De Nornen: de weefsters van verleden, heden en toekomst

Diep in de Noordse mythologie, aan de voet van Yggdrasil, de machtige Levensboom die de negen werelden met elkaar verbindt, wonen drie mysterieuze vrouwen: de Nornen. Zij behoren tot de oudste en meest wijze wezens uit de Noordse kosmos. Zelfs de goden tonen eerbied voor hen, want waar de goden strijden, liefhebben en regeren, bewaken de Nornen de wetten van tijd, lotsbestemming en oorzaak en gevolg.

Onze belangrijkste kennis over de Nornen komt uit de Poëtische Edda en de Proza-Edda, twee middeleeuwse IJslandse verzamelwerken die eeuwenoude mondelinge overleveringen hebben vastgelegd. De Poëtische Edda, waarschijnlijk samengesteld in de dertiende eeuw maar gebaseerd op veel oudere gedichten, vormt de oudste literaire bron over de Noordse godenwereld. De Proza-Edda, geschreven rond 1220 door de IJslandse geleerde Snorri Sturluson, werd bedoeld als handboek voor dichters, maar is uitgegroeid tot een van de belangrijkste bronnen voor onze kennis van de Noordse mythologie.
In het beroemde gedicht Völuspá (“De Voorspelling van de Zieneres”) uit de Poëtische Edda worden de Nornen voor het eerst bij naam genoemd. Daar lezen we hoe drie wijze vrouwen uit een onbekende wereld naar de bron onder Yggdrasil komen om de levens van mensen en goden te bepalen. Hun namen zijn Urd, Verdandi en Skuld.

Urd betekent “dat wat geweest is” en belichaamt het verleden. Verdandi betekent letterlijk “dat wat aan het worden is” en vertegenwoordigt het voortdurende heden. Skuld betekent zowel “dat wat zal zijn” als “schuld”, “verplichting” of “dat wat verschuldigd is”. Daarmee verwijst zij niet alleen naar de toekomst, maar ook naar de gevolgen die iedere handeling met zich meebrengt. In de Noordse gedachtewereld is de toekomst nooit los te zien van wat eraan voorafging.

De Nornen wonen bij de Bron van Urd (Urðarbrunnr), een van de drie heilige bronnen die de wortels van Yggdrasil voeden. In de Proza-Edda beschrijft Snorri hoe zij iedere dag water uit de bron scheppen, vermengen met witte klei en daarmee de wortels van de wereldboom verzorgen, zodat deze niet verdorren of wegrotten. Dit ritueel heeft een diepe symbolische betekenis. Zoals de boom alleen kan voortbestaan wanneer zijn wortels gezond blijven, zo kan ook een mens alleen groeien wanneer hij zijn verleden kent en onderhoudt.

Yggdrasil zelf vormt daarbij het levende middelpunt van de kosmos. Zijn takken reiken tot in de hemel, zijn wortels strekken zich uit naar de werelden van goden, reuzen en doden. Alles wat bestaat is met deze boom verbonden. Dat juist aan zijn wortels de Nornen wonen, laat zien dat tijd en lotsbestemming de fundamenten vormen waarop de wereld rust.

Hoewel de Nornen tegenwoordig vaak worden afgebeeld terwijl zij levensdraden spinnen, meten en afknippen, beschrijven de Edda’s dit niet letterlijk. Dat beeld ontstond later onder invloed van Germaanse volksverhalen en door de vergelijking met de Griekse Moiren en de Romeinse Parcae. Toch sluit deze symboliek naadloos aan bij hun functie. Zij bepalen immers de levensloop van alle wezens en zorgen ervoor dat iedere gebeurtenis haar plaats krijgt binnen de grotere orde van het universum.

Opvallend is dat de Edda’s ook vermelden dat er meer Nornen bestaan dan alleen deze drie. In de Proza-Edda schrijft Snorri dat sommige Nornen afkomstig zijn uit het geslacht van de goden, andere uit dat van de elfen en weer andere uit dat van de dwergen. Sommige brengen voorspoed, andere tegenslag. Daarmee wordt duidelijk dat ieder mens onder invloed staat van verschillende krachten en omstandigheden. Niet iedereen ontvangt hetzelfde lot, maar ieder lot maakt deel uit van dezelfde kosmische orde.

