara Tiwaz

Wodan Thuner Ing

We weten natuurlijk allemaal, dat in het verleden een regime gebruikmaakte van deze kleuren wat jammerlijk een smet bracht op het heidendom. Maar laat ons dit los zien van onze spirituele praktijk.

Bronnen:

Boppo Grimmsma, De Heidense Kleurendrieheid Zwart Rood Wit

Jan de Vries, Rood Wit Zwart in Volkkunde

Georges Dumézil, Gods of the ancient Northmen

Georges Dumézil, La courtisane et les seigneurs colorés

Georges Dumézil, The Rigstula and Indo European Social Structures

Rudolf Simek, Lexicon der Germaanse Mythologie

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram