In Linten en Bloemen Geschreven: Het Verhaal van de Liefdesmei

In de Lage Landen behoort het “planten van de mei” tot de oudste en meest tot de verbeelding sprekende volksgebruiken. Het ritueel vindt traditioneel plaats in de nacht van 30 april op 1 mei, wanneer de lente haar volle kracht begint te tonen. Terwijl de natuur ontwaakt en het landschap opnieuw groen kleurt, planten mensen een jonge boom of tak — vaak een berk, spar of soms een meidoorn — voor een huis, op een dorpsplein of bij een herberg. Deze “mei” is geen eenvoudig stuk natuur, maar een drager van betekenissen, waarin liefde, vruchtbaarheid, gemeenschap en symboliek samenkomen.

Binnen dit gebruik neemt de liefdesmei een bijzondere plaats in. Daarbij plaatst een jongen een mei bij het huis van een meisje als teken van genegenheid. Dit gebeurt meestal ’s nachts, zodat de verrassing des te groter is bij het ochtendlicht. Het is een woordeloze, maar duidelijke liefdesverklaring. De keuze van de tak, de manier waarop deze wordt opgesteld en de zorg van de versiering vertellen hoe ernstig en oprecht de gevoelens zijn. Een rechte, frisse en groene boom wijst op eerlijke bedoelingen en bewondering, terwijl een kromme, kale of minderwaardige tak ook een minder flatterende boodschap kon dragen.

De soort boom of tak droeg op zichzelf al betekenis. Een berk werd vaak gekozen omwille van haar lichte, frisse uitstraling en stond symbool voor jeugd, zuiverheid en nieuwe liefde. De meidoorn, die in dezelfde periode bloeit, verwees naar vruchtbaarheid en hartstocht, maar ook naar bescherming. Sparrentakken of andere altijdgroene soorten onderstreepten dan weer standvastigheid en blijvend gevoel, omdat ze het hele jaar door groen blijven.

Rond deze mei werd een rijk spel van linten, kleuren en bloemen aangebracht, die samen een subtiele maar duidelijke boodschap vormden. De kleuren fungeerden als een visuele taal. Het groen van de boom zelf verbeeldde leven, groei en hoop — een liefde die zich nog moet ontvouwen. Wit stond voor zuiverheid, eerlijkheid en respectvolle bedoelingen. Rood maakte de boodschap vuriger en wees op passie en verlangen. Blauw gaf uitdrukking aan trouw en betrouwbaarheid, alsof de gever zijn standvastigheid wilde benadrukken. Roze verzachtte het geheel en stond voor tederheid en ontluikende verliefdheid. Geel had een dubbelzinnige betekenis: het kon vreugde en zonlicht symboliseren, maar ook jaloezie of zelfs spot, afhankelijk van de context.

Naast de linten speelden ook bloemen een belangrijke rol in de liefdesmei. Zij verfijnden de boodschap en gaven extra nuance aan het geheel. Madeliefjes stonden voor onschuld en oprechte genegenheid, vaak passend bij jonge of eerste liefde. Klaprozen of andere rode bloemen benadrukten passie en verlangen. Lelies konden zuiverheid en eer symboliseren, terwijl viooltjes eerder bescheidenheid en trouwe liefde uitdrukten. Bloeiende takken, zoals die van de meidoorn, versterkten bovendien de symboliek van lente en vruchtbaarheid. De keuze en combinatie van bloemen maakten de mei tot een zorgvuldig samengesteld geheel, waarin elk element iets vertelde over de gevoelens van de gever.

Toch was de liefdesmei niet altijd louter romantisch. Het gebruik kende ook een speelse, soms scherpe kant. Een slordig versierde boom, een bewust minder fraaie tak of een ongelukkige combinatie van kleuren en bloemen kon een teken zijn van spot, afkeuring of plagerij binnen de dorpsgemeenschap. Zo werd de mei een middel van sociale communicatie: niet alleen liefde werd zichtbaar gemaakt, maar ook meningen en verhoudingen tussen mensen.

In bredere zin bleef het planten van de mei verbonden met oude betekenissen die verder reikten dan de liefde alleen. Het was een symbool van vruchtbaarheid en levenskracht, een viering van de natuur die opnieuw tot leven komt. Tegelijk bracht het mensen samen en versterkte het het gemeenschapsgevoel, terwijl het in oudere tradities ook een vorm van bescherming en zegen kon vertegenwoordigen.