Juist daarin verschilt de Noordse visie op lotsbestemming van het idee van een volledig vastgelegde toekomst. Het Oudnoorse begrip wyrd – verwant aan het Oudengelse woord dat eveneens “lot” betekent – verwijst eerder naar een netwerk van oorzaken, gevolgen en onderlinge verbondenheid dan naar een vooraf geschreven script. Het verleden vormt het heden, het heden schept de toekomst. Iedere keuze wordt onderdeel van een steeds groter wordend patroon.

Dat maakt de Nornen ook vandaag nog bijzonder actueel. Hoewel de oude heiligdommen verdwenen zijn, leven hun symbolen voort in onze taal. We spreken over “de rode draad” in ons leven, over levenspaden, keerpunten en bestemmingen. We vragen ons af waarom bepaalde mensen op ons pad komen of waarom gebeurtenissen precies op het juiste moment lijken plaats te vinden. Zonder het te beseffen denken we nog vaak in beelden die al meer dan duizend jaar oud zijn.

Ook vanuit psychologisch en spiritueel perspectief behouden de Nornen hun betekenis. Urd herinnert ons eraan dat onze herinneringen en ervaringen de wortels vormen van wie wij zijn. Verdandi nodigt ons uit om volledig aanwezig te zijn in het enige moment waarin we werkelijk kunnen handelen: het nu. Skuld wijst ons op verantwoordelijkheid. Niet als straf of schuldgevoel, maar als het besef dat iedere keuze een toekomst schept.

Wanneer we oude patronen doorbreken, een belangrijke beslissing nemen of terugkijken op gebeurtenissen die ons leven hebben gevormd, ervaren we iets van dezelfde waarheid die de Edda’s al beschreven. Het leven ontvouwt zich niet willekeurig, maar als een voortdurend wordend verhaal waarin verleden, heden en toekomst elkaar onophoudelijk beïnvloeden.

Misschien schuilt daarin de blijvende kracht van de Nornen. Zij herinneren ons eraan dat wijsheid ontstaat wanneer we onze wortels kennen, bewust leven in het heden en met vertrouwen verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst. Zoals Yggdrasil alleen kan blijven groeien doordat zijn wortels dagelijks worden verzorgd, zo groeit ook een mens wanneer hij zorg draagt voor zijn verleden, aandacht heeft voor het huidige moment en met moed de toekomst tegemoet treedt.

De Nornen zijn daardoor veel meer dan figuren uit een eeuwenoude mythologie. Zij zijn een tijdloos symbool van de levensstroom waarin ieder mens zich bevindt. Hun verhaal, bewaard gebleven in de Edda’s, blijft ons uitnodigen om ons eigen leven te zien als een weefwerk van ervaringen, keuzes en mogelijkheden – een tapijt waarvan de betekenis zich pas gaandeweg ontvouwt.

Hamingja & het Weefgetouw van het leven

Hamingja, zoals ik het begrijp, is een van de meest fundamentele begrippen binnen de Oudnoorse en Germaanse wereldbeschouwing. Het laat zich moeilijk letterlijk vertalen, omdat het tegelijkertijd verwijst naar geluk, lotskracht, eer, spirituele kracht en erfelijke voorspoed. Het is niet simpelweg “geluk” zoals wij dat vandaag begrijpen, maar eerder een levende kracht die verbonden is aan familie, afkomst, reputatie en handelen.

Wanneer een mens geboren wordt, ontvangt hij een naam. In de voorchristelijke Noord-Europese tradities werd een naam niet gezien als slechts een praktisch kenmerk, maar als iets met spirituele betekenis. Men geloofde dat via de naam een ziel verbonden werd aan het lichaam. Die ziel stond niet los van het verleden, maar was verweven met de lijn van voorouders die eraan voorafging. Sommige geleerden wijzen erop dat in saga’s en eddische teksten de gedachte voorkomt dat eigenschappen, kracht of zelfs delen van een voorouderlijke ziel opnieuw konden verschijnen binnen een familielijn.

Met die geboorte ontvangt men ook de hamingja. Deze kracht vormt als het ware het fundament van het innerlijke huis van een mens. Op dat fundament bouwt men gedurende het leven verder. De hamingja van een familie groeit of verzwakt afhankelijk van het gedrag van haar leden. Zij kan branden als een fel vuur of verschrompelen tot smeulende as. Alles hangt af van eer, moed, trouw en reputatie.

Binnen de ruimere germaanse samenleving waren eer en geluk bijna onafscheidelijk. Een man met grote eer moest wel gezegend zijn met sterke hamingja; iemand die voortdurend succes kende in strijd, handel of leiderschap werd gezien als iemand wiens lotskracht bijzonder sterk was. Omgekeerd wees voortdurend ongeluk vaak op een beschadigde reputatie of een verzwakte spirituele staat.

Dat idee vinden we terug in oude uitdrukkingen zoals: “Ga met het geluk van de koning.” Dit werd letterlijk genomen. Een koning kon zijn gunst, bescherming en hamingja delen met zijn vazallen of krijgers. Wanneer een man reisde onder de naam en bescherming van zijn heer, droeg hij symbolisch diens kracht met zich mee. Mensen zouden hem anders behandelen, deuren zouden zich openen, kansen zouden ontstaan. Het was alsof hij een deel van de macht van de koning zelf met zich meedroeg. In een maatschappij waar reputatie alles betekende, had dat enorme invloed.

Sommige onderzoekers verbinden het begrip hamingja met de fylgja. De fylgja wordt in de bronnen beschreven als een “volgende geest”, soms zichtbaar als een dierlijke verschijning die verbonden is aan een persoon of familie. In verschillende saga’s verschijnen fylgjur in dromen of visioenen, vooral voorafgaand aan conflicten of sterfgevallen. Daarom vermoeden sommige geleerden dat fylgja en hamingja nauw verwante concepten zijn: beide drukken een innerlijke spirituele kracht uit die zich buiten de mens kan manifesteren.

Wanneer twee mensen tegenover elkaar staan in conflict, botsen volgens deze gedachte niet alleen hun lichamen of wilskracht, maar ook hun hamingja. Stel je een gerespecteerde krijger voor: een man die veldslagen heeft gewonnen, zijn gemeenschap heeft beschermd en bekendstaat om wijsheid en zelfbeheersing. Tegenover hem staat een dronkaard met een slechte reputatie die beledigingen heeft geuit tegen diens familie. Nog voor de eerste slag gevallen is, voelen omstanders vaak al wie zal winnen. De ene straalt zekerheid, eer en innerlijke kracht uit; de andere twijfel en chaos. In zekere zin heeft de strijd tussen hun hamingja dan al plaatsgevonden.

Binnen de Germaanse wereld was eer geen individueel bezit maar familiebezit. Wanneer de eer van één familielid beschadigd werd, had dat gevolgen voor de hele familie. Daarom bestonden er uitgebreide systemen van wraak, boetebetalingen en eerherstel. In veel Germaanse rechtsstelsels — zowel Scandinavisch als Angelsaksisch — bleef eer eeuwenlang een juridisch en sociaal kernbegrip, zelfs nadat het christendom zich verspreid had. Tot diep in de vroegmoderne tijd bleven begrippen als bloedwraak, eercompensatie en familieverantwoordelijkheid voortleven in wetten en gebruiken.

Over hamingja spreken betekent onvermijdelijk ook spreken over wyrd, het weefgetouw van het leven.

Het Oudengelse woord wyrd is verwant aan het moderne Engelse woord “weird”. Vandaag betekent “weird” iets vreemds of afwijkends, maar oorspronkelijk verwees wyrd naar het lot, het wordingsproces van de werkelijkheid en de onzichtbare krachten die het leven vormgeven. In Angelsaksische teksten zoals *Beowulf* wordt wyrd beschreven als een onafwendbare lotsmacht: “Wyrd bið ful aræd” — het lot staat vast.