Hoewel het gebruik vandaag minder algemeen voorkomt, leeft het op sommige plaatsen nog voort, vaak in folkloristische vorm. Toch blijft de kern herkenbaar. In de liefdesmei komt een eeuwenoude menselijke behoefte tot uiting: om gevoelens zichtbaar te maken, om liefde en hoop tastbaar te verankeren in de wereld. Met een boom, zorgvuldig gekozen takken, kleurrijke linten en betekenisvolle bloemen werd een verhaal verteld — stil, maar rijk aan betekenis, en voor wie het begreep, onmiskenbaar duidelijk.

De heidense wortels van de ijsheiligen

Binnen het Germaanse wereldbeeld werd de tijd niet ervaren als een neutrale opeenvolging van dagen, maar als een levende cyclus van krachten waarin seizoenen elkaar aflosten via spanningsvolle overgangen. Vooral het voorjaar werd gezien als een onstabiele en potentieel gevaarlijke fase. De winter was geen louter meteorologisch gegeven, maar een werkzame macht, verbonden met dood, stilstand en vijandige wezens. Dat hij zich tot diep in het voorjaar nog eenmaal kon laten gelden, werd als volkomen logisch ervaren.

In Germaanse samenlevingen geloofde men dat de natuur bevolkt was door wættir, land‑ en weergeesten die verbonden waren aan specifieke plaatsen en tijden. Kou, rijp en late vorst waren geen toeval, maar tekenen dat bepaalde krachten nog niet waren geweken. Het einde van de winter moest zich als het ware losmaken uit hun greep. Dat verklaart waarom men midden mei als een kritische drempel beschouwde: de zon stond al hoog, het leven keerde terug, maar de oude machten hielden nog weerstand. In sommige sagen en volksvoorstellingen verschijnt deze spanning als een laatste strijd tussen winter en zomer, waarbij de zomer pas na weerstand en offers zijn rechtmatige plaats inneemt.

Binnen dat kader was voorzichtigheid geen angst, maar wijsheid. Het uitstellen van zaaien en uitplanten werd gezien als een vorm van eerbied voor het ritme van de wereld. Wie te vroeg handelde, overtrad niet alleen praktische regels, maar ook de kosmische orde. Jonge planten golden als bijzonder kwetsbaar voor schadelijke invloeden; ze stonden “open” voor kouwe wættir of kwade windgeesten. Men geloofde dat een enkele nacht met rijp, toegeschreven aan deze krachten, een hele oogst kon “breken”.

Rond deze periode bestonden bij de Germanen beschermende gebruiken die sterk doen denken aan wat later rond de ijsheiligen bleef voortleven. Het ontsteken van vuren diende niet enkel om warmte te geven, maar had een reinigende en verdrijvende functie: vuur was een bondgenoot van de zon en een wapen tegen winterse machten. Rondgangen langs akkers en erven, vaak door de gemeenschap samen, markeerden symbolisch de grens waar de winter moest wijken. Het land werd als het ware opnieuw opgeëist voor de zomer. Ook het uitspreken van vaste formules, later bewaard in weerspreuken, had een bijna magisch karakter: woorden schiepen orde en begrensden gevaar.

Toen het christendom deze gebieden bereikte, verdwenen deze overtuigingen niet. Ze werden hervertaald. De anonieme winterkrachten maakten plaats voor heiligen met namen en dagen, maar hun functie bleef herkenbaar. In plaats van wættir die nog eenmaal hun koude adem lieten voelen, sprak men nu over “strenge heiligen” of “koude Sophie”. Het geloof dat men pas veilig was na deze dagen is inhoudelijk Germaans: eerst moet het oude volledig wijken, pas dan is het nieuwe werkelijk betrouwbaar.

Zo weerspiegelen de ijsheiligen een diep Germaans besef dat seizoenen niet zomaar omslaan, maar elkaar loslaten via weerstand. De winter sterft niet stil, maar trekt zich terug met een laatste greep. Dat midden mei nog gevaarlijk kon zijn, was geen verrassing, maar een bevestiging van hoe de wereld werkte. In die zin zijn de ijsheiligen geen breuk met het heidense verleden, maar een late, gekerstende echo van een Germaanse natuurervaring waarin voorzichtigheid, ritueel en respect voor overgangen het verschil maakten tussen voorspoed en verlies.