In de Noordse traditie wordt dit vaak verbonden met het beeld van het Web van Wyrd. Bij de geboorte beginnen de Nornen — Urðr, Verðandi en Skuld — de levensdraad van een mens te spinnen. Zij bepalen het lot dat uiteindelijk niet ontweken kan worden. Maar hoewel het eindpunt vastligt, bepaalt de mens zelf hoe hij het pad bewandelt.

Elke handeling, elk woord en elke ontmoeting weeft nieuwe draden in het grote tapijt van het bestaan. Mensen beïnvloeden elkaar voortdurend. Vriendschappen ontstaan, eden worden gezworen, families groeien, oorlogen breken uit, levens eindigen. Zoals stenen die in een vijver vallen en kringen veroorzaken die elkaar raken en versterken, zo beïnvloedt iedere daad het grotere patroon van wyrd.

Binnen dat weefsel probeert men een leven van eer op te bouwen. Want de voorouders zijn nog steeds verbonden met de levende familie. Zij ondersteunen hun nakomelingen met hamingja zolang de familie eerbaar blijft handelen. En wanneer iemand sterft, laat hij zijn eigen kracht en reputatie achter aan de generaties die volgen.

Daarom waren verbonden tussen mensen heilig. Wanneer iemand een ander “broeder” noemde, was dat niet zomaar een vriendelijke term. Het was een eed van wederzijdse verantwoordelijkheid. De eer van de één werd de verantwoordelijkheid van de ander. Wanneer een broeder vernederd werd of onrecht leed, werd van jou verwacht dat je hem hielp zijn eer te herstellen — ongeacht persoonlijke kosten.

In verschillende saga’s zien we hoe sterk men geloofde in de kracht van woorden, eden en stervende vervloekingen. In een bekend motief vraagt een stervende krijger aan zijn doder om zijn naam te noemen. Vaak weigert de overwinnaar dit. Waarom? Omdat men geloofde dat de vloek van een stervende uitzonderlijk krachtig was. Als de naam bekend werd, kon de stervende zijn vloek richten tegen de dader en diens toekomst beschadigen. Zulke verhalen tonen hoe tastbaar en werkelijk deze spirituele ideeën voor mensen waren.

Hamingja kan misschien het best vergeleken worden met een huis.

Wanneer je een huis bouwt, kies je eerst de grond. Daarna leg je een fundament. Dat fundament moet sterk zijn, want alles wat later gebouwd wordt, rust erop. Een slecht fundament zal uiteindelijk het hele huis doen instorten.

Zo werkt ook hamingja. Je afkomst, naam en voorouders vormen de basis. Daarna bouw je verder met je daden. Iedere keuze voegt iets toe aan de structuur: eer, reputatie, wijsheid, moed, trouw. Maar schade ontstaat eveneens. Een lekkend dak dat niet hersteld wordt, veroorzaakt langzaam rot in het hout. Een gebroken deur laat vuil en chaos binnen. Wanneer je jezelf bedriegt — wanneer je zwakte vermomt als kracht of leugens verkoopt als waarheid — bouw je een schoorsteen van hout terwijl je beweert dat het steen is. Uiteindelijk zal het huis afbranden.

Zo moet men ook omgaan met de hamingja: onderhouden, beschermen en versterken. Niet alleen voor zichzelf, maar voor de familie die eraan voorafging en voor de generaties die nog zullen komen.

Het weefgetouw van het leven is als een levensboom. De draden van lotgenoten groeien als vezels uit de bron van het leven en streven naar een mooie vrucht in de kruin. Onderweg kronkelen ze, duwen ze, vertakken ze of vergroeien ze. Ontmoetingen, gebeurtenissen, beloftes, ze beïnvloeden het pad van de levensdraad. 

Die kan uitkomen op een dode tak, of een blad of een rijpe vrucht.

Uiteindelijk zal de vrucht, of het bland afsterven, naar de wereld onderaan neerdalen en daar deel uitmaken van de voedingsbodem voor de toekomstige lotgenoten. Een vruchtbare grond is belangrijk voor een goede oogst. 

ZWART-ROOD-WIT, spirituele driekleur?

Sommige heidenen in de Lage Landen, van Vlaanderen tot Friesland, hebben de gewoonte om drie gekleurde kaarsen te ontsteken in de volgorde van Zwart, Rood en Wit bij rituelen of bij wijze van dagdagelijkse verering en geluksbrenger. Ze gebruiken ook deze kleuren in versiering of bekleding van een ritueel of sacrale plaats. 

Elke kleur vertolkt iets en de volgorde van het ontsteken zou heilzaam zijn en dient bewust en weloverwogen te gebeuren als in een ritueel. Ook het doven doen we niet door het uit te blazen omdat dit onheil brengt, men gaat eerder de zuurstof ontnemen met een kaarsendover.

Waar komt dit nu vandaan?

Er zijn eigenlijk heel wat elementen aan te halen die het belang van deze kleuren onderlijnen en we kunnen ze ook met wat creativiteit zelf makkelijk plaatsen.

De oudste bronnen die gebonden zijn aan onze Indo Europese cultuur en latere Germaanse cultuur, zijn de Vedische teksten. Die gaan naar schatting terug tot minstens 1000 voor onze jaartelling. Er zijn ook andere bronnen zoals de Sagen, de Edda, volksverhalen, volksgeneeskunde en zelfs de Bijbel.

De Franse professor Jean Haudry merkte in de Vedische teksten de driekleur op en wees deze toe aan de kleuren van de hemel tijdens het verloop van de dag: Zwart bij nacht, rood bij zonsopgang of ondergang en wit voor overdag. In de Veda’s beschrijft men drie koeien die , de eerste zwart, de tweede rood en de derde is wit en staan voor de kleuren van de hemel. Hij ziet dit hemelconcept in heel wat andere elementen opduiken zoals het hemelgewelf dat rond een grote zuil draait en door een etmaal zwart-rood-wit-rood-zwart kleurt. Haudry gaat nog verder en linkt de Germaanse goden aan het driedelig hemel gewelf: Tiwaz is de daghemelgod, Wodanaz is de god van de nachthemel en het schemerrood wijdt hij toe aan Ostara, godin van het ochtendgloren. Ostara is trouwens ook genoemd als lentegodin en gebonden met vernieuwing of groei, Wodanaz is ook een godheid die zich specifiek in de winter manifesteert en gebonden is met de dood.

Plato schreef dat er in Atlantis steengroeven waren waar één soort steen wit was, een andere zwart en nog een andere rood. 

In de Saga van de Jomsvikingen heeft Koning Gorm drie voorspellende dromen:

Tijdens de eerste nachtelijke droom staat hij buiten zijn hal vanwaar hij de zee ziet terug trekken tot hij geen water meer kan zien. Uit de horizon waar het water heen was doken drie witte ossen op, ze stormden het land op en beten al het gras uit de grond waarna ze weer naar de teruggetrokken zee liepen en verdwenen.

De volgende nacht droomde hij ongeveer hetzelfde, maar nu waren de drie ossen rood en hadden grotere hoorns.

De derde droom was ook een herhaling, maar nu waren de ossen zwart en zijn ze nog groter met nog grotere hoorns. Als afsluiter hoort hij een luide knal op het moment dat de zee terug naar het strand keerde. De droom werd vervolgens verklaard als voorbode van negen jaar slechte oogst.

Men komt aan negen omdat er drie maal drie ossen verschenen. Heilige getallen in het Heidendom. Hoe groter de hoorns en ossen, hoe groter het onheil. Op welke basis interpreteert men nu het onheil? Misschien wel de volgorde van de kleuren? Wit-rood-zwart, want we zien dat de natuurlijke wederkerende volgorde altijd zwart-rood-wit is.

Professor Jan de Vries ziet in de Vedische mystiek de drie voorwaarden voor leven: vuur, water en aarde. Deze zijn voorgesteld met de kleur rood, wit en zwart. De professor gaat ook verder vind in de gehele Europese voorchristelijke tradities deze kleurencombinatie terug, onder andere in volksmagie, legenden en andere overleveringen. 

Er zijn verschillende sprookjes in Europa waarin we ook de driekleur terugvinden als belangrijke indicatoren. Neem nu Sneeuwwitje: “Had ik nu een kindje, zo wit als sneeuw, zo rood als bloed en zo zwart als dit ebbenhout”

Uit deze sprookjes lijkt de driekleur te zijn overgeleverd als een schoonheidsideaal.