De Drakenkop van Appels – Heidense symboliek uit de vroege middeleeuwen

De zogenaamde Drakenkop van Appels is een van de meest opmerkelijke archeologische vondsten uit de Schelderegio. Het object werd in 1934 ontdekt tijdens baggerwerken in de Schelde, nabij het veer van Appels bij Dendermonde, waar men resten van een scheepswrak aantrof. Het gaat om een indrukwekkend boegstuk uit eikenhout, ongeveer anderhalve meter lang, dat oorspronkelijk deel uitmaakte van de voorzijde van een schip.

Vandaag bevindt dit bijzondere stuk zich in de collectie van het British Museum in Londen, waar het wordt bewaard als een zeldzaam voorbeeld van vroeg scheepsdecor uit Noordwest-Europa.

Lange tijd werd aangenomen dat de drakenkop afkomstig was van een Vikingschip, wat op het eerste gezicht aannemelijk leek. Moderne wetenschappelijke analyse heeft dit beeld echter grondig bijgesteld. Radiokoolstofdatering (C14) uitgevoerd op het hout heeft aangetoond dat het stuk dateert uit de 4de tot 6de eeuw na Christus, en dus thuishoort in de laat-Romeinse tijd of de vroege middeleeuwen, ruim vóór de Vikingperiode.

Deze datering plaatst de drakenkop in de migratieperiode, een tijd waarin Germaanse groepen zoals Saksen, Friezen en vroege Angelsaksen actief waren in Noordwest‑Europa. Het object wordt daarom gezien binnen een Germaans-Romeinse of Angelsaksische context, waarin kunst, geloof en symboliek sterk met elkaar verweven waren.

De vormgeving van de kop is uitgesproken expressief: de open muil met tanden, de prominente ogen en de krachtige lijnen geven het geheel een dreigende en waakzame uitstraling. Dit sluit nauw aan bij de heidense beeldwereld van de Germaanse culturen. In die traditie werden dieren en mythische wezens niet louter decoratief gebruikt, maar droegen ze een diepere betekenis. Ze fungeerden als symbolen van kracht, identiteit en bovennatuurlijke bescherming.

Binnen deze heidense denkwereld hadden dergelijke figuren een apotropaeïsche functie: ze moesten het kwaad afweren en bescherming bieden tegen vijandige krachten, zowel zichtbaar als onzichtbaar. De drakenkop kon dus dienen als een soort bewaker van het schip, die gevaren op het water – stormen, vijanden of kwade geesten – op afstand hield.

Het gebruik van dierlijke koppen past bovendien in een bredere Germaanse traditie waarin mensen zich identificeerden met krachtige dieren of mythische wezens. In kunst en voorwerpen uit dezelfde periode zien we vaak een vermenging van mens en dier, wat wijst op een wereldbeeld waarin natuur, strijd en spiritualiteit nauw verbonden waren. De drakenkop van Appels moet in dat licht worden begrepen als meer dan een simpele versiering: het was een drager van betekenis, een zichtbaar teken van bescherming en macht.

Wat deze vondst extra bijzonder maakt, is haar zeldzaamheid. Houten objecten uit de 4de tot 6de eeuw blijven zelden bewaard, zeker niet in zulke monumentale vorm. Bovendien zijn vergelijkbare boegstukken uit deze periode in de Lage Landen vrijwel onbekend. De drakenkop vormt daardoor een unieke schakel tussen de laat-Romeinse wereld en de opkomende Germaanse cultuur van de vroege middeleeuwen.

Hoewel het stuk meestal wordt geïnterpreteerd als een boegbeeld van een schip, bestaat er nog discussie over de oorspronkelijke functie. Sommige onderzoekers hebben gesuggereerd dat het mogelijk een ander prestigieus object was, bijvoorbeeld een element van een troon.

Hoe men het ook duidt, de Drakenkop van Appels blijft een uitzonderlijk erfstuk. Ze getuigt niet alleen van technisch vakmanschap, maar ook van een wereld waarin scheepvaart, geloof en heidense symboliek onlosmakelijk met elkaar verbonden waren — een wereld waarin een schip niet enkel een vervoermiddel was, maar ook een beschermd en bezield geheel dat de krachten van natuur en bovennatuur moest trotseren.