We hebben ook voorbeelden uit de magie zoals deze toverformule opgetekend in de 19e eeuw in Thüringen tegen wormen:

“Ik stap hier op een grenssteen. De wormen vreten mijn been. Ze mogen zijn zwart, wit of rood, in een dag zijn ze allemaal dood.”

Of een sprookje uit IJsland: Sigurd moet opeenvolgend een zwarte, witte en rode doek om zijn hoofd binden om zich te beschermen tegen het brullen van een stier uit de onderwereld. Ook slaat hij op een zwart-rood-witte steen om een magische storm te ontketenen die de reuzen dood. 

In Finland was het gebruikelijk dat een boer zijn land afbakende met rood-zwart-wit touw, wetende dat een landsgrens bezield werd met een schutgeest om deze te bewaken maakt dit ook een waardevol gegeven.

Uit Rigsthula kunnen we drie sociale klassen onderscheiden.

  • “Thrael” de knecht (“zijn lokken waren zwart”)
  • “Karl” de kerel (“hij was rozig en rood”)
  • “Jarl” de prins (“blond was zijn haar”)

De knecht is een lijfeigene en geeft men prominent zwart als kleur. 

De kerel is de vrijman, de boer, de krijger, de visser, de jager, die blaakt van geluk en gezondheid in het vrije buitenleven en is rood van kleur.

De prins, edel en nobel krijgt een pure en schitterende kleur: blond, ofwel wit. 

Dit betekent dat we ook de kleuren bij een karaktertype kunnen plaatsen.

Zwart is lomp en bruut

Rood is sterk, gezond en ijverig

Wit is edel, puur, begaafd en strijdvaardig

Professor Georges Dumézil maakte 100 jaar geleden de theorie dat de Indo-Europese cultuur uit drie functies bestond en dat elke functie door een kleur werd gerepresenteerd

Cultische: wit

Militaire: rood

Economische: donker

In India zien we dat de oorspronkelijke kaste systeem verdeeld was in kleuren:

  • de Brahmaan (wijze priester): wit
  • De Kshattriya (krijger, leider): rood
  • De Vaishya (werker, handelaar): zwart

De naam voor kaste is Varna en betekent “kleur”

Als we dan kijken naar de Indo-Europese kosmos dan zien we dat deze ook in drie gedeeld is en deze duikt ook op in de Germaanse cultuur. De levensboom of zuil draagt de hemel, eronder zit de wereld en daaronder de onderwereld of Hel. In de wereld vinden we respectievelijk Middengaard, Asengaard, Uitgaard en Jotunheim. 

In de Völuspá leren we hoe Ragnarök wordt aangekondigd door drie verschillende gekleurde hanen: Gullinkambi, de hemelhaan is wit. Fjallarr de wereldhaan is rood en de Helhaan is zwart. 

Gullinkambi wordt ook wel als goud omschreven omdat zijn naam ‘Goudkam’ betekend, maar Professor de Vries merkt op dat de god Heimdall de bijnaam Goudtand heeft ondanks dat hij ook als helderwit omschreven staat. In het blinken van goud zien we trouwens helder wit en lijkt blond ook niet op goud?

Maar ook in het Christendom, die niet vies zijn om heidense elementen te adopteren, vinden we dezelfde kleuren en betekenissen terug. 

In de liturgie staat wit voor puurheid, martelaren, onschuld, glorie. Wit kan vervangen worden door goud meld men nog… Het is ook de kleur van de paus (spirituele wijze leider).

Rood staat dan weer voor passie, bloed en vuur, het is de kleur van de kardinaal

Zwart staat voor de doden en de rouw.

In het Nieuwe Testament vinden we deze beschrijving van de ruiters van de Apocalyps:

Het eerste paard is wit, het tweede rood en het derde zwart en vierde vaal of grijs. De eerste is een edele figuur, de tweede een krijger en het derde een handelaar. De vierde is de dood. De drie eerste ruiters zijn de levenden en hun kleurencode komt overeen met Cultisch-Militaire-Economische functies van Dumézil. 