Bloeimaand en Meiboomplantingen: Germaanse Rituelen van Groei en Gemeenschap

Binnen de Germaanse tradities werd de voortgang van het jaar beleefd als een cyclisch proces waarin mens, natuur en gemeenschap onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. De periode waarin het land zichtbaar tot bloei kwam, het groen zich volledig ontplooide en de natuur haar levenskracht tentoonspreidde, nam daarbij een bijzondere plaats in. Deze tijd stond bekend als de Bloeimaand: niet als vaste kalenderterm, maar als een seizoensfase die werd herkend aan wat men om zich heen zag, rook en voelde.

In het Germaanse wereldbeeld was de natuur bezield. Bomen, velden en dieren werden beschouwd als dragers van megin, de vitale kracht die leven mogelijk maakt. Wanneer deze kracht in het voorjaar zichtbaar terugkeerde, werd zij niet alleen waargenomen, maar ook ritueel bevestigd. Dit gebeurde door handelingen die groei, vruchtbaarheid en ordening symboliseerden en versterkten. Een van de meest markante uitingsvormen daarvan was het planten of oprichten van de meiboom.

De meiboom was doorgaans een jonge, rechte boom — vaak een berk of meidoorn — gekozen om zijn levenskracht en snelle groei. In Germaanse symboliek belichaamde de boom de structuur van de kosmos: met wortels verankerd in de aarde, een stam in de wereld van de mensen en een kruin die reikte naar het hogere. Het oprichten van zo’n boom was daarmee geen louter decoratieve handeling, maar een rituele bevestiging van orde en continuïteit na de ontwrichtende winterperiode.

In de Lage Landen leefden deze meiboomplantingen in uiteenlopende vormen. Dorpen plaatsten een boom op een centrale plek — op het dorpsplein, nabij gemeenschappelijke gronden of aan de rand van de nederzetting. De boom werd versierd met groen, soms met kransen of linten, en fungeerde als verzamelpunt voor gezamenlijke activiteiten. Zang, dans en maaltijden rond de boom versterkten de onderlinge banden en bevestigden de samenhang van de gemeenschap in een tijd van hernieuwde openheid en beweging.

Naast deze collectieve meibomen bestonden ook kleinschalige gebruiken waarbij jong groen een rol speelde. Het plaatsen van een groene tak bij een huis, erf of stal gold als een teken van bescherming en voorspoed. Het verse hout droeg de zichtbare energie van de bloeitijd in zich en werd geacht die kracht over te dragen aan mensen, dieren en gebouwen. Dergelijke handelingen weerspiegelen een diepgeworteld vertrouwen in de wederkerigheid tussen mens en natuur.

De term Bloeimaand, zoals die voorkomt in oude Nederlandse en Nederduitse contexten, sluit nauw aan bij deze manier van denken. De naam benoemt geen abstract moment, maar een concrete toestand van de wereld: bloei als zichtbaar bewijs dat de cyclus zich hersteld heeft. In een agrarische samenleving was dit van existentieel belang. Succesvolle bloei betekende hoop op oogst, groei en voortbestaan; rituelen rond meiboom en meigroen waren manieren om deze hoop tastbaar te maken.

Met de komst van het christendom verdwenen deze gebruiken niet onmiddellijk. Meiboomplantingen en groenrituelen bleven voortbestaan, soms ingebed in nieuwe kaders, soms gedoogd als volksgebruik. Kerkelijke bezwaren richtten zich voornamelijk op excessen of nachtelijke rituelen, wat erop wijst dat de symboliek van de boom zelf diep verankerd was in het dagelijkse leven. De blijvende aanwezigheid van meibomen in dorpen en steden getuigt van een culturele continuïteit die religieuze veranderingen overleefde.

Binnen de Germaanse traditie markeerde de Bloeimaand ook een overgang in sociaal opzicht: van besloten winterleven naar gemeenschappelijke openheid. De meiboom werd zo niet alleen een natuursymbool, maar ook een teken van collectieve identiteit en hernieuwde verbondenheid. Door samen een boom op te richten en te verzorgen, bevestigde men de plaats van de gemeenschap binnen het levende landschap.

Tot op heden resoneren deze oude inzichten in hedendaagse herwaarderingen van Germaanse en inheemse gebruiken. De meiboom keert daarin terug als symbool van groei, levenskracht en samenhang. Zo blijft de Bloeimaand — los van kalender en datum — een uitdrukking van een oeroude menselijke ervaring: het erkennen en vieren van het moment waarop het leven zich opnieuw en zichtbaar ontvouwt.

Walpurgisnacht

Walpurgisnacht, gevierd in de nacht van 30 april op 1 mei, is een overgangsnacht die diep geworteld is in de voorchristelijke beleving van tijd, natuur en gemeenschap. Oorspronkelijk was deze nacht geen afzonderlijk feest, maar onderdeel van een bredere seizoenswisseling binnen Germaanse en aanverwante culturen. Het jaar werd niet gedacht in strakke kalendermaanden, maar in helften: een winterperiode en een zomerperiode. De overgang tussen beide, rond het begin van mei, was beladen met symboliek en ritueel belang. Het was het moment waarop de natuur zichtbaar opnieuw tot leven kwam en waarop mensen, vee en land ritueel werden voorbereid op de vruchtbare maanden.

In de gebieden die later de Lage Landen zouden vormen, leefden Frankische, Friese en Saksische tradities naast elkaar. Hoewel schriftelijke bronnen schaars zijn, maken archeologische sporen en latere volksgebruiken duidelijk dat ook hier vuren werden ontstoken, soms op hoger gelegen plaatsen of dorpsranden, als teken van bescherming en hernieuwing. Vuur had een zuiverende functie: het hield ziekte en onheil op afstand en markeerde tegelijk de kracht van het nieuwe seizoen. Het vee werd soms langs of tussen de vuren geleid, niet uit bijgeloof in moderne zin, maar vanuit een wereldbeeld waarin natuur, gemeenschap en het bovennatuurlijke onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.

Met de kerstening van deze streken werd deze oude overgangsnacht geleidelijk heringekaderd. De Kerk plaatste op 1 mei het feest van Sint-Walburga, een Angelsaksische abdis die actief was in het Frankische Rijk. Haar naam raakte verbonden aan de nacht ervoor, waardoor Walpurgisnacht ontstond als christelijke tegenhanger van oudere lentefeesten. Wat oorspronkelijk een viering van groei en levenskracht was, kreeg in het kerkelijk discours een dubbelzinnige lading: enerzijds bescherming door een heilige, anderzijds wantrouwen tegenover volksgebruik dat te weinig onder kerkelijke controle stond.

Vanaf de late middeleeuwen verschoof de betekenis opnieuw. In een tijd van toenemende angst voor ketterij en hekserij werden juist deze oude overgangsnachten gezien als momenten waarop de orde tijdelijk wegviel. Walpurgisnacht werd in preken en volksverhalen een nacht waarin heksen samenkwamen en kwaad vrij spel had. Ook in de Lage Landen vinden we echo’s van deze denkbeelden terug, al zijn ze minder spectaculair dan in Duitse bronnen. In Vlaamse en Brabantse volksgeloven werd de meitijd gezien als potentieel gevaarlijk: men nam voorzorgen, beschermde huis en haard en was bedacht op onheil dat met de nacht meereisde.

Toch bleven veel positieve elementen bestaan, vaak losgezongen van hun oorspronkelijke betekenis. Meivuren, meibomen en nachtwandelingen door de jeugd wijzen op een hardnekkige voortzetting van de oude gedachte dat deze nacht een drempel vormt tussen wat was en wat komt. In hedendaagse heidense en natuurreligieuze herinterpretaties, ook in Vlaanderen en Nederland, wordt Walpurgisnacht opnieuw gezien als wat zij waarschijnlijk ooit was: geen nacht van duisternis, maar van overgang, kracht en het herwonnen licht.

Sint‑Joris door Germaanse ogen: strijd, lotsbesef en de draak

Wanneer we het verhaal van Sint‑Joris losmaken uit zijn latere christelijke kader en het bekijken door de lens van het Germaans heidendom, verschijnt hij niet langer als een uitzonderlijke heilige, maar als een herkenbare figuur binnen een veel oudere mythische traditie. In die traditie staat niet zonde of verlossing centraal, maar strijd, lotsverbondenheid (wyrd) en de permanente spanning tussen orde en chaos.

Het Germaanse heidendom kende geen wereld die in wezen “goed” kon worden, noch een einde waarin chaos definitief werd overwonnen. Integendeel: chaos maakte structureel deel uit van de kosmos. De goden zelf wisten dat hun orde tijdelijk was, dat Ragnarök onvermijdelijk kwam, en dat elke overwinning slechts een onderbreking was van een dieper proces. In dat kader krijgt de figuur van de drakendoder zijn echte betekenis.

De bekendste Germaanse drakendoder is Sigurd (of Siegfried), die Fáfnir doodt. Maar deze daad is geen eenvoudig moreel moment. Fáfnir is geen demon van buitenaf, maar een getransformeerde mens, verteerd door hebzucht en macht. De draak belichaamt hier geen “kwaad”, maar ontaarde kracht: iets dat ooit deel was van de orde, maar door overmaat is losgeraakt. Wanneer Sigurd de draak doodt, herstelt hij geen paradijs; hij grijpt in om verdere ontbinding tegen te houden, wetend dat dit slechts tijdelijk zal zijn.

Cruciaal is wat daarna gebeurt. Sigurd proeft per ongeluk het bloed van de draak en verkrijgt inzicht: hij verstaat de vogels, ziet verraad aankomen, doorziet de wereld scherper dan tevoren. In het Germaanse wereldbeeld is de draak dus ook drager van gevaarlijke kennis. Macht en inzicht worden niet gratis gegeven; ze vloeien voort uit confrontatie met wat vernietigend kan zijn. De held groeit door de strijd, maar wordt er tegelijk door gemarkeerd. Zijn heldendom is tragisch, niet zuiver.

Dit is een fundamenteel verschil met het christelijke Sint‑Joris‑verhaal. Wanneer Sint‑Joris in zijn latere legende de draak doodt, verdwijnt het monster definitief. Het dorp wordt gered, het volk bekeert zich, orde wordt hersteld en bevestigd. De strijd wordt daar een bewijs van waarheid: God overwint, het kwaad wijkt, de wereld kan genezen. Vanuit Germaans perspectief is dit een radicale vereenvoudiging.

Toch is het geen toeval dat juist in Germaanse gebieden Sint‑Joris zo populair werd. De vorm was al vertrouwd: de ruiter, de lans, het monster, de moedige eenling die tussen gemeenschap en ontbinding staat. Wat het christendom deed, was geen nieuwe figuur uitvinden, maar een bestaande archetypische structuur hernoemen. Waar eens Sigurd stond, kwam nu Joris; waar eens wyrd heerste, kwam voorzienigheid; waar chaos een noodzakelijk tegenwicht was, werd zij moreel verdacht gemaakt.

Vanuit heidens Germaans oogpunt blijft Sint‑Joris dus leesbaar als een ontkrachtte drakendoder. Niet omdat hij zwak is, maar omdat zijn wereldbeeld de tragiek van de strijd niet meer erkent. Hij strijdt alsof definitieve overwinning mogelijk is. Sigurd daarentegen strijdt ondanks de zekerheid dat zijn lotsdraad al gesponnen is. Zijn grootheid ligt niet in redding, maar in standhouden.

Daarmee raakt dit thema aan de kern van het Germaanse ethos. Heldendom is geen ontsnapping uit noodlot, maar waardige deelname eraan. De goden zelf gingen Ragnarök tegemoet met open ogen; zo ook de held. De draak wordt niet gehaat als absolute vijand, maar erkend als noodzakelijke tegenpool: vernietigend, ja, maar ook onthullend. Zonder draak geen held, zonder strijd geen betekenis.

Wanneer we Sint‑Joris zo herlezen, verschijnt hij niet als een vreemd christelijk importproduct, maar als een gesublimeerde echo van een ouder wereldbesef. Zijn lans rust nog altijd in dezelfde mythische grond, maar zijn verhaal is ontdaan van het besef dat orde altijd broos is en dat chaos nooit volledig verdwijnt.

In die zin vertelt het Germaans heidendom ons iets wat modern klinkt: niet dat de wereld te redden is, maar dat zij het waard is om verdedigd te worden, telkens opnieuw, zonder garantie op overwinning. En juist dát maakt de strijd zinvol.

Vrouwe Oostre

Tekst: Alexander Demoor. Melodie: Uit Duitsland.

Nu drijven wij de Winter uit,

Laat schallen dus een lied zo luid!

Een fel vuur zal hier laaien,

Want ’t rad moet eeuwig draaien!

Het groen komt op de Levensboom,

Treedt, Lente, binnen zonder schroom!

Gij baart ons warme zonneschijn,

Laat ons nu samen vrolijk zijn!

O, Vrouwe Oostre, zegen ons,

Met leven fris vol druk gegons!

Wees welig met uw hazen,

Wil menig ei uitblazen!

info@kerlinga.org
Instagram
Telegram