En dan hebben we nog deze afbeelding van de drie wijzen of drie koningen uit de 3e eeuw in de Priscilla grot. Daar zijn de drie wijzen afgebeeld die zeer iconisch geschenken brengen naar de pasgeboren Jezus. Hun volledige gedaante is afgebeeld in onze cultische kleurencode, de eerste zwart, de tweede rood, en de laatste die aankomst is wit. 

Een paar eeuwen later in de 5e eeuw in Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna, zien we deze figuren terug afgebeeld, nu met eigentijdse kleding, maar opvallend ook met namen en aan hun uiterlijk zien we ook hun leeftijd: Melchior is de jongste met kort haar en zonder gezichtsbeharing, Balthasar heeft een bruine baard en is duidelijk volwassen en Gaspar heeft een grijze baard. We zien hierin ook weer een parallel met kracht, leeftijd, wijsheid, vruchtbaarheid. Ook het brengen van geschenken is natuurlijk een parallel die we herkennen. 

Maar er zijn ook sporen gevonden op altaarstenen van Matronen, of de drie Moeders, van deze kleurencombinatie. De Matronen zijn een oude cultus die mogelijk uit de Indo-Europese cultuur werd overgeleverd. We zien deze ook opduiken als de Nornen of Schikgodinnen. Normaliter gaat het dan over een dochter-moeder-grootmoeder combo. 

Er zijn dus tal van elementen die we met onze driekleur kunnen verbinden. 

Zo staat de dood bijna altijd gelijk gebonden aan vruchtbaarheid en kan je dus zwart gelijkstellen met zowel de dood als met iets dat net tot ontwikkeling komt uit deze vruchtbare schoot van de dood. Net zoals het heden voorkomt uit het verleden. Wat onder de aarde zit is de onderwereld en daar ontkiemd het nieuwe leven ook. De dodengoden hebben ook altijd een functie gebonden met vruchtbaarheid. Waar Wodan zijn Wilde Heir komt, zal een goede oogst volgroeien. Goden van de onderwereld zoals Holda, Wodan komen in gedachten. Laten we ook niet vergeten dat in heel Europa de midwinter tradities vaak inhouden dat cultische figuren met zwarte gezichten rondtrekken en de aanschouwers besmeuren met zwarte kleur in het gezicht om hen geluk te brengen of vruchtbaarheid. 

Rood is kracht van het groeien, de sterkte van wat jong is, de kleur van verandering, van initiatie (bloedoffer?) van voortvarendheid, wat nu is en wat zal worden. Het is ook een kleur geassocieerd met de dondergod en met Ostara. 

Wit is wat bereikt moet worden, het is wijsheid, volgroeid zijn, één zijn met het voorgaande, volmaaktheid, toonaangevend. Het is ook de kleur van Tiwaz, die het Ding overziet, en ook van Ing de heilbrengende, god der Alven, of van de Witten.

We kunnen volgende elementen verbinden:

ZWART ROOD WIT

Aarde Vuur Water

Nacht Schemer Dag

Winter Lente Zomer

Kiem Ontkiemen Volgroeid

Verleden Heden Schuld (toekomst)

Knecht Kerel Edel

Werker Krijger Leider

Dood Jong Oud

Dochter Moeder Grootmoeder

Geluk Voorspoed Heil

Onderwereld Wereld Hemel

As Vlam Rook

Wodanaz Ostara Tiwaz

Wodan Thuner Ing

We weten natuurlijk allemaal, dat in het verleden een regime gebruikmaakte van deze kleuren wat jammerlijk een smet bracht op het heidendom. Maar laat ons dit los zien van onze spirituele praktijk.

Bronnen:

Boppo Grimmsma, De Heidense Kleurendrieheid Zwart Rood Wit

Jan de Vries, Rood Wit Zwart in Volkkunde

Georges Dumézil, Gods of the ancient Northmen

Georges Dumézil, La courtisane et les seigneurs colorés

Georges Dumézil, The Rigstula and Indo European Social Structures

Rudolf Simek, Lexicon der Germaanse Mythologie

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram